De muziek van Edgard Varèse

Boem!

De muziekpionier Edgard Varèse ging door het lint toen de eerste atoombom werd getest. Zoveel kracht, zoveel energie. Hij zag de link naar zijn eigen onstuimige werk, muziek die zowel uit de toekomst als uit de oertijd leek te komen.

HET OEUVRE VAN Edgard Varèse (1883-1965) put uit formidabele energiebronnen. Behalve het francofoon tevreden solofluitstuk Density 21.5 (1936), lyrische oase in het oog van de storm, is aan de Frans-Amerikaanse muziekpionier bijna alles groot en sterk, machtig, heroïsch. Het geavanceerd elementaire van zijn taal maakt hem tot de Beethoven van de klassieke avant-garde. Hij zag het zelf, en hield het met zijn opvatting van kunst voor onontkoombaar. ‘I believe that all music today is transitional, and that there will be a new primitiveness in it. By primitiveness I mean a beginning, a newness – in the sense that Beethoven, breaking away from the past, was primitive.’
Hoe hij zelf de geschiedenis bevocht voor hij haar overwon, zal een raadsel blijven. Wat we van Varèse kennen – tweeënhalf uur met niets vergelijkbare muziek – kwam tot stand nadat die strijd gestreden was. Het grootste deel van zijn vroege werk – orkestwerken met debussyaanse titels als Prélude à la fin du jour, een ‘tragédie symphonique’, de opera Oedipus und die Sphinx naar een drama van Hugo von Hofmannsthal – ging in 1918 verloren bij een brand in Berlijn; het orkestwerk Bourgogne vernietigde hij enkele jaren voor zijn dood. Met uitzondering van het prachtlied Un grand sommeil noir (1906) is wat hij tot 1915 componeerde alleen bekend van horen zeggen. Een bizar idee: alsof je bij Beethoven de eerste twintig pianosonates kwijt bent.
Zo is onmogelijk te zeggen hoe veelbelovend hij in zijn jonge jaren was. Dat Varèse’s vriendschappen met Debussy en Busoni en zijn bewondering voor Richard Strauss zijn muziek niet ongemoeid hebben gelaten, is aannemelijk maar onbewijsbaar. Getuigenissen wekken tegenstrijdige indrukken. Bourgogne – op voorspraak van Richard Strauss op 15 december 1910 in Berlijn uitgevoerd – wordt door een recensent monstrueus en infernaal genoemd; Romain Rolland, die eerder de partituur zag, rept in een brief aan de componist van Strauss- en Debussy-invloeden en dicht de muziek een ‘kalm, religieus karakter’ toe; de pianist Eduard Steuermann, die de première bijwoont, hoort ‘een geweldig woud van strijkers’.
Allemaal weg. Wat bleef klinkt alsof het uit een ver sterrenstelsel naar de aarde is gestraald. Weinig twintigste-eeuwse radicalen klinken zo enerverend ongehoord als Edgard Varèse. Nieuw is niet het goede woord; het zou ook prehistorie kunnen zijn, een muzikale oertijd. Die oerheid van Varèse is een dubbelzinnig fenomeen. Enerzijds is hij de constructivist die zichzelf met hoogst onromantische nuchterheid omschrijft als ‘worker in intensities, frequencies and rhythms’ en zelfs geen musicus genoemd wil worden, anderzijds de visionaire klankbevrijder die ‘bodies of intelligent sounds’ vrij laat rondzweven in een denkbeeldige ruimte die een ook visuele klankvoorstelling hem voor ogen stelt. ‘We have actually three dimensions in music: horizontal, vertical, and dynamic swelling and decreasing. I shall add a fourth, sound projection – that feeling that sound is leaving us with no hope of being reflected back, a feeling akin to that aroused by beams of light sent forth by a powerful search-light – for the ear as for the eye, the sense of projection, of a journey into space.’
Nooit wordt hij rekenaar. Zijn vrijheidsdrang is onverenigbaar met de systematiek van Schönbergs dodecafonie. Diens rijk van twaalf tonen is een rijk van twaalf eenlingen, die zich op hun eigen, onnavolgbare voorwaarden in steeds nieuwe, onverwachte configuraties met elkaar verbinden. Het typische Varèse-thema is een magisch, quasi-eentonig fenomeen, signaal dat als een toverspreuk ontzielde dingen animeert, waarna zijn kosmos, hel en hemel tegelijk, scheurend en piepend in beweging komt, vol eerste levenstekens.

DE LYRIEK – begin Octandre, begin Amériques, fluitsolo in Hyperprism – is bij Varèse zelden meer dan een kortstondig ogenblik van rust – met het paradoxaal destabiliserende effect dat in tonale oeuvres dissonanten hebben. Steeds dreigt verwildering, ontregeling, de afgrond. Zijn slagwerksecties bonken als donderslagen, ritselen als oerbossen bij opstekende wind. Als tektonische platen schuren in de koperfanfares de stemmen laag voor laag naar extatisch starre hoogtepunten; zijn hoog is fel licht, zijn laagte duister als de laatste nacht.
Alles is beeldend bij Varèse. Intégrales (1925) is een boze, jichtige processie van kreunende pelgrims met van pijn vertrokken smoelen. Ecuatorial (1932-1934) voor theremins of ondes martenot, orgel, piano, koper, percussie en bassolo (later een baskoor) is als een middengolfradio die een radiografische kakofonie der sferen opvangt – hoorspelhorror. De tekst is een gebed uit de Popol Vuh, het scheppingsverhaal van een Mayastam uit Guatemala. Oer. Hyperprism voor negen blazers en zeven slagwerkers (1922-1923): een pandemonium van rochelend koper en ratelend slagwerk, waarin de koperblazers schetteren als schuimkoppen op de golven van een reuzenorkest dat er niet is.
Typisch Varèse: zijn ensemblestukken klinken door hun massale dichtheid even groots als de massapelotons van Amériques (1918-1922, revisie 1927) en Arcana (1925-1927). Hun gestiek is zo sterk dat zijn troepen altijd meer mans lijken dan ze zijn. In het slagwerkstuk Ionisation (1929-1931) mis je de blazers niet, omdat het zonder klinkt als andere Varèses mét.
De aan de exacte wetenschappen ontleende titels van zijn werken vormen alleen de buitenkant van deze art-science. Onder hun oppervlakte schuilt een esotericus wiens voorstellingsvermogen wordt gevoed door visioenen van grote verre oude of nog ongeboren dingen. Oude beschavingen en hun rituelen, planeten, sterrenstelsels, Sirius, Romaanse kerken en woestijnen, oerhistorie, verre toekomst: het materiële en het spirituele zijn bij Varèse facetten van hetzelfde. Amériques is veel meer dan de muzikale ontdekking van ‘Amerika’. ‘The title “Amériques” should be taken in no literal sense but as the eternal symbol of discovery – “Amériques” – “Americas” – new worlds on earth, in the stars, and in the minds of men.’ Het stuk mythologiseert een tijdreis van het oude continent naar een nieuwe wereld met onbegrensde mogelijkheden. In een draaikolk van urbane hectiek, van gillende sirenes en onbenoembaar stadsrumoer, worden de muzikale echo’s van zijn achterland – Strawinsky, Strauss en Debussy – voor eeuwig naar de bodem van de oceaan gezogen. Een grote schoonmaak is het, een wedergeboorte.

BOEM! VARÈSE gaat door het lint van opwinding als de eerste atoombom wordt getest. ‘Bombe atomique – formidable – émouvant – stimulant’, noteert hij. Het doel van de uitvinding is verschrikkelijk, de vondst zelf geniaal: ‘(…) what good could be achieved for the good of the whole world in distributing and directing that energy’.
Die droom komt uit. Op de vreedzame toepassing van zijn eigen dromen moet hij wachten tot zijn zeventigste. Ze komen vroeg. Kort nadat hij, eind 1915, in de Verenigde Staten is gearriveerd, waar hij op een vijfjarig intermezzo in zijn geboorteland (1928-1933) na de rest van zijn leven doorbrengt, licht hij een New Yorkse krant zijn muzikale idealen toe. ‘What I am looking for is new mechanical mediums which will lend themselves to every expression of thought and keep up with thought. (…) Our musical alphabet must be enriched. We also need new instruments very badly.’ Helaas: for the time being moet hij zich met conventioneel instrumentarium bedruipen, aangevuld met paramuzikale hulpmiddelen als sirenes en primitieve elektronische instrumenten als theremins en ondes martenot.
Zonder succes doet hij het zijne om de evolutie te bespoedigen. In 1927 broedt hij met Harvey Fletcher, directeur akoestisch onderzoek Western Electric Laboratories, op plannen voor een nieuw elektronisch instrument. Hij legt contact met René Bertrand, uitvinder van de dynafoon, en Léon Theremin. Bij de Guggenheim Foundation vraagt hij, eveneens tevergeefs, in 1932 een beurs aan om een nieuw instrument te ontwikkelen. Wat hij intussen schrijft is in afwachting van de grote doorbraak provisorisch voorwerk. Intégrales schrijft hij, zegt hij later, ‘for certain acoustical media that were not then in existence, but that I knew could be built and that would be available sooner or later’.
Het is een onvoorstelbare gedachte dat een kunstenaar een leven moet wachten, dromend en lijdend. Zelfs zijn onverwoestbare geloof in betere tijden struikelt op een kwade dag over de hopeloosheid van de status-quo. In de jaren dertig stagneert bij gebrek aan goed muziekgereedschap zijn ontwikkeling. Grootse, utopische projecten komen nooit tot stand. Dat geldt zowel voor het in Parijs begonnen muziektheaterproject The One All Alone, waaraan hij met verschillende librettisten werkt (met Antonin Artaud als hekkensluiter), als voor de koorsymfonie Espace, waarvan niets rest dan het in 1947 eenmalig in New York uitgevoerde fragment Etude pour Espace. In de periode 1936-1949 klinken van hem vrijwel geen nieuwe werken meer.
Het is een periode van zwerven en tobben, waarin hij, geplaagd door ernstige depressies en fysieke ongemakken, zijn draai niet lijkt te kunnen vinden. In 1936 schrijft hij zijn vrouw: ‘I’m tired of schools, of styles, of modernisms. More than ever only the epic interests me – and the great cries into space.’ In 1936 verhuist hij naar Santa Fe, in 1937 naar San Francisco, in 1938 naar Los Angeles. In 1940 keert hij naar New York terug, waar hij in en na de oorlog de wachttijd doodt met schrijven, dirigeren, het arrangeren van soundtracks, doceren en dat geheimzinnige Espace.
Het zal tot 1952 duren voor ‘een anonieme bewonderaar’ – in werkelijkheid zijn de gulle gevers zijn vrouw Louise en zijn vriend Alcopley – hem een Ampex-bandrecorder cadeau doet. Pas dan zet hij – eindelijk thuis als een Chinees adoptiekind dat naar het vaderland terugkeert zonder een woord Chinees te spreken – zijn eerste wankele schreden in de nieuwe wereld van elektronisch georganiseerd geluid, de ‘organized sound’ die hem bijna vier reddeloze decennia voor de geest heeft gestaan. Op uitnodiging van Pierre Schaeffer, de Franse pionier van de musique concrète, voltooit hij in Parijs de elektronische tussenspelen (‘Interpolations’) voor zijn nieuwe ensemblewerk Déserts (1950-1954). De première op 2 december 1954 in het Théâtre des Champs-Elysées – ingezeept met een mondelinge inleiding van de jonge Pierre Boulez – is net zo’n schandaal als 41 jaar eerder de vuurdoop van Strawinsky’s Sacre in hetzelfde huis. Varèse is dan 71, en nog lang niet aan het eind van zijn ontwikkeling. Déserts – waarin ensemble en tape nog primitief alterneren – is niet meer dan een tussenstap op weg naar zijn eerste volledig elektronische compositie. Hij dankt de opdracht aan de architect Le Corbusier, die van Philips de uitnodiging krijgt voor de wereldtentoonstelling 1958 in Brussel een paviljoen te bouwen. Voor dat gebouw componeert Varèse in 1957 in de Philips-studio in Eindhoven Poème Electronique, dat het muzikale bestanddeel wordt van een multimediale licht-, beeld- en geluidshow die in vier maanden door honderdduizenden mensen wordt gezien. Varèse is bevrijd. ‘For the first time I heard my music literally projected into space.’
Of dat geluk de tijd heeft overleefd, blijkt deze week als in het Artis-planetarium Poème, met gerestaureerde geluidsband en filmbeelden, tot klinken komt in een setting die de condities van 1958 naar verluidt dicht benadert. Nu maar hopen dat de aanstaande Amsterdamse wereldpremière van Etude for Espace – in een orkestbewerking van Varèse’s Eckermann Chou Wen-Chung – zijn mythe niet ontzenuwt. Maar het lijkt me ondenkbaar. Zijn werk is die mythe. Zou je hem meenemen naar het onbewoonde eiland? vraagt iemand me. Dat hoeft niet, zeg ik. Zijn werk is dat eiland. En daar woont alleen hij, The One All Alone. Ons geluk is dat we de kust zien liggen, het zijne dat hij ziet dat we hem niet vergeten zijn.

De voorstelling Varèse 360, onder leiding van dirigent Peter Eötvös, is op het Holland Festival te zien op 13 en 14 juni. Op 12 juni is er een Varèse-symposium. www.hollandfestival.nl