Boekloos lezen

Virginia Woolfs eerste roman is van alles tegelijk, maar bovenal een ode aan de verbeelding. Geschikt om te lezen volgens haar eigen methode: eerst mét, daarna zónder het boek.

Virginia Woolf (datum onbekend) maakt ambiguïteiten glashelder door ogenschijnlijk alleen maar te observeren © Everett Collection / HH

Hoe moet je een boek lezen? Volgens Virginia Woolf ben je na de laatste pagina pas op de helft. Na het dichtslaan begint namelijk een boekloze fase, die de leeservaring pas compleet maakt. Neem daarvoor de tijd. ‘Wait for the dust of reading to settle; for the conflict and the questioning to die down; walk, talk, pull the dead petals from a rose, or fall asleep. Then suddenly without our willing it (…) the book will return, but differently. It will float to the top of the mind as a whole. And the book as a whole is different from the book received currently in separate phrases.’

Woolf gaf dit advies in een schitterende, begeesterde lezing op een school, in 1925: How Should One Read A Book? Ik stuitte erop tijdens het lezen van De uitreis, Woolfs nu pas vertaalde debuutroman The Voyage Out (1915), en de missionaris in mij dacht meteen: ook vertalen, die lezing, en onmiddellijk in alle schooltassen proppen die we kunnen vinden.

De hoofdpersoon van De uitreis, Rachel Vinrace, is ook een hartstochtelijke lezeres, en Woolf schildert het portret van die lezende vrouw: ‘Haar ogen keken allerminst verveeld of afwezig, maar waren bijna streng op de bladzijden gericht, en aan haar ademhaling, traag maar ingehouden, was te merken dat haar hele lichaam werd afgeremd door de activiteit van haar geest.’ Als ze het boek dichtslaat, zucht ze, door ‘de verwondering waar de overgang van de wereld der verbeelding naar de werkelijke wereld altijd mee gepaard gaat.’

De wereld der verbeelding: deze roman, waar Woolf jaren gestaag aan werkte, is daar één grootse demonstratie van en één grootse ode aan. Het is een integrale wereld, niet toevallig gesitueerd in besloten universa: eerst dat van een schip, daarna dat van een hotel op de plaats van bestemming, een Zuid-Amerikaans land. E.M. Forster, bevriend lid van de Bloomsbury Group, noemde het een land dat op geen enkele kaart te vinden is en waarvan ‘de spirituele grenzen die van Xanadu en Atlantis raken’.

De reis heeft inderdaad mythische trekjes, al blijft de roman wel binnen realistische grenzen, en is hij, zeker vergeleken met Woolfs latere werk, voornamelijk chronologisch verteld, lineair. De vorm leunt nog vrij stevig op allerlei klassieke genre-elementen.

Het is een Bildungsroman: we volgen Rachel op weg naar haar volwassenheid, te midden van haar vader en haar tantes. Het is een zedenschets: een bont portret van een specifiek sociaal milieu, vaak met ironie bekeken, op het randje van satire, met name in de dialogen (‘“En een miskraam is veel en veel erger dan een zwangerschap”, prevelde mevrouw Thornbury afwezig.’) Het is een tragedie: in plaats van een huwelijk, waar de negentiende-eeuwse liefdesroman steevast mee eindigde, stevent Rachel af op haar voortijdige dood.

Het is daarnaast een ideeënroman: de mensen in het boek reflecteren voortdurend over thema’s als vrouwenrechten, politiek, kunst en religie, het kolonialisme. Steeds staan die in dienst van Rachels zoektocht naar haar plek in de samenleving en hoe zij moet leven. Mooi zijn de confrontaties met haar leeftijdsgenote Evelyn, die hoog opgeeft van mensen die zich inzetten voor de zwakkeren in de samenleving. Haar diagnose van hun hoge milieu: ‘We dóen niets.’ Ze vindt dat Rachel eruitziet alsof ze haar hele leven ‘in een tuin heeft geleefd’. Dus wil Evelyn met haar zaterdagclub niet langer over kunst praten, maar ‘over kwesties die echt belangrijk zijn in iemands leven: de blanke-slavinnenhandel, het kiesrecht voor vrouwen, de nationale ziekteverzekering – dat soort dingen’. Want, zegt zij: ‘Ik ben niet intellectueel of artistiek of zoiets, maar ik ben wel heel erg menselijk.’

Elke stem in dit geraffineerde weefsel van stemmen en standpunten is omringd met een mild-ironisch schijnsel. Niemand wordt echt belachelijk gemaakt, maar serieus kunnen we ook niemand nemen.

‘Logica brengt je van a naar b’, beweerde Einstein, ‘maar de verbeelding brengt je overal’

Natuurlijk, je kunt deze roman in feministisch perspectief lezen. Je zult zelfs wat vroege #MeToo-ervaringen herkennen, maar het is zeker geen pamflet of pleidooi. Het aftasten van die maatschappelijke thema’s heeft vooral iets onderzoekends, iets ongerichts. Voor wie met feministische bril wil lezen, biedt deze roman vooral cultureel-historische inkijkjes: zo werd er toen over gedebatteerd, en ja, dat heeft opvallende parallellen met huidige en hernieuwde discussies. Maar geen van die stemmen heeft absolute gelding; ze staan allemaal in een ironische relatie tot elkaar.

Het sterkste werkt dat als Woolf de mensen zo kaal en sober mogelijk neerzet, waarbij ze alle ambiguïteiten glashelder maakt door ogenschijnlijk alleen maar te observeren. Bijvoorbeeld als er twee oorlogsschepen langsvaren en Rachel samen met het echtpaar Dalloway toekijkt. ‘Richard lichtte zijn hoed. Clarissa kneep krampachtig in Rachels hand. “Ben je niet blij Engels te zijn!” zei ze. Terwijl de oorlogsschepen voorbijvoeren, spreidden ze een vreemd waas van discipline en droefenis over de zee uit, en pas toen ze uit het zicht waren, praatten de mensen weer normaal tegen elkaar.’

Je vindt zelfs een opvallende voorloper van ons eigentijdse concept van de ‘filterbubbel’, dat we ons, met name digitaal, meer en meer omringen met gelijkgestemden en nooit echt contact hebben. Een van de personages filosofeert dat ‘je nooit alleen bent en nooit in gezelschap: “Wat ik bedoel? Nou ja, iets met luchtbellen – aura’s – hoe heet dat? Jij kunt mijn luchtbel niet zien; ik kan de jouwe niet zien; het enige wat we van elkaar zien is een spikkeltje, als de pit midden in het vlammetje.”’

Dat is bij uitstek een idee dat je door perspectiefwisselingen en interne monologen voelbaar kunt maken. Veel van de technieken waar Woolf later bekend om werd, zie je hier in de kiem ontstaan: de stream of consciousness is er, maar niet zo uitbundig als in Mrs. Dalloway (die hier een van de bijfiguren is); de muziek en het ritme van de taal zijn er, maar nog niet zo intens en geperfectioneerd als in The Waves.

De uitreis zou je daarom kunnen zien als een van Woolfs meest toegankelijke boeken, uitermate geschikt om te lezen op de manier die zij zelf die scholieren aanraadde. Dat komt ook doordat de vertaling van Barbara de Lange (die vorig jaar al De jaren vertaalde, Woolfs laatste boek) zo helder en soepel is. En als je je dan met alle aandacht ondergedompeld hebt in die verbeeldingswereld, wat is daarna de roman die ‘terugkeert’, na die tweede leesfase, zonder het boek voor je?

Ik zie vooral een gigantisch cruiseschip, of een hotel, waaruit mensen de kamertjes in- en uitstromen, waar eet- en balzalen vollopen en weer leegstromen en waar een patroon is ontstaan, een ritme, een weefsel, een kakofonie van stemmen, dobberend in een universum dat niet bijster veel lijkt te geven om al dit gekrioel.

‘De poging tot communicatie was mislukt’, denkt Rachel ergens vroeg in de roman, in een gesprek met Richard. Die terloopse stelling blijft onder het hele boek door trillen en krijgt vorm in de stream-of-consciousness-techniek, de perspectiefwisselingen, of het opvallende gegeven dat de roman nog een tijdje doorgaat als Rachel al dood is: het bewustzijn vloeit van de ene persoon naar de andere, van de ene poging tot contact tot de volgende en mensenlevens zijn vluchtige verschijningen die oplichten en weer verdwijnen.

Maar dat is niet de enige reden waarom dit boek me ook met een wat weemoedig gevoel achterliet. Dat heeft ook te maken met die intense verbeeldingskracht. Waarom lezen we, vraagt Woolf in 1925 aan die scholieren, en ze komt onder meer met deze formule: ‘To refresh and exercise our own creative powers.’

Simpel en waar. Maar wel een waarheid uit een ander tijdperk. Het is nu al vrij veel van scholieren gevraagd om überhaupt een boek te lezen, laat staan dat je ze voorstelt er zó in op te gaan dat die roman daarna weer ‘terugkeert’ in je verbeelding, daar een werkelijke aanwezigheid wordt.

Woolf schreef The Voyage Out in hetzelfde decennium waarin Albert Einstein zijn relativiteitstheorie ontwikkelde. Ook dat was een krachttoer van de verbeelding, een reeks Gedankenexperimenten, nauwgezette en uiterst geconcentreerde visualisatie-oefeningen. ‘Logica brengt je van a naar b’, beweerde Einstein, ‘maar de verbeelding brengt je overal.’

Het is de tijd waarin de negentiende eeuw voorbij is en de techniek de wereld radicaal aan het veranderen is. Het estheticisme van het fin de siècle is nog niet helemaal uitgewerkt, de wereldoorlog nog niet begonnen. Reproductie, fotografie, film en andere grootheden van de beeldcultuur komen nog maar net op en zijn nog lang niet sterk genoeg om de leescultuur te verdringen, om de verbeeldingskracht te beconcurreren en erop te parasiteren.

‘Ik speel.’ Dat antwoordt Rachel (‘geveinsd kalm en onverstoorbaar’) als Evelyn haar vol verwijt vraagt wat zij nu eigenlijk ‘dóet’. Zij speelt. Die twee woordjes zouden wel eens cruciaal kunnen zijn. Ja, ze speelt letterlijk, piano. Dat levert bijvoorbeeld deze sterke metafoor op: ‘Ze klom almaar hoger in de steil oplopende spiraal van een late sonate van Beethoven, als iemand die een kapotte trap opging.’ Maar het spel is ook haar grondhouding: verkennen, aftasten, fantaseren, al haar geestelijke vermogens aanscherpen en perfectioneren.

Als je dan toch een boodschap wilt lezen in deze roman, dan moet die zijn dat Woolfs sympathie bij Rachel ligt en haar ernstige spel en de kracht van de menselijke verbeelding. Wat dat betreft zou het prachtig zijn als nu haar essays op de vertaaltafel zouden mogen, te beginnen bij How Should One Read A Book?: ‘We must not squander our powers (…) we must train them, exactly and powerfully, here on the very spot.’

En bij tweede, boekloze lezing daarvan, zullen we vaststellen: ja, zo ging dat, ooit, lang geleden.