Het Migrantenmuseum

Boekje van oma

Voordat hij het woord ‘oma’ in het Nederlands had geleerd begon de jonge gastarbeider aan zijn baan. Hoe hij daar, bij het kanaal met de woonboten terechtkwam? Hij werkte eigenlijk bij een platenfabriek. Daar zette zijn chef hem een aluminiumplaat op de rug, gaf hem een stukje papier met een adres mee en legde hem uit dat de bestelling naar het adres op het papiertje moest.
De gastarbeider begon te lopen, vastbesloten om deze onmogelijke opdracht tot een goed einde te brengen. Er was geen straat in Utrecht die hem bekend voorkwam. Wel duizend mannen en vrouwen heeft hij het papiertje laten zien met het adres ‘Zandpad’ erop. Op de warmste dag die Nederland heeft gekend had de jonge gastarbeider na drie uur lopen met de aluminiumplaat op zijn rug een uitgedroogde mond, benen die niet verder wilden, een kletsnatte blouse van het zweet en een pijnlijke rug.
Uiteindelijk kwam hij bij het bruggetje, sloeg linksaf, liep even door en kwam bij de
bootjes met de vrouwen die bijna poedelnaakt achter de ramen zaten en gebaren maakten naar de mannen die langsliepen. De jonge gastarbeider ging even zitten, sloeg deze nieuwe wereld gade en dankte God ervoor dat die hem een week geleden van een dorp ergens in de bergen had geplukt om hier te planten. Dit was de grond waar hij zou opbloeien. Zijn bladeren die klein waren gebleven vanwege de
dorre grond van zijn moederland zouden hier met de nieuwe zon tot aan de wolken reiken.
Tevergeefs hebben de chef bij de platenfabriek en zijn mannetjes op de terugkomst van de gastarbeider gewacht. Die avond kwam de nieuwe arbeider niet terug, de volgende dag ook niet en ook niet de daaropvolgende dagen. Een teleurstelling voor de chef en de rest, die ernaar hadden uitgezien om deze nieuwe gastarbeider bij zijn terugkomst hardop uit te lachen. ‘Jij plaat gebracht daar, ha ha ha, waar is plaat ha ha ha…’
De gastarbeider kwam niet meer terug omdat hij, nadat hij het Zandpad had gezien, vond dat de plaat in het edele gat van de baas mocht. Hij gooide het ding tussen de struiken en liep met grote vreugde naar ‘oma’ die hem bij zich riep. De brunette was bijna veertig, had veel vrije tijd in haar wiebelende boot, wist dat ze niet meer een van de topvrouwen was onder deze hoeren, riep de gastarbeider bij zich omdat alleen hij in de buurt was en bestelde een pakje sigaretten bij hem. De jonge gastarbeider haalde de bestelling, stopte de fooi van één gulden in zijn zak en ging weer gehurkt zitten. Niet lang erna werd hij door de rooie gewenkt, daarna door de dikkerd, daarna door de bloedmooie en daarna door de grote zwarte…
Waarde lezer, de schrijver van deze verhalen is slechts een medewerker van het Migrantenmuseum en helaas geen Tsjechov. Natuurlijk heeft u recht op een verhaal dat gaat over het leven van de gastarbeider met een van de uniekste banen in het polderland. Doch, iedereen zijn eigen taak. En die van mij is u vertellen wat u te wachten staat in het Migrantenmuseum.
Wel, daar staat het boekje van oma dat nooit is uitgegeven. Oma heeft tot haar vijftigste gewerkt en omdat ze elk jaar meer vrije tijd had dan het jaar ervoor heeft ze over alles geschreven wat bij haar opkwam. Om een tipje van de sluier op te lichten: ‘De gastarbeider is nu alweer bijna acht jaar loopjongen hier. Wel een drukke baan. Alleen al de was die hij moet sjouwen voor de meissies! Hij heeft me ook vandaag ten huwelijk gevraagd. “Jij met mij trouwen oma?” vroeg die malloot. Zou hij nog steeds niet weten wat het woord oma betekent? Als hij me één keer Sylvia noemt ga ik met hem trouwen, toch wel een aardige gast die gastarbeider… Best wel knap ook…’
Natuurlijk is deze gastarbeider eerst uitgelachen en daarna verstoten door zijn landgenoten. Maar hij zit er niet mee. Hij heeft zijn eigen vrienden. Laatst is hij op de begrafenis van oma geweest. Daar huilde hij toen hij zag dat de ‘bloedmooie’ niet mooi meer is.