Boekreizen

Boeken kunnen je op onvermoede plaatsen brengen. Meestal is dat een mentale exercitie. Maar wat gebeurt er als een boek of schrijver je zo nieuwsgierig maakt naar een bepaald oord dat je er daadwerkelijk naartoe afreist? Dit is wat we onze medewerkers vroegen: heb je wel eens een bepaalde streek of stad bezocht omdat je er in een roman over hebt gelezen? En… Hoe was dat?

Standbeeld voor een sheriff

Wie vanuit Desmoines, hoofdstad van Iowa, richting New Mexico rijdt, via Route 35 South, komt langs de snelweg een klein bordje tegen: John Wayne Birthplace. Je moet goed opletten, anders zie je het niet. John Wayne! Zullen we even langs? Het is 2010. Een paar kilometer verderop gaan we de weg af, richting Winterset. Iowa-country, heuvelachtig weidegebied, koeien. Smalle asfaltwegen. We dachten dat we er snel zouden zijn, maar dat valt tegen. Toch even doorzetten. Winterset in de ochtend is niet erg klein, er staan een paar fabrieken, er is een watertoren. We pikken al snel een bordje op met een pijl: John Wayne Birthplace. Aan de John Wayne Drive. We blijven in suburb-gebied, witte huizen met grasveldjes ervoor, dan zijn we bij het huis. Klein, wit, onbeschrijflijk keurig, vlag erbij, een trappetje, ik heb het idee dat John op zestienjarige leeftijd verhuisde omdat hij toen al zijn hoofd voortdurend stootte. Het is zo keurig netjes allemaal dat we er ineens heel zacht bij gaan praten. Het is doodstil, iedereen zwijgt hier. Uitstappen, het pad oplopen. Het huis is niet te bezichtigen, helaas, het gaat vanmiddag pas open. Vlakbij bevindt zich het museum, we lopen erheen, het is dicht. Ik ben dit gewend, je kunt het beste van tevoren informeren of de geboortehuizen van je helden open zijn. Hoe vaak ben ik niet ergens tevergeefs beland? Walt Whitmans geboortehuis konden we niet eens vinden. Er staat een bizar standbeeld voor het museum. John Wayne als de sheriff uit Rio Bravo. Hij heeft het geweer in zijn linkerhand. Was John Wayne links? Dat ga ik later opzoeken. Ik maak drie foto’s. Het is klam weer, broeierig, weerzin daalt langzaam in me neer. Op de terugweg naar Route 35 verdwalen we, we belanden kilometerslang op belachelijke zandwegen. Eigen schuld, denk ik.

Kees ‘t Hart


Cruciale elementen

Er zijn genoeg niet-literaire redenen om naar Parijs te gaan. Le Marais, het Musée Rodin, de Quai de Seine, Musée D’Orsay – voor ik een letter van De Beauvoir of Du Perron las, was ik al verkocht. Maar de beste praktische tip kreeg ik van James Salter (1925-2015). Zijn korte artikel ‘Paris Nights’, oorspronkelijk gepubliceerd in 1998 en opgenomen in de postume verzamelbundel Don’t Save Anything (2017), behoort tot het mooiste dat ik over de stad las. Het stuk gaat specifiek over dineren, en is qua stijl even zintuiglijk en warm als zijn beste romans: ‘Night. You cross the wide avenue, the Boulevard Montparnasse. There is the wide glass front, the garish neon letters above. People are sitting on the enclosed terrace, lingering over coffee, talking. Passing through the doors you are struck by the full sound: conversation, laughter, knives and forks clattering, bottles being opened, plates stacked.’

Salter beschrijft hier zijn lievelingsrestaurant: La Coupole. Even daarvoor probeert hij de aantrekkingskracht van deze oude brasserie te verklaren: ‘Is it because of the food? Not really. The food is good and so is the service. But it isn’t just for these things that one embraces a restaurant. The crucial elements, though they don’t last forever, are style and, for want of a better word, character.’

Twintig jaar na verschijnen las ik het artikel toevallig in Parijs en besloot ik het restaurant te bezoeken. Alles wat Salter zag was praktisch hetzelfde gebleven: de oesters op grote bergen ijs, de onberispelijk geklede obers die achteloos een hele kluit mensen bedienden. En het art-deco-interieur, dat nog altijd de romantiek van de jaren twintig uitwasemt. Midden in de galmende, helverlichte brasserie waanden we ons, net als James Salter, even in het verdwenen Parijs van Gertrude Stein, Hemingway en Djuna Barnes.

Lodewijk Verduin


De baan van de zon

Als Nescio’s Japi er niet hele dagen aan de waterkant had gezeten, zou ik nooit de dringende noodzaak gevoeld hebben om een bezoek te brengen aan Veere. Veere: ik stelde me er zo’n zuinig Zeeuws Meisje-oord bij voor, gebukt onder het sombere juk van een somber geloof. Inderdaad is de kerk niet te missen: een reusachtige toren, log en dreigend, die alle huisjes, hofjes en trapgeveltjes uit de voc-tijd overschaduwt. Maar ik kwam er vooral voor een andere toren, de Campveerse Toren aan het havenhoofd.

Omdat ik de afgelopen jaren werkte aan een historische roman, met als hoofdpersoon een journalist die mogelijk model stond voor Japi, moest ik er toch eens heen, afgelopen najaar. Met een beetje geluk kreeg ik er het soort mystieke ervaringen als Japi hier kreeg. Het elementaire natuurgeweld, de baan van de zon, het water, brengt het zen-achtige inzicht dat de mensen maar zinloos tobden, ‘met moeite en zorg en veel verdriet door de dagen, alsof ’t zonder die moeite, die zorg en dat verdriet geen avond ging worden’.

Nescio logeerde zelf in 1908 eens in de Campveerse Toren, nu nog steeds een hotel, waar je smakelijk duur kunt dineren, in alkoof met weids uitzicht over het water. Alleen de manke havenmeester die de lichtjes komt aansteken ontbreekt.

Veere is oneindig mooier dan Domburg, waar ik een echo van de wereld van Jan Toorop wilde opvangen, maar vooral op karakterloos toerisme stuitte. Nee, dan terug naar Japi’s steiger. ‘En ’t tij kwam in en ’t tij ging uit; ’t water rees en viel.’ Pas toen ik die zin herlas begreep ik waarom het niks ging worden met mijn mystieke natuurversmelting. Door de Deltawerken is dit stadje afgesneden van eb en vloed, zodat alle scheepjes er nu vlak blijven liggen, en alles lijkt te wachten op dat nescioëske rijzen en dalen. Het is er letterlijk ademloos.

Christiaan Weijts


Soundtrack

Twee keer in mijn leven ben ik in New Orleans geweest. De eerste keer omdat ik als tiener naar niets liever luisterde dan naar de grimmige poëzie, oftewel gangsterrap, die in die stad gemaakt werd, de tweede keer omdat ik de mogelijkheid had om de oervader van die New Orleans-hiphop te interviewen. Zijn naam: Master P, zijn voornaamste onderwerpen: geweld, armoede, drugdeals. Juist omdat de getto’s die hij zo levendig beschreef – ‘My little brother died back in New Orleans/ Pop pop boom and it killed him, hear him scream’ – zo ontstellend ver van me af stonden, werd ik ertoe aangetrokken. Dit was een gevaarlijke wereld die ik niet kende en die ik nooit helemaal zou kunnen bevatten, maar ik wilde er heel graag een glimp van opvangen.

Hoezeer Oester ook van het werk van Master P verschilt, toch leunt deze roman van John Biguenet (1949, New Orleans) sterk op dezelfde ingrediënten als P’s raps: ook dit verhaal speelt zich af in Louisiana, ook hier speelt excessief geweld een hoofdrol en ook bij Biguenet komt het broeierige land van zuidelijk Amerika naar voren als iets gevaarlijks. Ik las Oester (2003) tijdens mijn tweede verblijf in New Orleans. Het verhaal zelf maakte niet eens zoveel indruk – kort gezegd draait het om de achttienjarige Thèrese die uitgehuwelijkt wordt omdat een ramp de lokale oestervisserij heeft verstoord; Thèrese verzet zich bruut tegen haar lot – maar het beschreven landschap greep me aan. Dat viel precies samen met wat ik overal om me heen zag, klam, onheilspellend, en het liep nauw over in de soundtrack van mijn puberteit. Ik weet nog goed dat ik onderweg was naar mijn afspraak met Master P, Biguenets roman lag op mijn schoot, ik reed door een vervallen achterbuurt en had geen idee wat er ging gebeuren, voor me ontvouwde zich een duistere, ondoorgrondelijke wereld waarin ik niets te zoeken had – en toch was ik even volstrekt op mijn plaats.

Thomas Heerma van Voss


Goed mens

Ik ging – jaren geleden – naar Milledgeville , Georgia, om te zien waar de verhalen van Flannery O’Connor (1925-1964) zich afspeelden, en waar ze had gewoond. Ik hou er wel van om met een boek of schrijver in de hand op reis te gaan; het haalt het toevallige van de bestemming af, al is het maar voor mezelf, én het richt mijn blik. O’Connor dus. Ze schreef haar verhalen en een enkele roman in de jaren vijftig en zestig. Een van de beroemdste verhalen is ‘Goede mensen zijn dun gezaaid’, het titelverhaal uit de bundel A Good Man Is Hard to Find (1955), en dat biedt meteen ook wel alles: tegen de achtergrond van huiselijke godsdienstwaanzin en terloops racisme leidt een manipulatieve grootmoeder haar familieleden richting ondergang. O’Connor is een schrijver die je op het juiste moment in je leven tot je moet nemen. Ik bedoel: als je de zwarte humor nog aankunt. Ik droeg een vrolijk stippelblousje en een rode broek toen ik samen met mijn reisgenoot op m’n meest argeloos de universiteitsbibliotheek van Milledgeville binnenstapte. In de winkel ernaast had ik nog een leuk T-shirt op de kop getikt, met de afbeelding van een grote roestige spijker en eronder in een gotisch lettertype: He Didn’t Die in Vain. In de bibliotheek zou O’Connors reading room zijn geconserveerd, zo had ik van de Tourist Service begrepen. Onmiddellijk kwam de bibliothecaresse eraan gesneld met een apparaat in haar hand. Toen we zeiden waarvoor we kwamen hield ze het ding, dat ze kennelijk had gepakt zo gauw ze ons had zien binnenkomen, triomfantelijk omhoog. Het bleek de afstandsbediening waarmee boven naar een video-opname van de schrijfster gekeken kon worden. Ik keek haar ongetwijfeld perplex aan, waarop zij zei: ‘You look just like O’Connor people.’ Dat zinnetje bleef de rest van mijn pelgrimage bij me. Het komt nog steeds in me op als ik in mijn eigen reading room naar mijn plank O’Connor kijk.

Marja Pruis


Dit ene moment in juni

Toen ik nog op dagelijkse basis aan een proefschrift werkte en me net te makkelijk met de mentale getijdenwisselingen van Clarissa Dalloway kon identificeren, ging ik eens voor een congres naar Londen. De herinnering aan die lezing is vervaagd tot het troosteloze gevoel van vijf man in een te groot zaaltje, maar ik zie nog heel scherp de vitrine in The National Portrait Gallery voor me waarin, bijna beledigend alledaags, de wandelstok lag waarmee Virginia Woolf de River Ouse in liep.

Het symbool van haar zelfverkozen dood botste met het glorieuze gevoel dat je in een grote stad kan overvallen, juist door Woolf in Mrs Dalloway zo onweerstaanbaar in woorden gevat. Al lezend over de bedrijvigheid van de winkeliers, de schoonheid van de straten en parken, het rumoer van de ‘automobielen, dubbeldeksbussen, bestelwagens’ – in 1925 nieuw in het straatbeeld – slaat de fascinatie van Clarissa voor het grootstedelijke bestaan op je over. Ze heeft het hartstochtelijk lief, ‘het leven, Londen, dit ene moment in juni’.

Toch doet Mrs Dalloway bij herlezing ook verlangen naar het strand. In een van de mooiste scènes zit Clarissa de scheur in haar favoriete groene japon te naaien, en zoals dat gaat bij Woolf dwaalt Clarissa’s aandacht af door de plooien van de rok: ‘Zo verzamelen golven zich op een zomerdag, slaan ze om en rollen ze uit, verzamelen zich en rollen uit, en de hele wereld lijkt “dat is alles” te zeggen, steeds nadrukkelijker, totdat zelfs het hart in het lichaam dat in de zon op het strand ligt óók zegt: dat is alles. Vrees niet meer, zegt het hart, en het vertrouwt zijn last toe aan een zee, die om alle gezamenlijke zorgen zucht, opnieuw begint, zich verzamelt en uitrolt.’ De passage blijkt inmiddels een populaire inspirational quote, mensen tatoeëren ‘fear no more, says the heart’ op hun pols, en daar kun je iets van vinden, maar ik snap het wel. Bij gebrek aan zee zijn er altijd nog de gedachtestromen van Woolf.

Femke Essink


Het centrum van verlamming

Op pure literaire intuïtie vertrok ik op mijn 21ste naar Dublin om daar een jaar te studeren. Ik hield van Becketts toneelstukken en van Joyce’s Dubliners — het enige wat ik destijds van hem had gelezen (doodsbang dat ik niet slim genoeg zou zijn voor de rest van zijn oeuvre; Dubliners was Joyce’s begin en Joyce voor beginners).

Mijn Nederlandse universiteit had een uitwisselingsprogramma met het University College Dublin en niet met het prestigieuze Trinity College midden in de stad, waar niet alleen Beckett had gestudeerd, maar ook Jonathan Swift, Bram Stoker en Oscar Wilde. Maar UCD had James Joyce , en ze lieten geen gelegenheid voorbijgaan om dat te benadrukken. De universiteitsbibliotheek is naar hem vernoemd, evenals een onderzoekscentrum waar je kunt afstuderen en promoveren op ‘Joyce Studies’. Ieder jaar op 16 juni – Bloomsday, de dag waarop Ulysses zich afspeelt – worden er aan UCD eredoctoraten en een speciale Ulysses-medaille uitgereikt (gewonnen door onder anderen Bill Clinton, Edna O’Brien en Jürgen Habermas).

Ik denk dat ik eerder zocht naar een plek waar literatuur een wezenlijk onderdeel uitmaakte van het culturele geheugen en het geleefde leven dan naar een ‘leuke’ stad.

Dubliners leest in elk geval niet bepaald als een enthousiasmerende stadsgids. Het Dublin in Joyce’s verhalen is benauwd, kleingeestig, armoedig en verstikkend katholiek. Drank en kinderen worden misbruikt, mensen leven boven op elkaar in donkere huizen – you get the picture. In een brief aan zijn uitgever schreef Joyce dat hij over de stad, zíjn stad, wilde schrijven omdat die hem ‘het centrum van verlamming’ leek.

Een paar jaar terug vertaalden Bindervoet en Henkes Dubliners als Dublinezen. Ze noemen het treffend een ‘suite van epifanische inkijkjes in de verlamde ziel van de Dublinees in het begin van de twintigste eeuw’. Over de Dublinees is een eeuw later een hele bibliotheek volgeschreven, door schrijvers als Roddy Doyle, John Banville, Anne Enright en Sally Rooney. Gedesillusioneerd raakte ik zeker, het jaar dat ik doorbracht in Dublin. Maar niet door de literatuur.

Niña Weijers


Bewijs van nabijheid

Ik ben talloze malen naar het zuiden gereisd, maar nooit om een stad, streek of landschap te bezoeken omdat ik daarover in een roman gelezen had. Ik kan me zelfs niet herinneren daarvoor ooit ook maar een kilometer te zijn omgereden als ik toch toevallig in de buurt was. Dat geldt natuurlijk niet voor schilders, beeldhouwers, architecten of stedenbouwers; hun werk, zeker dat uit voorbije eeuwen, is grotendeels plaatsgebonden en niet-transportabel, je kunt het dus alleen ter plekke bewonderen. Maar het mooie van boeken is nu juist dat ze elke plaats- en tijdgebondenheid ontstijgen , ja, dat de betere schrijvers dat vaak uitdrukkelijk gewild hebben.

Zo’n reis in het spoor van vul-maar-in heeft algauw iets van een pelgrimage. En ik ben een lezer van boeken, een bibliomaan voor mijn part, geen pelgrim van de literatuur, geen zoeker naar sporen van een werkelijkheid die de schrijver achter zich heeft gelaten, misschien zelfs heeft willen uitwissen. Ik heb ze altijd een beetje lachwekkend gevonden, de mensen die met een vroom gezicht achter een gids aansjokken die vertelt aan welk cafétafeltje de Schrijver elke ochtend zijn koffie of elke namiddag zijn aperitiefje dronk. Kregen die mensen daardoor een helderder inzicht in zijn werk? Ik denk eerder dat de pelgrimage vaak een leesvervangende handeling is, misschien zelfs een boetedoening, omdat men altijd heeft verzuimd de schrijver nabij te komen in de enige handelingen waar het bij hem op aankomt en die altijd ontsnappingshandelingen, bevrijdende handelingen zijn.

De literaire pelgrim is een gelovige. Hij wil niks weten van uitgewiste sporen, metamorfosen en ontsnappingen. Hij verzamelt relikwieën en amuletten als bewijs van zijn nabijheid. Hij is familie van de bibliofiel, de handtekeningenjager, de snuisterijenverzamelaar en de museumoprichter. Hij hoopt in de oorspronkelijke omgeving van de Schrijver de lucht van potloodslijpsel, pen of pet op te snuiven, en aldus, in trance, iets van diens goddelijkheid deelachtig te worden. De boeken blijven voor hem, vrees ik, gesloten.

Cyrille Offermans


Jachtgeweer

Pas na vijf keer zoeken kon ik het juiste gebouw vinden. Ik wist dat White’s aan St James’s Street lag, midden in Londen , maar het lukte me niet het juiste gebouw te vinden. Nu is het logisch dat de meest exclusieve herenclub niet in manshoge letters zijn naam op de gevel heeft staan, maar pas toen ik ’s avonds over de straat liep, en spotlights op een witte, bezuilde gevel zag vallen, dacht ik: dat moet het zijn.

Prins Charles is lid van White’s, een hele reeks markiezen, hertogen en admiralen. Edward St Aubyn is lid, een van mijn favoriete Britse schrijvers, zijn stamboom gaat terug tot voorbij de inval van Willem de Veroveraar. Hoeveel white privilege me zal worden verweten, hoeveel cultureel kapitaal ik vergaar, nooit zal ik hier zomaar binnen mogen lopen.

In het eerste deel van St Aubyn’s autobiografische romans rond zijn alter ego Patrick Melrose wordt verteld hoe vader Melrose zijn clubgenoten vermaakt met een safari-anekdote. Hij is het type man voor wie snob een te klein begrip is. Zijn vingers staan kromgebogen van de reuma, maar hij blijft piano spelen. Hij is arts, maar heeft zijn carrière nooit echt doorgezet. Hij vertelt dat tijdens een safari een soldaat zwaargewond raakte, niets aan te doen, einde oefening. Maar de man bleef maar kermen op zijn doodsbed, terwijl zijn reisgenoten van hun maaltijd probeerden te genieten. Uiteindelijk liep vader Melrose met een jachtgeweer de ziekenboeg binnen, verloste de man uit zijn lijden, zodat er rustig verder gedineerd kon worden. ‘Ik denk dat toen mijn liefdesrelatie met de geneeskunde begon…’

Later in het boek misbruikt de vader zijn zoontje Patrick – zomaar, in een opwelling. Na afloop vraagt hij zich af of dit ook materiaal zou zijn voor een sterk verhaal in zijn herenclub.

Voor de deur van White’s kon ik niets zien. Geen inkijkje door een raam was mogelijk; ik stond er even, liep weer verder, ging een winkel in, kocht een boek, en botste bijna tegen een man aan. Enorme donkerblauwe jas, eentje waarin je kon verdwijnen. De man liep verder. Ik kon niet ophouden met lachen. Kon niet missen. Hij liep richting St James’s Street. Ik ging achter hem aan, haalde hem bij een oversteek in.

‘Pardon, bent u niet Edward St Aubyn?’

Ik moet hem met een krankzinnige grijns hebben aangekeken.

Joost de Vries