KUNST: Rimaldas Vikšraitis

Boer toont penis

Een van de merkwaardige aspecten van het begrip ‘socialistisch realisme’, zoals uitgedragen in een tentoonstelling in Assen, De Sovjet Mythe (zie vorige week), is dat de stijl van schilderen misschien ‘realistisch’ genoemd kan worden (omdat een tractor een tractor is en een boerin gewoon één neus heeft en niet drie), maar de scènes zelf allesbehalve; de rijkbeladen feesttafels waar de dorpelingen zich aan zetten bestonden helemaal niet. Dit soort realisme toont niet de realiteit, daar was in de sovjetjaren maar weinig belangstelling voor.

Echt realisme, de wereld laten zien zoals hij echt was, in de sovjettijd, was dus bijna per definitie subversief. Als schilder kon je er misschien nog omheen werken, een tandeloze mond veranderen in een gaaf gebit, maar als fotograaf kon dat niet. Het werk van een drietal Litouwse fotografen, dat ik toevallig een beetje ken, laat zien hoe zij met die uitdaging omgingen. Eerder dit jaar was in Londen in The White Space een overzicht te zien van het werk van Algirdas Šeškus (1945), Lyrics of Love. Šeškus gebruikte een ‘amateuristische’ strategie. Hij maakte foto’s van alledaagse scènes, vrouwen op de markt, saaie onderwerpen, gemaakt inderhaast, soms onscherp, toevallig gecomponeerd – het soort foto’s dus dat de censor niet eens als serieus werk zal zijn opgevallen. Zijn tijdgenoot Antanas Sutkus (1939) was meer van de school van Eva Besnyö en Cas Oorthuys, met een wat meer gestileerde aanpak, en vaak vasthoudend aan traditionele motieven – pioniertjes, boerderijen, portretten – doch met een vilein gevoel voor de psychische onrust in de mensen die hij vastlegde. Ook dat zullen de autoriteiten misschien niet hebben opgemerkt.

De derde fotograaf, Rimaldas Vikšraitis (1954), wordt nu getoond in Heden, Den Haag. Hij komt met een gloeiende aanbeveling van Martin Parr, met wie hij in 2010 het boek Grimaces of the Weary Village publiceerde. Het zijn grappige en onthutsende foto’s, met een hoog Borát-_gehalte, van een dorps- en boerderijleven waarin geen enkel decorum bestaat. De iconografie wordt gedomineerd door de wodkafles. Iedereen is straatarm, iedereen lijkt bezopen; iedereen toont onbeschaamd zijn geslachtelijke inventaris. Het is niet per se documentair; Vikšraitis creëert scènes – twee blote mensen duwen een auto aan, in de sneeuw, een vrouw checkt haar e-mail terwijl ze wordt bepoteld – wat de foto’s, in Parrs woorden, _‘slightly insane and wonderfully surreal’ maakt. Het lijkt mij dat dit ‘surrealisme’ veel dichter bij de werkelijkheid staat dan dat oude ‘realisme’, dat zo’n zonnig beeld van de burgerij gaf. Wie wel eens op het platteland van Oekraïne of Bulgarije is verdwaald (of in Nederland een concert van Normaal heeft bijgewoond) weet dat die armoedige werkelijkheid bizar is, lachwekkend en weerzinwekkend en tragisch tegelijk. De losse hulpstukken die Vikšraitis introduceert (man houdt hertengewei voor zijn kop, vrouw behangen met keukengerei, een trekzaag zweeft door de lucht) maken die realiteit alleen maar echter.

Rimaldas Vikšraitis. Heden, Den Haag, t/m 12 januari 2013. heden.nl