Thomas Rosenboom en Adriaan van Dis

Boekenweekgeschenken: tango en Parijs

Thomas Rosenboom

Spitzen

cpnb, 92 blz.

Adriaan van Dis

Onder het zink

cpnb, 63 blz.

In Aanvallend spel (2002), vier lezingen over schrijven, geeft Thomas Rosenboom een mooi en instructief beeld van zijn schrijf aanpak. Bij hem ligt de nadruk op documentatie, de drijfveren van het hoofdpersonage en de intrige. In het boekenweekgeschenk van dit jaar maakt hij zijn pretenties absoluut waar. Hij introduceert ons met groot genoegen in de wereld van de tango, waar ik altijd met enige afgunst naar kijk omdat ik a) geen enkel talent heb op het gebied van fysieke ritmiek en metriek, en b) de ingehouden hartstocht die bij deze wereld hoort nimmer maar dan ook nimmer zal kunnen bereiken, wat ik voor de spiegel ook probeer.

Documentatie is bij Rosenboom geen droog opzoeken van de nodige begrippen. Hij loopt ermee vooruit op het plezier dat hij gaat beleven wanneer hij werkelijk aan het schrijven slaat. Wie herinnert zich niet de bijna wellustige beschrijvingen in De nieuwe man van het geluid en de gang van zaken op een scheepswerf uit het begin van de twintigste eeuw: de termen vliegen je om de oren en de schrijver had duidelijk plezier toen hij de juiste woorden in de juiste boeken ontdekte, en toen hij die ook nog in een mooie reeks zinnen wist onder te brengen.

Ook in het kleine boekenweekboek over een liefdesgeschiedenis die zich in de tangowereld afspeelt, laat Rosenboom de termen liefkozend uit zijn pen rollen. Let bij het volgende citaat vooral op het stedelijke kader waarbinnen hij zijn termen plaatst; het geeft zijn verhaal een mooie stadsromantische sfeer waar je tegelijkertijd verschrikkelijk om moet lachen: «Terwijl beneden het donkere water tussen de kades spiegelde vertelde hij over zijn laatste les, dat ze, na eerder de media luna, de sandwich en de ocho’s, nog weer een nieuwe figuur, eigenlijk gezegd versiering hadden geleerd, de gancho.» Niets snap ik hiervan, maar wel zie ik tangodansers voor me en kwijnende poses en kleine gebaartjes. Zou die merkwaardige schopbeweging van de onderbenen de gancho zijn? En dat omlaag knikken van het hoofd, is dat de ocho? De termen zetten een wereld neer waarbinnen men aan een half woord genoeg heeft en waar buitenstaanders alleen naar kunnen raden. Het is de wereld van een sekte die zich beter weet dan de anderen. In deze typisch Rosenboomse wereld ontrolt de schrijver zijn intrige langs lijnen van verlangen, waan en bedrog.

In het algemeen heeft de vertellende instantie in het werk van Rosenboom geen erg hoge pet op van zijn romanfiguren. Hij zet ons geknakte zelfverheerlijkers voor, of doodgewoon halvegaren en oplichters, of, in De nieuwe man, de figuur Bepol die in het geheel geen kaas heeft gegeten van menselijke verhoudingen en die al zijn tegenspelers tot razernij drijft met zijn semi-gevoelige praatjes en handelingen.

Ook in deze novelle maken we weer met een echte Rosenbomer kennis: Han Bijman, 45 jaar, «had een blauwe maandag scheikunde gestudeerd en werkte sindsdien evengoed bij Shell Research& Technology, zij het op de financiële administratie». Een zin met meteen een complete invulling van een karakter. Personages moeten drijfveren hebben, stelt Rosenboom in zijn lezingen, ze moeten iets willen, liefst uit alle macht. Bij Bijman hoef je niet lang naar zijn drijfveren te raden: hij wil seks, graag met lekkere wijven, al is hij te bedeesd en te netjes opgevoed om het in deze woorden te formuleren. Te bedeesd, te netjes opgevoed? Rosenboom zorgt ervoor dat de op het eerste gezicht benepen held op het gebied van seks geheel aan zijn trekken komt: hij doet het binnen een paar uur zowel met de oudere bovenbuurvrouw als met een jonge mooie vrouw die hij bij de tangoles heeft ontmoet. En, ach, laat ons raden, gaat dit allemaal goed aflopen? Natuurlijk niet. Bijman loopt met die tangovrouw duidelijk in de val. Hij belandt in een netwerk van intriges die hem danig uit het lood slaan. Maar helemaal verkeerd gaat het niet en zo’n doetje blijkt hij niet te zijn: hij liegt en bedriegt er vrolijk op los. Volgens Rosenboom moet het met een held altijd verkeerd aflopen, dankzij zijn eigen verkeerde inschattingen. Maar in dit geval kun je misschien zeggen dat de held op het einde iets heeft geleerd van zijn rare strapatsen.

De bovenbuurvrouw Machteld wijkt overigens danig af van de personages die Rosenboom ons meestal voorzet. Zij weet het meeste van de tango en zwelgt in de termen die daarmee verbonden zijn. Op het eerste gezicht lijkt Rosenboom van haar een aanstelster te willen maken met een tango-obsessie, maar tegen het einde ontpopt zij zich als een ware heldin, die voor haar verwaten buurman een genereuze liefde opvat en die daar ongegeneerd aan toegeeft. Van Machteld ging ik houden. Maar nu wil ik de eerste jaren niks meer over tango’s lezen.

Adriaan van Dis schreef een wat hij noemt «AbéCédaire» over Parijs, een aantal impressies van deze stad die geordend zijn volgens de letters van het alfabet. Ik neem aan dat het in de Nederlandse literaire journalistiek taboe is om dit op te schrijven, maar ik had een beter essay geschreven, sprak ik bescheiden. Ik bedoel, Van Dis kan schrijven als de beste, daar gaat het niet om, maar zijn impressies hebben iets los-zanderigs en gratuits waar je je verder geen raad mee weet en waaraan je iets overhoudt in de trant van: nou, dat weten we dan ook weer. Was het niet mogelijk geweest toch maar met één idee te werken en daar dan een vlammend betoog over op te zetten? Misschien denk ik hier veel te gemakkelijk over en viel het in het geheel niet mee, maar meer pretentie, meer pathos, meer grootscheeps verlangen of wilde haat, dat had wel gemogen.