Ger Groot

Boekman

Er is een Nederlandse filosoof die «Denker» heet. Sommige mensen hebben alles mee, heeft Filosofie Magazine daarover ooit geschreven. De vooroorlogse Amsterdamse wethouder Emanuel Boekman die de naam gaf aan een tijdschrift dat nu met een nummer over het beroep «schrijver» komt — waarschijnlijk is dat net zo toevallig. Boekman is een «tijdschrift voor kunst, cultuur en beleid» in het algemeen — zo staat op het vernieuwde omslag — en niet alleen over boeken.

De gelijknamige stichting die het blad uitgeeft, huist sinds jaren in het Amsterdamse grachtenpand waar in mijn jeugd de Katholieke Openbare Bibliotheek gevestigd was. Dat tart het toeval wel heel erg. Daar werd ik verliefd op boeken in het algemeen en de jeugdbibliothecaresse in het bijzonder. Ze heeft me verlaten voor een betere baan in de VU-bibliotheek, waar ik haar op een stormige herfstavond nog eens vergeefs ben gaan opzoeken.

Met boeken ging het omgekeerd. Met de jaren kwamen ze als ware groupies in steeds groteren getale op mij af. Daar had mijn baan weer alles mee te maken. Kort na het verdwijnen van mijn bibliothecaresse moet ik de klacht van een Engelse beroepsrecensent gelezen hebben. Zuchtend onder stapels nog ongelezen boeken zag hij de gevreesde postbode bijna dagelijks met een nieuw pakket op de stoep verschijnen. Het leek mij de meest adequate omschrijving van de hemel.

Dat nog nooit een kind tegen zijn vader heeft gezegd: «Papa, later wil ik criticus worden», bewees volgens Hugo Claus onomstotelijk de minderwaardigheid van het boek besprekersvak. Ook ik heb dat waarschijnlijk nooit gezegd, maar gedacht heb ik het wel. En terwijl ik nu steevast om klokslag negen de trap af slof om aan de deur mijn dagelijkse boekenpakket aan te nemen, begint het hart altijd weer even verwachtingsvol te kloppen — al draagt de onveranderlijk stralende glimlach van de postbezorgster daar ook toe bij. Even wordt het dan volstrekt onbegrijpelijk dat iemand ooit iets anders dan boekbespreker zou willen zijn.

In Boekman schrijft Volkskrant-criticus Arjan Peters net zo opgetogen over zijn recensentenbestaan. Zijn column is een welkome afwisseling naast alle stukken over schrijverslief en -leed als subsidiëring, commercialisering, roem, vervreemding en eenzaamheid, waarvan het informatiegehalte groter is dan de brille. Peters ontmoette op een uitgeversborrel een schrijver wiens boek in een poel van onverschilligheid gevallen was. Alleen zijn recensie, zo vertrouwde de schrijver Peters toe, had hem ervan weerhouden het schrijven op te geven.

Is dat «de macht van de criticus», zoals het stukje van Peters heet? Zo ja, dan is het een wrede macht, want voor hetzelfde geld was de bespreking omgekeerd uitgevallen en was een schrijverscarrière in de knop gebroken. Een recensie is bedoeld voor het lezerspubliek en heeft ten aanzien van de schrijver onwillekeurig iets achteloos. Maar het oordeel dat negatief uitvalt blijft bij de laatste vaak lang nazieken.

Zelfs de vier succesvolle schrijvers die in het openingsartikel van Boekman door Marja Pruis worden geïnterviewd, bekennen daarvan veel vaker te hebben wakker gelegen dan van alle positieve recensies bij elkaar. Die laatste zijn «gewoon»: ze bevestigen de mening die de schrijver toch al had. Maar strenge kritiek is als een stomp in de maag, terloops gegeven en door de criticus terstond vergeten. Hij is intussen al lang weer aan zijn volgende bespreking bezig.

Ooit heb ik negatief geschreven over een bundel waarvan de samensteller later een heel goede vriend werd. Bij onze ontmoeting kon hij het stukje nog woordelijk citeren. Het is goed gekomen tussen ons, maar het incident vormt nog altijd een donker wolkje aan de horizon.

Zo krijgt de criticus het odium van een wispelturige tiran. Toch schrijft hij zijn afkrakende stukken zelden met plezier. De stijl oefening van het sarcasme mag dan aantrekkelijk zijn, de keuze ervoor wordt met tegenzin gemaakt. Ze ademt teleurstelling over verspilde leesuren en beantwoordt aan de plicht de lezer voor verspilling van zijn schaarse leestijd te behoeden.

Net als de krantenlezers onthouden recensenten vooral hun juichende recensies. Toen liet de literatuur zien wat zij werkelijk vermocht. Het zijn de schaarse momenten waar een recensent bij iedere postbestelling opnieuw op hoopt. De bel gaat voor de zending van vandaag.