Boekhoudboekje

Vijfentwintig jaar lang is de Nederlandse politiek beheerst door bezuinigingen. Bij de Algemene Beschouwingen vorige week ging dan ook een zucht van opluchting door de Kamer. De politiek kan zich eindelijk weer bezighouden met haar ware taak: het vormgeven van de samenleving. Maar van een breuk was geen sprake. Nog altijd ging het vooral om verdelingsvraagstukken: wie krijgt er hoeveel bij, en welk ‘pijnpunt’ verdient een extra ‘financiële injectie’. Natuurlijk is het makkelijker om weelde te verdelen dan schaarste. Het vergroten van het verschil tussen werkenden en niet-werkenden valt makkelijker te verkopen als de niet-werkenden er tenminste niet op achteruit gaan. In de jaren vijftig wisten sociaal-democraten al dat herverdeling alleen mogelijk was bij economische groei. Wie van de rijken wat wil afpakken, kan rekenen op fikse strijd. Als ze slechts iets minder extra krijgen, is er wel kans van slagen. Het is alleen treurig dat onder het kabinet-Kok niet de armen, maar de werkenden van dit slimme mechanisme profiteren.

Het is verleidelijk om de rechtvaardigheid van de door het kabinet voorgestelde verdeling te bekritiseren. Is de oude nivelleringsgedachte niet in zijn tegendeel verkeerd? Moet er niet meer geld naar onderwijs en minder naar de Betuwelijn? Is het bestrijden van sociale noden niet belangrijker dan het versneld aflossen van de staatsschuld? En hoe is het met het milieu? Reserveren we daar wel genoeg geld voor? Het zijn legitieme vragen, maar ze zijn ook misleidend. Ze wekken de suggestie dat het verdelen van geld synoniem is met het vormgeven van de samenleving. Dat is helaas niet zo. Ergens meer geld aan uitgeven is geen garantie voor betere resultaten. Zoals ook snijden in voorzieningen niet altijd misstanden heeft opgeleverd. Het huidige onderwijsbeleid is daarvan weer een tragisch voorbeeld. De voorgestelde klassenverkleining heeft geleid tot een lerarentekort. Om dat tekort op te heffen wordt nu met de gedachte van de vierdaagse schoolweek gespeeld. Uit onderzoek blijkt echter dat een verkorting van de lestijd meer schade berokkent dan een verkleining van de klas oplevert. Weg voordeel. Zo zijn er talloze voorbeelden te noemen. Zelfs al geven we nog twee keer zo veel geld uit aan de Betuwelijn, een zinnig plan zal het nooit worden.
Een debat over het verdelen van de middelen is goochelen met goede bedoelingen. Milieu is belangrijk, dus moet er meer geld naar het milieu. Onderwijs, zorg - belangrijk, meer geld! Om het eigen geweten te sussen worden offers gebracht zonder een enkele garantie dat deze gaven de goden gunstig zullen stemmen. Wie zijn kritiek beperkt tot de rechtvaardigheid van de verdeling van de middelen huldigt impliciet een naïef maakbaarheidsdenken. Verstandiger is het om niet de rechtvaardigheid, maar de effectiviteit van het beleid te onderzoeken. Het vergroten van het verschil tussen werkenden en niet-werkenden is bijvoorbeeld bedoeld om de inactieven te prikkelen werk te accepteren. Alsof luiheid het grootste probleem is. Het zou bovendien een bijdrage leveren aan de loonmatiging. Alsof de vakbonden genoegen zouden nemen met het cadeautje van de regering als ze door krapte op de arbeidsmarkt fikse looneisen kunnen stellen. In Den Haag doen de meest ridicule theorietjes de ronde. Niet de terreur van het boekhoudboekje heeft politici het vermogen ontnomen om de samenleving vorm te geven, maar hun onwil om de eigen bizarre veronderstellingen kritisch tegen het licht te houden.