Boekenweek

De portier is een invalide, is mijn eerste gedachte. En onmiddellijk realiseer ik me hoe belachelijk die zin is en dat hij nergens op slaat. Ik sta in een rij wachtenden voor een van de kassa’s van ‘s lands grootste boekhandel en door een opkomend gevoel van gelukzaligheid krijg ik bijna braakneigingen. Nergens een portier, laat staan een invalide portier te bekennen. Mijn maag klotst tegen mijn keel en ik kan ternauwernood een boertje onderdrukken.

Ik had een gat in de lucht kunnen springen. Of hem kunnen omhelzen. Ik had een kreetje van opluchting kunnen slaken. Een vreugdedansje kunnen inzetten. Maar nee, in plaats hiervan denk ik plotseling aan een invalide. Een bediende zonder linker oorschelp en met stompjes in plaats van handen.
Hij staat nu precies naast me. Op gelijke hoogte. Hij wacht in de andere rij die routinematig door de rechter kassa wordt opgeslokt. Ik sta voor de linker. Met gelijke tred strompelen we voort. Twee parallelle wezens. Twee kortstondige kometen door een heelal van anonimiteit. Ik metaforiseer erop los. Ik krijg een erectie. Ik zou hem nu kunnen aanraken. Ik heb zo lang op hem gewacht. Mijn ogen graaien in het rond. Mijn blik slokt alle details van dit gedenkwaardige moment op. Een kind blaast een snottebel uit zijn rechter neusgat. Ik schrik: er mag geen mus van het dak vallen… Wat betekent dat kind met snottebel? Ik word er gek van en probeer even niet naar mijn buurman te kijken.
De ellende begon zeven jaar geleden, toen ik mijn eerste roman publiceerde. Sindsdien, bij ieder nieuw boek dat ik op de rails zet, wordt het gezicht van mijn oudste dochter langer. Zou je dat wel doen, pap? Ik zie haar denken: sukkel. Nog meer frustraties en aangebrande stiltes aan de eettafel. Kun je niet beter gaan tuinieren? Of je auto eindelijk wassen? In ieder geval iets anders doen dan het schrijven van die vervloekte boeken. En dan maar jammeren dat er weer geen recensies zijn verschenen.
Meestal probeer ik me te verweren. Nog geen twee weken geleden werd ik door de BRT-radio gebeld. Of ik naar aanleiding van mijn laatste boek Hollandse jongen en in het kader van de Nederlandse verkiezingen iets voor een studiogesprek voelde. Ik vond het een geweldig idee. Ik durfde alleen niet tegen mijn Belgische opbelster te zeggen dat ik Hollandse jongen nooit had geschreven. Wel een boek met ‘Hollandse’ in de titel. Bijna hetzelfde toch?
Zeven jaar geleden was de wereld nog mooi. Ik zat in een grachtenpand tegenover een uitgever en luisterde aandachtig. Hij had een tedere glimlach op zijn lippen en aaide met een vinger het zojuist door mij ingeleverde manuscript. Over enkele maanden, zei de uitgever, zou dit stapeltje een levend kindje worden. En op een dag zou ik de grootste kick van mijn bestaan krijgen: ik zou een van mijn lezers tegenkomen, tegenover me zittend in een trein, mijn boek op zijn knie‰n.
Ik kocht een jaarabonnement bij de NS. Sprong in bijna alle intercity’s, stoptreinen of veewagons die langsdenderden. Ik zag heel veel mensen: kantoorbedienden, voetbalsupporters, Eftelinggangers en buitenlandse toeristen. Maar die legendarische lezer ben ik nooit tegengekomen.
Ik probeer hem nu vanuit mijn ooghoeken, zonder zijn aandacht te trekken, op te nemen. Een boekhandel is misschien geen treincoupÇ, maar nu heb ik geen oog meer voor dat soort banale details. Hij is nog geen twintig, lang en mager en maakt een onzekere indruk. In zijn rechter vuist bloeit een rode bloem: mijn boek. In zijn linkerhand een ander boek. Ik sta nu op mijn tenen en lees: Ronald Giphart, Phileine zegt sorry. Ik bloos. Giph en Ik. Ik en Giph. Op dezelfde schoolbankjes. Niet nix! Hij leest de achterflap van mijn boek en verdwijnt achter de pilaar die onze respectievelijke kassa’s even scheidt. Als hij weer tevoorschijn komt, ontploft een granaat. Een aanslag? Nee, het geluid van zijn koopwaar die hij op de toonbank heeft gelegd. EÇn boek, niet twee boeken. Versteend zie ik het laatste woord op de omslag dat in de verpakking verdwijnt: 'sorry’. Ik verlaat de rij, loop woedend om de pilaar heen en zie hoe hij mijn boek op een stapeltje pockets heeft gedeponeerd. 'Sorry.’ Ik haat hem. Ik haat ook Giphart. Heb altijd een gruwelijke hekel gehad aan die modieuze nixer. Ik kan niet meer lopen, ik ben verlamd. In mijn hoofd gonst een zin: de portier is een invalide.