Voorbij de megastal

Boer en burger botsen in Brabant

Een emotioneel debat leidde drie jaar geleden tot het Noord-Brabantse megastallen­verbod. Nu het stof is opgetrokken probeert de boerenprovincie verder te kijken dan de omvang van de stal. Een reconstructie van de Brabantse oorlog tussen boer en burger.

22 maart 2013. Terwijl Provinciale Staten al begonnen zijn met hun veedebat staat één demonstrant op de trappen van het Brabantse provinciehuis te koukleumen. Hij heeft de ondankbare taak de protestborden te bewaken, terwijl zijn collega’s zich op de publieke tribune hebben genesteld. Ze zijn met minder dan drie jaar geleden. Toch ligt de intensieve veehouderij in Noord-Brabant nog steeds gevoelig. Zeker nu Gedeputeerde Staten willen tornen aan het moeizaam bevochten megastallenverbod. De oppositie kiest de aanval, en pleit voor een totaal bouwverbod voor veebedrijven in de overbelaste Peel-regio. De SP, nu samen met cda en vvd in de coalitie, twijfelt. Maar vandaag blijven bokkensprongen uit: de coalitie steunt de gedeputeerde. Dat was drie jaar geleden wel anders.

19 maart 2010. Journalisten van de landelijke pers klampen de Brabantse volksvertegenwoordigers aan in de gangen van het provinciehuis. Brabant gaat als eerste provincie in Nederland een verbod op megastallen afkondigen. En dat in de boerenprovincie bij uitstek. Het cda, steun en toeverlaat van de agrarische sector, was hier tot voor kort oppermachtig. Maar nu is de boerenlobby zijn greep op de gebeurtenissen kwijt. pvda en vvd nemen afstand van coalitie­genoot cda, en trekken op met de SP – dan nog oppositie­partij. cda-gedeputeerde Ruud van Heugten verkoopt zijn huid duur.

De ‘burgers’ zijn in opstand gekomen tegen de vee-industrie. Reconstructieplannen en ‘landbouwontwikkelingsgebieden’ hebben alleen maar ruimte aan de veehouderij gegeven – over hun hoofden heen – zo is het sentiment bij veel plattelanders. Nu heroveren zij het provinciehuis. De Staten behandelen hun burger­initiatief ‘Megastallen-nee’; 33.000 Brabanders hebben getekend.

Sonja Borsboom van Megastallen-nee heeft die ochtend het eerste woord. De accountant uit Baarle-Nassau spreekt over ‘dierfabrieken’, ‘met groen gecamoufleerde beestenbunkers’ en ‘volksverlakkerij’ door de provincie. Af en toe klinkt er een snik in haar stem. ‘Daarna barstte het politieke gekrakeel los’, herinnert Borsboom zich. ‘Ik kon er geen touw aan vastknopen.’ Het is een emotioneel en chaotisch debat, met ruim vijftig moties en amendementen. Sommige Statenleden vergissen zich bij het stemmen. Het is dan al ver in de avond.

Als de rook is opgetrokken, zijn nieuwe stallen met een bouwblok van meer dan 1,5 hectare in Brabant verleden tijd. Bovendien mag geen enkele veehouderij zich nog vestigen op maagdelijke grond, waar nu geen veebedrijf staat.

‘Het komt niet vaak voor dat de provincie zo in de belangstelling staat’, zegt cda-vice-fractievoorzitter Roland van Vugt, als hij terugdenkt aan die dag. ‘Voor het debat zijn alle Staten­leden bedolven onder brieven en mails. Emoties speelden een grote rol. Soms denk ik dat ze de boventoon voerden.’ De Staten waren ‘over­dreven’ bezig om een signaal aan de bevolking af te geven, vindt hij: ‘De Statenleden gingen daarin zo ver dat ze tot in de kamer van Gedeputeerde Staten meegingen.’

Nu, drie jaar later, blijkt dat in die hogedrukpan niet de beste besluiten zijn genomen. Voorzichtig probeert de provincie het gesprek op het platteland weer op gang te brengen. Voorzichtig, want in het Brabantse veedebat zitten de emoties vlak onder de oppervlakte.

De ene na de andere stal met het logo van ‘Houbensteyn’ duikt op langs de weg, terwijl Martin Houben voorrijdt naar zijn grootste exemplaar. Hier houdt hij 7400 dieren. Houben is eigenaar van een van de vijf grootste vee­bedrijven van Nederland. Hij houdt twintig­duizend vleesvarkens en 4500 fokzeugen, verdeeld over tien stallen in het Limburgse Ysselsteyn, gemeente Venray. Al zijn stallen zijn groter dan de limiet die in Brabant geldt.

Een douche, twee keer schoenen wisselen, daarna staan we in zijn stal. De veiligheidseisen zijn streng, om dierziektes te voorkomen. De boer opent een halfhoog hok en gaat tussen de varkens staan. Eerst stuiven ze weg, dan komen ze nieuwsgierig kijken. ‘Hoor je ze knorren?’ zegt Houben. ‘Dat betekent dat het goed gaat.’ Een dier maakt een blaffend geluidje. ‘Vroeger zouden we die meteen antibiotica hebben gegeven. Nu kijken we het even aan. Dat is beter voor de voedselveiligheid’, zegt Houben.

Binnen heb je geen idee hoe massaal dit bedrijf is. Er zitten maximaal driehonderd varkens bij elkaar in een ruimte, die dan weer verdeeld is in hokken met twaalf dieren. Er klinkt een sissend geluidje en een bruine smurrie spuit via een buizensysteem in alle voedertroggen. Houben steekt er een vinger in en steekt die in zijn mond. ‘Lekker, hoor.’ Zijn varkens eten prima, wil hij laten zien. Mensen zijn er niet meer voor nodig. Wel komt een medewerker iedere dag minstens één keer kijken hoe het met de beesten gaat.

In het hok dat Houben is binnengestapt heeft een dier een schram bij zijn snuit. Een ander dier heeft het bij zijn oor. Volgens Wakker Dier een teken dat de beesten te weinig ruimte hebben. Houben betwist dat. Hij heeft één ster volgens het ‘beter-levenkeurmerk’ van de dieren­bescherming. ‘Per varken is er 0,2 vierkante meter ruimte extra’, zegt Houben. ‘Je zult wel zeggen: “Dat is veel te weinig.” Maar binnen kun je in dierenwelzijn nooit excelleren. In de biologische landbouw kunnen de dieren naar buiten, maar daar kun je de uitstoot niet controleren. Bij veel van onze stallen wordt de lucht gewassen voor die naar buiten gaat. In het dilemma van dierenwelzijn versus milieu kiezen wij vooral voor het milieu.’

Zelf wekt hij groene stroom op uit zijn mest en verwerkt hij resten uit de voedingsmiddelenindustrie tot varkensvoer. Ruim negentig procent van wat zijn varkens eten is gerecycled. Het voer is bovendien nat, en dat zorgt voor minder co2 dan droogvoer. De uitstoot van Houbensteyn is – per kilo vlees – minstens 22 procent lager dan gemiddeld in Nederland, en ook lager dan die van biologische landbouw. Dat blijkt uit onderzoek van Blonk Milieuadvies uit Gouda. Houben streeft zo veel mogelijk naar een gesloten kringloop op zijn bedrijf. Dat kan allemaal, omdat hij zo groot is.

Houben heeft de megastallendiscussie in Brabant geërgerd gevolgd. ‘Ze bereiken het tegenovergestelde van wat ze willen. De Brabantse politiek houdt juist de goede ontwikkelingen tegen’, stelt hij. ‘Ontwikkeling op het gebied van dierenwelzijn en milieu moet je kunnen terugverdienen. Elke revolutie gaat gepaard met een schaalsprong. Kijk naar de overgang van melkbussen naar melktank: toen zijn veel bedrijven gestopt en andere groter geworden. Ik begrijp natuurlijk wel dat groot ook bedreigend is. Maar de emotie is doorgeschoten in dit debat. Bestuurders moeten daar doorheen prikken.’

In Noord-Brabant ging het goed mis tussen boeren en burgers. Dat begon met de reconstructie van het platteland na de varkenspest in 1997. Vijf varkensprovincies moesten hun buitengebied opnieuw indelen en varkensvrije zones creëren. Zo zou een nieuwe dierziekte niet snel om zich heen grijpen. Toen varkens konden worden ingeënt, verdween dat doel naar de achtergrond. Inmiddels was er een ander streven: het scheiden van wonen, natuur en veehouderij. Veebedrijven moesten geconcentreerd worden in ‘landbouwontwikkelingsgebieden’ (log’s). In de ‘extensiveringsgebieden’ ging het licht voor boeren op rood, en in de ‘verwevingsgebieden’ daartussen op oranje. Maar in de uitvoering ging het mis.

In 2007 is er in Ulicoten, een piepklein dorpje in de gemeente Baarle-Nassau, een buurtfeest. De latere actievoerder Sonja Borsboom is erbij. ‘Een kampvuur, kratten bier en flessen cola’, vertelt ze. ‘Daar stond ik met leden van de buurtvereniging. “Het is ook wat, met die stallen”, zeiden zij. Ik wist van niets. Er kwamen drie stallen van 2,5 hectare tegenover mijn huis.’ Borsboom woont midden in het ‘log Ulicoten’. Hier moeten de varkens heen, om andere dorpen te ontzien.

‘Ik was accountant, ik kende de strikte en heldere financiële regelgeving’, legt Borsboom uit. ‘Nu kreeg ik te maken met ruimtelijke-­ordeningswetgeving. Die is minder helder. Het is een weging van belangen, en niet ieders belang weegt even zwaar. Met omwonenden is geen rekening gehouden. Wij hadden geen flauw idee wat “reconstructieplan” betekende. Toen we doorkregen wat er aan de hand was, zei de gemeente: “Het ligt allemaal al vast.” Als iedereen nou een brief had gekregen: “Dit is de reconstructiewet, die gaat over uw directe omgeving. U kunt hier informatie krijgen, of een zienswijze indienen.” Niets daarvan. Dat was ook veel te lastig geworden, als al die burgers bezwaar zouden gaan maken.’

De bedoeling was om wonen en intensieve veehouderij te scheiden. ‘De vraag is: waar kan de intensieve veehouderij dan terecht? Er zijn nergens in Brabant gebieden waar niemand woont’, schetst Borsboom het probleem. ‘“Wat regelen we dan voor de mensen die in zo’n gebied wonen, waar we de veehouderij heen halen?” Dat had de volgende stap moeten zijn, maar die is doelbewust overgeslagen.’

Zoals Borsboom zijn er veel plattelanders. Ze zijn te laat met hun protest, zo horen ze van de gemeenten, de boeren en de milieubeweging. Die partijen hebben in overleg de nieuwe ­indeling van Brabant op de tekentafel vast­gesteld. De boerenlobby heeft veel ruimte weten te bedingen. In de verwevingsgebieden (waar het licht op oranje zou moeten staan) en de log’s is uitbreiden niet moeilijk.

Herman van Ham begrijpt wel dat burgers de discussie gemist hebben. ‘Mensen worden de hele dag aan hun jas getrokken om overal ­kennis van te nemen’, vertelt hij in zijn ­keuken in Luyksgestel, tegen de Belgische grens. Speelgoedkoeien en koeienschilderijen sieren de ruimte. Van Ham houdt 160 melkkoeien op één hectare – geen megastal. Hij is bestuurslid bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (zlto), en was in de reconstructietijd wet­houder van ­Bergeijk, waar Luyksgestel onder valt.

Maar het is ook de eigen schuld van ­omwonenden, vindt Van Ham: ‘Wij hadden in Bergeijk een communicatiebudget van tachtigduizend gulden voor de reconstructie. Er was een webpagina waar mensen konden reageren en een thema-avond. Er was geen burger geïnteresseerd. Bij het aanwijzen van log’s realiseerde ik me: dit ligt gevoelig. We hebben toen in een aantal wijk- en kerkbladen een advertentie laten plaatsen met een hoge attentiewaarde, zoiets als: “Er komen varkens in uw buurt.” Toen kwamen er twaalf mensen, geloof ik. Pas op het moment van de bouwaanvraag riepen omwonenden: wij zijn er niet bij betrokken. Maar het proces liep al acht jaar, en alles was openbaar.’

Er is in die tijd meer gebeurd, vertelt Nol ­Verdaasdonk van de Brabantse Milieufederatie. ‘De ammoniakregels zijn versoepeld. De wet­geving over stankcirkels is afgezwakt. En de boeren gebruikten verbeterde technieken om uitstoot tegen te gaan alleen maar om meer dieren te kunnen houden.’ In 2008 verdween de compartimentering in de vee­houderij. Succesvolle Brabantse boeren konden daardoor dierrechten kopen van stoppende boeren elders in het land. Het aantal dieren in de Oost-­Brabantse Peel nam daardoor toe van dertig naar veertig ­procent van de Nederlandse varkensstapel. Rijd van het Brabantse Helmond naar het Noord-Limburgse Venray en je passeert het ene ­megabedrijf na het andere. Vaak hebben de stallen verscheidene verdiepingen. ‘In bepaalde gebieden werd de situatie onhoudbaar’, zegt Verdaasdonk. ‘Het werd oorlog tussen boeren en burgers. Het verspreidde zich als een veenbrand.’

De strijd wordt aangevoerd door een relatief nieuwe groep plattelandsbewoners: hoog­opgeleide mensen uit de stad die ‘buiten’ zijn gaan wonen. In de woorden van actievoerder Borsboom: ‘Als je net een mooi huisje hebt gekocht en de hoofdprijs hebt betaald, wil je er ook voor vechten dat het een mooie plek blijft.’ Bovendien ervaren zij niet de sociale druk van de boeren uit het dorp, die de originele ­dorpsbewoners wél voelen. Het is een groep met een grote afstand tot de veehouderij, en met soms een romantisch ideaalbeeld van de sector. De geïndustrialiseerde werkelijkheid schokt hen.

Najaar 2008. Op een bijeenkomst in Tilburg spreekt Birgit Verstappen, fractievoorzitter van de Partij voor de Dieren in Brabant. Naast leden van haar eigen partij zijn er SP’ers en verontruste ‘nieuwe plattelanders’. De pvdd heeft ze eerder al opgezocht via bijeenkomsten in de zones die tot landbouwontwikkelingsgebied zijn gebombardeerd. Zet een burgerinitiatief op, is de suggestie van Verstappen. Als Brabantse fractievoorzitter kan ze daar zelf niet aan beginnen, maar ze kan de boze burgers wel op weg helpen.

Op 13 juli 2009 is het zo ver: Borsboom en haar mede-actievoerders bieden 33.000 handtekeningen aan in het provinciehuis in Den Bosch. Daar heerst die dag ‘een enorme onrust’, herinnert Borsboom zich. Slecht nieuws over de q-koorts is de oorzaak. Inmiddels is duidelijk dat deze geitenziekte in Brabant een nauwelijks beheersbare epidemie onder mensen heeft veroorzaakt. De bacterie verspreidt zich door de lucht. De geitenbedrijven zijn veel te groot geworden, zo klinkt de kritiek. Zeventienhonderd mensen zijn dat jaar al ziek geworden, vooral op het platteland. Uiteindelijk overlijden er zeker 24.

De q-koorts geeft de handtekeningenactie vleugels. Brabanders zijn verontwaardigd over het uitblijven van een krachtig antwoord op de ziekte. Te laat komt er een verbod op het uitrijden van mest. Te laat horen burgers waar de besmette bedrijven zitten. Zonder de q-koorts was het megastallenverbod er nooit gekomen. Daarvan is Borsboom overtuigd.

De Brabantse politici nemen de bezwaren van boze burgers ineens een stuk serieuzer. d66, GroenLinks en SP staan al snel aan hun kant. De coalitiepartijen beginnen te schuiven: eerst de pvda en tenslotte de vvd. ‘Het burger­initiatief was nodig om de coalitie open te breken’, denkt Borsboom. ‘Vooral de vvd had iets nodig om afstand te nemen van het cda.’

Ten slotte laat ook het cda zich overtuigen. ‘Er heeft een omslag plaatsgevonden’, erkent Statenlid Roland van Vugt. ‘Binnen onze partij is de discussie stevig gevoerd. Maar gezins­bedrijven zijn altijd ons uitgangspunt geweest. Die kunnen goed hun brood verdienen op maximaal 1,5 hectare.’

En zo komen de Staten tot hun besluit van 19 maart 2010. Nieuwe stallen of uitbreidingen met een groter bouwblok dan 1,5 hectare worden onmogelijk in de hele provincie. En nieuwe stallen op maagdelijke grond – of ze nu groot of klein zijn – ook. In de praktijk kan er nog maar weinig.

Bedrijven verhuizen naar de landbouw­ontwikkelingsgebieden – het idee van de reconstructie – zit er niet meer in. Vaak zijn dat verplaatsingen naar grond waar nu geen veebedrijf zit. cda-gedeputeerde Ruud van Heugten vindt dat dat mogelijk moet blijven. Voor bedrijven die nu op de verkeerde locatie zitten, ‘moet er wat te schuiven zijn’, vindt hij. vvd-fractievoorzitter Mieke Geeraedts is het daar niet mee eens. Ook zones met het stempel ‘log’ zijn vaak prachtige gebieden, vindt ze. ‘Waarom zou je die nog verpesten door er bedrijven heen te verplaatsen?’ Een Statenmeerderheid draagt zo de reconstructie ten grave.

Op 1 oktober 2010 botsen Provinciale Staten opnieuw met Van Heugten. De gedeputeerde zou in kaart brengen hoeveel boeren al bezig waren met een verhuizing op het moment dat de regels veranderden. De overheid mag niet onbetrouwbaar zijn, vindt hij. ‘Lopende zaken’ moeten door kunnen gaan.

Maar zelfs dat vertrouwen de Staten hem niet meer toe ‘Wat is een lopende zaak?’ vraagt de pvda zich af. Is een belofte van een wethouder bij een glaasje jenever in het plaatselijke café voldoende, als die van voor maart 2010 stamt? De Staten zijn bang voor een vloedgolf aan last-minute verhuizingen en uitbreidingen. vvd, pvda en SP trekken weer samen op. Er moet schriftelijk bewijs zijn dat een gemeente een boer voor maart 2010 medewerking heeft beloofd, zo is het besluit. Veel boeren hebben dat niet. Van Heugten is woest. Hij spreekt over ‘doe-het-zelf-gepruts’ van de Staten, en ‘de spelregels veranderen tijdens het spel’.

Van Heugten verzette zich terecht tegen het opgeven van de reconstructie, vindt boerenvoorman Van Ham. ‘Het gevaar is dat bedrijven stil gaan zitten, en dat alle locaties, hoe slecht ook, in bedrijf worden gehouden. Wat doe ik als boer als er geen nieuwe ontwikkelruimte is? Dan ga ik kijken of er in de buurt nog bestaande bedrijfslocaties zijn. Als ik hier om me heen kijk, zijn er al drie locaties die ik zou kunnen gebruiken. Die stallen hebben vaak geen luchtwassers. Bevolk ze voor zeventig procent en je voldoet aan de nieuwe regelgeving.’ Maar het klimaat in de oude stallen is niet om over naar huis te schrijven. Stilstand voorkomt het ontstaan van nieuwe megastallen, maar de veehouderij wordt er niet duurzamer, diervriendelijker en gezonder op. Sta liever wel ontwikkelingen toe, maar zorg ervoor dat dat duurzame ontwikkelingen zijn, adviseert Van Ham.

Bovendien zit een aantal bedrijven nu vast op een onhandige plek. Wim Maas bijvoorbeeld, in de Broekerstraat in Leende. Midden tussen de woonhuizen heeft de varkensboer zijn bedrijf, op loopafstand van de kerk, tegenover een sigarettenzaak. Tweehonderd zeugen en duizend biggen heeft hij. Het stinkt flink in het wijkje. De buren nemen het Maas niet kwalijk. ‘Zó’n buurman!’ zegt een buurvrouw, met de duim omhoog.

Het bedrijf van de vader van Maas zat hier al eerder dan deze woonwijk. Bovendien doet Maas er alles aan om hier weg te komen. Hij kocht grond in een landbouwontwikkelings­gebied, om daarheen te verhuizen. Precies zoals de provincie wilde – tot maart 2010. ‘Je moet eens kijken in welke straal mensen hier overlast van ons ondervinden’, zegt Maas. ‘Het slaat echt nergens op dat we worden tegengehouden.’

Zijn vader bouwde ooit al een verdieping in de stal. De helft van de dieren staat boven. Maas is er eerlijk over: het afgeleefde gebouw heeft nu zijn beste tijd gehad. Hij heeft er al jaren nauwelijks in geïnvesteerd, met het oog op de verhuizing. In een log, buiten de kern, ligt de nieuwe grond van Maas. Hij heeft er maar even maïs op gezet. ‘Maar daarvan kan ik de lening op de grond niet betalen. Ik loop er verlies op.’

Ook de gemeente Leende baalt ervan. Het nieuwe plan voor het centrum, met een basisschool onder de rook van de boerderij van Maas, dreigt in het water te vallen. En zo zijn er meer: in Sint Antonis (bij Boxmeer) hinderen drie boerenbedrijven de ontwikkeling van een nieuwbouwwijk, een bedrijventerrein en een natuurgebied. In dertig gevallen hebben boeren en gemeenten een zaak tegen de provincie aangespannen bij de hoogste bestuursrechter, de Raad van State. Nog niet alle zaken zijn behandeld, maar tot dusver heeft de provincie steeds gewonnen.

Toch gloort er hoop voor deze boeren. Drie jaar na de invoering van het megastallenverbod vindt het nieuwe provinciebestuur van vvd, cda en SP het tijd voor een heroverweging. vvd-gedeputeerde Yves de Boer, die Van Heugten opvolgde, wil een oplossing vinden voor boeren zoals Maas. Het oude megastallendebat was te eng, erkent hij. De ruimtemaat van 1,5 hectare is voor hem niet langer heilig. De discussie zou ook moeten gaan over volksgezondheid, dierenwelzijn en duurzaamheid.

Ook veel andere hoofdrolspelers uit het megastallendebat vinden andere zaken belangrijker dan die 1,5 hectare. ‘Tien van de elf punten die wij aandroegen, gingen over duurzaamheid en een beter leven voor de dieren’, zegt Sonja Borsboom van het burgerinitiatief. Borsboom ging na afloop van het debat zeer ontevreden naar huis, omdat al die punten niet werden overgenomen. Liever dan die grens van 1,5 hectare had ze ferme milieumaatregelen gezien, bijvoorbeeld tegen ammoniakuitstoot. ‘Ook de handhaving van Europese stikstofregels rammelt aan alle kanten.’

‘De megastallen zijn een metafoor geworden voor alles wat niet deugt aan de veehouderij, en de Staten hebben geprobeerd daarop een antwoord te vinden’, concludeert zlto’er Van Ham. ‘Maar het antwoord dat de Staten gevonden hebben, is niet wat de samenleving wenst.’

Noord-Brabant is nog steeds herstellende van de botsing tussen boeren en burgers, veroorzaakt doordat de politiek niet in de gaten had wat er gaande was op het Brabantse platteland. Het megastallenverbod zorgde ervoor dat de situatie drie jaar op slot zat. Ontwikkelingen, duurzaam of niet, waren vrijwel onmogelijk. Vooral boeren die vast zitten op een beroerde plek, en hun buren, hebben de nadelen ondervonden. De provincie is zevenhonderdduizend euro kwijt aan schikkingen met gemeenten. Zij maakten kosten voor landbouwontwikkelingsgebieden, die nu onbruikbaar zijn.

Toch heeft het megastallenverbod iets in gang gezet. Te lang ging het boerenbelang voor in de Brabantse politiek. Ook dat remde de verduurzaming. Delen van Brabant raakten overbelast met grote aantallen varkens. Het megastallenverbod was nodig om de situatie niet verder uit de hand te laten lopen.

Sinds 2010 zijn boeren ervan doordrongen dat zij de burger te vriend moeten houden. Boerenvoorman Van Ham: ‘De pelsdierhouderij is al uit Nederland verbannen. Je kunt je voorstellen dat zo’n ontwikkeling ook bij de melkveehouderij optreedt. En dat men zegt: moeten we die vleeskuikens nog wel willen? Moeten we nog varkens willen in dit land? Dat zou zomaar kunnen.’ Nu is dat moment er nog niet, maar boeren willen koste wat het kost voorkomen dat het zo ver komt.

‘Ik word er niet gelukkig van om ieder jaar meer koeien te houden’, vervolgt Van Ham. ‘Ik kies liever voor duurzamere producten waar de consument meer voor wil betalen, bijvoorbeeld door het gebruik van soja uit de rest van de wereld te vermijden en Europese veldbonen te gebruiken. Dat kan voor een vleesprijs die twee cent hoger ligt. Om dat soort prijsverschillen gaat het! Zorgvuldige veehouderij kan ook betekenen dat ik – in plaats van dat ik van 120 naar 180 dieren groei – een laag zonnepanelen op mijn dak leg. Daarvan is het rendement iets lager, maar ik spreid mijn risico’s.’

Steeds meer dieren houden is niet de toekomst van de veehouderij in Nederland, vindt nu ook zlto. In 2011 spraken supermarkten en boeren af dat er in 2020 alleen nog duurzaam vlees in de schappen mag liggen: het ‘Verbond van Den Bosch’. Het is een begin, al gaat het velen niet ver genoeg.

Sinds het debat van vorige maand ligt er bovendien een doordacht plan van het provinciebestuur over de toekomst van de veehouderij. De provincie gaat de komende maanden een ‘duurzame maatlat’ maken. Elke uitbreiding, ook een onder de megastallengrens, wil Brabant straks langs de maatlat leggen. Ontwikkelruimte moet je verdienen, is het devies. Alleen boeren die meer doen dan de wet voorschrijft op het gebied van duurzaamheid, dierenwelzijn en volksgezondheid komen in aanmerking.

Voorlopig blijft ook het megastallenverbod van kracht. Maar uitzonderingen zijn voortaan mogelijk. Het is een moeizaam bevochten compromis tussen boeren, burgers, milieubeweging en politiek, waarvoor de partijen zich begin dit jaar enkele dagen opsloten in een conferentiecentrum in Sint Michielsgestel. Zowel zlto als ‘Megastallen-nee’ nam deel. Er klinkt ook kritiek: de maatregelen gaan Sonja Borsboom bijvoorbeeld lang niet ver genoeg. Maar de activiste uit Ulicoten heeft zelf de wapens neergelegd, ‘uit lijfsbehoud’. ‘Het kost zoveel energie.’

‘Zonder enige druk gebeurt er niets’, erkent zlto’er Van Ham. ‘Boeren worden eerst boos: waar bemoeit die burger zich mee. Maar daarna zijn ze gaan denken: wat kunnen we doen om wel maatschappelijk geaccepteerd te zijn?’ vertelt hij. ‘En burgers zijn zich gaan realiseren dat je niet zomaar de stekker uit de veehouderij kunt trekken. Volgens mij is de belangrijkste les dat je er samen uit moet komen.’ Het gesprek komt weer op gang, en deze keer gaat het over meer dan het getal van 1,5 hectare. Een duurzame maatlat kan ‘de uitvinding van het wiel’ zijn, zoals een trots SP-Statenlid het uitdrukte. Maar alleen als de provincie die lat hoog genoeg legt. En anders liggen de spandoeken nog klaar op de vele zolders in het Brabantse buiten­gebied binnen reukafstand van een varkensstal.