Ger Groot

Boekherinnering

In het begin van zijn roman De verdediging beschrijft Vladimir Nabokov de jeugd van zijn hoofdpersoon, de schaker Loezjin, wiens voornaam pas in de laatste regels van het boek wordt onthuld. Er was de Franse gouvernante, er was de eenzaamheid van de bleke jongen die vandaag de dag een nerd zou heten. En, zo schrijft Nabokov, ‘er waren ook boeken’. Op sommige daarvan bleef hij ‘voor het leven verliefd’. Ze vormden ‘zo’n intense belevenis voor hem dat hij, toen hij ze twintig jaar later herlas, alleen maar een dorre parafrase terugvond, een bekorte uitgave, alsof ze door het onherhaalbaar, onsterfelijk beeld dat hem was bijgebleven, verre waren overvleugeld’.

Natuurlijk kan Nabokov het niet laten aan die jeugdassociaties in de tekst ‘een plakje cake’ te laten voorafgaan: de vaste versnapering bij de thee ten huize van Loezjin senior_._ Geen mijmering over teloorgegane tijden is er in de twintigste eeuw meer denkbaar geweest zonder madeleine – en Nabokov moet hier een beetje hebben gespot. Met dieptepsychologische subtiliteiten had hij weinig op. In de later toegevoegde voorwoorden bij zijn Russische romans laat hij geen gelegenheid voorbij gaan om striemend uit te halen naar ‘de Weense delegatie’: freudianen die geen letter kunnen lezen zonder er een Fehlleistung of Oedipuscomplex in te zien.

Maar de vreemde psychologische wet die geliefde verhalen na lange tijd in ons geheugen als completer doet verschijnen dan ze waren, was aan hem niet verloren. Wanneer Loezjin later in de roman in het ziekenhuis is beland, komt hij er nog eens op terug. De patiënt moet en zal Jules Verne en Sherlock Holmes als bedlectuur hebben, maar veel plezier beleeft hij er niet aan. ‘Toen hij ze uit had’, schrijft Nabokov, ‘zei hij dat dit de verkeerde uitgaven waren, bekorte versies.’

Het lijkt achteraf inderdaad een wonder dat het boek dat we ooit met rode oren lazen in zijn spannendste passages achteraf zo uitermate spaarzaam geschreven blijkt te zijn. Allerlei details die we daarin zeker meenden te hebben opgemerkt en jarenlang in ons geheugen met ons meedroegen, blijken er niet of nauwelijks in voor te komen. Hoogstens worden ze indirect gesuggereerd, met kennelijk genoeg trefzekerheid om ons vervolgens als uitvoerig weergegeven observaties bij te blijven, wezenlijk voor het verhaal.

Minder dan als een wonder komt die spaarzaamheid aanvankelijk dan ook als een teleurstelling. Het verhaal lijkt vreemd verminkt: inderdaad bijna een verkorte versie, afgeroomd om wille van de eenvoud, kuisheid of eenvoudigweg uitgevers-winstbejag. We krijgen een uitgeklede versie terug van onze eigen herinnering en voelen ons daardoor, als Loezjin, een beetje bekocht.

Pas later corrigeren wij onze gebelgdheid met de bewondering voor de scherpzinnige economie waarin ook deze schrijver wist te bewijzen hoezeer zich in de beperking de meester toont. Wat wij ons allemaal herinnerden hóeft kennelijk helemaal niet op papier te hebben gestaan om in ons geheugen een rotsvaste plaats te veroveren. De spaarzame woorden riepen vanzelf al meer op dan ze zeiden en de wereld die in het samenspel van schrijver en lezer ontstond werd de werkelijkheid van het boek waaraan we later konden terugdenken. Niet de woorden zelf, maar de kosmos die daaruit in mijn lezende hoofd ontstond vormt de herinnering die wij aan de vertelling bewaren.

Voor de literatuurwetenschap lijkt dat slecht nieuws. Gefixeerd op de tekst als ze meestal is, ziet ze zich door de ervaring van de lezer ongemakkelijk naar de marge gedrongen. Hoe gewiekst de schrijver zich als ambachtsman bediend heeft van de woorden is voor het beklijven van zijn vertelling kennelijk van ondergeschikt belang. Het geheugen houdt vast aan het illusionisme van het beeld en de gebeurtenissen die het oproept. Aan het technisch mechanisme dat daarachter schuilgaat heeft het geen boodschap. Het is zintuiglijk ingesteld, niet analytisch. Daarmee lijkt het nog altijd beter te passen bij een orale vertelliteratuur dan bij een schriftelijk medium dat zichzelf veelbetekenend ‘de schone letteren’ noemt.

En daarmee komt de madeleine toch weer even terug. Want ook Proust kan niet zo bewonderd worden als stilist of we herinneren ons van die beroemde scène vooral de smaak en niet de woorden waarin die wordt opgeroepen. De proustiaanse ervaring is in de literaire conversatie pasmunt geworden als feit, niet als citaat: geen mens haalt de schrijver daarbij ooit woordelijk aan. Net als in de herinnering zelf wijkt de literatuur hier voor de psychologie. Niet die van de Weense delegatie, die ook van haar kant te veel interpreteert. Maar die van de zintuiglijke verbeeldingskracht, die erop zou zweren Prousts cakeje ooit zelf bijna letterlijk te hebben geproefd.