Het begint al in de eerste levensweken. In de periode na de geboorte van een kind vult de boekenplank zich met baby- en peuterliteratuur, vaak meegebracht als kraamcadeau. In ons geval − en ik vermoed in de meeste gevallen − zat er een flink aantal boekjes tussen waarin boer en boerderij een hoofdrol spelen. Zo is daar de serie over Boer Boris, een vrolijk mannetje met melkboerenhondenhaar en een blauwe overall dat allerlei avonturen beleeft in een landschap van grasakkers, slootjes en tulpenvelden. Nijntje brengt uiteraard een bezoek aan de boerderij, op klompjes, en aait daar zachte schaapjes. Voorlopige favoriet bij ons thuis is een boekje waarin de big five van het boerderijleven de revue passeert: de koe, het varken, het schaap, de eend en de kip. Stuk voor stuk worden die dieren afgebeeld in ruime grazige velden, een glimmende waterplas of een fijne modderpoel. Elke pagina bevat een knopje. Druk erop en je hoort vrolijke dierengeluiden.

Het is de kinderliteratuur uiteraard vergeven dat de heel wat complexere realiteit van het boerenleven in de 21ste eeuw buiten beschouwing blijft. Kinderlijke onschuld moet je niet bederven met megastallen, varkenspest en mestoverschot. Wel komt er zo een extra verantwoordelijkheid voor de opvoeder bij. Wanneer leg je uit dat de échte boer Boris worstelt met stikstofquota en dat zijn boerderij afhankelijk is van de jaarlijkse vijf miljard aan Europese landbouwsubsidies die naar Nederland vloeien? Moet je op enig moment duidelijk maken dat voor elk diertje in de wei dat Nijntje aait er miljoenen dieren in een stal zitten waar nooit daglicht komt? En wanneer kun je aansnijden dat er ook veehouders zijn die asbest en mest op de snelweg gooien, honderd jaar oude bomen omzagen en politici bedreigen?

De grote vraag, kortom, is hoe de plattelandsidylle die we van kinds af aan krijgen voorgeschoteld te verenigen valt met de realiteit. Nu horen fantasieverhalen bij een kinderleven. Maar de boer en de boerderij bestempelen als sprookje is schoppen tegen het zere been van de boerenstand. Achter de golf van boerenprotesten die Nederland de afgelopen tijd onderging gaat juist een roep schuil om voor echt te worden aangezien. Dat is althans de conclusie van bemiddelaar des vaderlands Johan Remkes in Wat wel kan, zijn poging het stikstofdossier uit de impasse te trekken. ‘Er moet echte erkenning zijn van de emoties en woede’, schrijft Remkes. Dat is een claim die geen enkele figuur uit kinderboekjes aan het land zou opleggen.

Of Remkes dit besefte tijdens het schrijven van de bewuste passage is de vraag, maar hij voegt zich in een rijke filosofische traditie. De zucht naar erkenning, zo meende de Duitse negentiende-eeuwse filosoof Hegel, is de fundamenteelste menselijke drijfveer. Vergeet de hang naar geld, seks en macht. Gekend worden door anderen in het bestaan zoals jij dat hebt verkozen, dat is waar alles om draait. Bij sommigen ligt de roep om ‘Anerkennung’, zoals Hegel het noemde, er dik bovenop − denk aan Donald Trump voor wie het Amerikaanse presidentschap het ultieme podium was. Voor anderen wordt deze menselijke trek juist pas zichtbaar als het aan erkenning schort. Geweld en ander laakbaar gedrag kunnen zo een manier worden om gezien te worden omdat je denkt dat er over je heen wordt gekeken. Dat laatste vormt dan ook het uitgangspunt van het rapport-Remkes. Inwoners van het landelijk gebied, aldus Remkes, hebben het idee ‘dat er vooral over en niet met hen [wordt] gesproken’.

Wie het rapport-Remkes leest, krijgt de indruk dat het plattelandsleven waar zoveel om te doen is voor een groot deel tussen de oren zit. ‘Gevoel’ is het sleutelwoord. ‘Sommigen voelen dat het landelijk gebied moet opdraaien voor problemen die vooral in de Randstad gevoeld worden’, schrijft Remkes. Bij de agrarische sector ‘is het gevoel ontstaan dat zij als enige sector pijn moeten lijden’. Remkes’ doel, schrijft hij, is ‘het achterliggende sentiment’ achterhalen.

Ooit waren gevoelens soft, iets voor de spreekkamer van de psycholoog of het theekransje, een hele andere wereld dan vroeg op, hard werken en niet klagen. Inmiddels is gevoel de grote aanjager van een van Nederlands meest intense debatten geworden. Waar zijn partijgenoot premier Rutte ooit zei weinig interesse te hebben in sociologische analyses van maatschappelijke problemen, lijkt Remkes de samenleving − en de boeren in het bijzonder − door een psychologische lens te bezien.

Ook hier staat Remkes in een traditie. ‘Ik heb me bij het onderzoek van het vele materiaal en bij het ordenen en schrijven vooral laten inspireren door mijn gevoel. En dat gevoel zegt me dat de betrokkenen bij het drama jarenlang miskend zijn in hun gevoelens.’ Dit schreef publicist Bertus ten Caat in een terugblik op de boerenprotesten die plaatsvonden in het Drentse Hollandscheveld in 1963. Deze kwamen voort uit de weigering van een aantal zogeheten ‘vrije boeren’ om een verplichte heffing te betalen aan het Landbouwschap, de koepelorganisatie van landbouw- en werknemersorganisaties. De protesten − en de felle reactie van de autoriteiten daarop − leidden tot het oprichten van de Boerenpartij die van 1963 tot 1981 in de Tweede Kamer zetelde. Ten Caat beschrijft hoe een gevoel van ‘onbehagen en frustratie’ tot ontploffing kwam nadat het ‘generatie na generatie’ was opgebouwd. Opstand der braven was de titel die Ten Cate gaf aan zijn boek, gebruikmakend van de eeuwige notie van de boerengemeenschap die een laatste baken van verzet vormt tegen grote krachten.

Het aanzetten van de tegenstelling tussen een ontzielend stadsleven en een authentiek en warm platteland is al lang een cultureel en politiek afzetpunt. ‘Hoe genoeglijk rolt het leven/ des gerusten landsman heen’, schreef in de achttiende eeuw de dichter − en boer − Huibert Poot in zijn gedicht Akkerleven. Een rode draad door de eeuwen heen verbindt dit soort vroege romantiek met de hedendaagse plattelandsverheerlijking die een belangrijk deel van de publieke zenderprogrammering vormt: Nieuwe boeren, een reality-programma waarin deelnemers − veelal afkomstig uit de stad − het moeten zien te rooien op een boerderij ‘waar de tijd heeft stilgestaan’. Boer zoekt vrouw heeft er inmiddels elf seizoenen op zitten, plus een spin-off. In Onze boerderij begint presentator en publiekslieveling Yvon Jaspers zelf een kleinschalige boerderij, waarmee ze de zware taak het land te bewerken namens de kijker op haar schouders neemt. Het is passende televisie voor een land waar Het dorp van Wim Sonneveld, met de tekst ‘langs het tuinpad van mijn vader’, een ode aan een verdwenen dorpse gemeenschap, een van de meest gekozen begrafenisnummers is.

De boerenreality-tv biedt, net zoals de boerenkinderliteratuur, een selectieve uitsnede van de werkelijkheid. ‘Het werk op de boerderij wordt neergezet als uitgevoerd door een gepassioneerde boer(in), op eigen kracht of met behulp van familieleden’, schrijft hoogleraar cultural analysis Esther Peeren in Het Nederlandse platteland als eeuwige idylle, een artikel dat verscheen in De lage landen, een tijdschrift over cultuur in Nederland en Vlaanderen. Wat buiten beeld blijft zijn de seizoensarbeiders en tijdelijke hulpkrachten.

Ook het economische plaatje is slechts voor de helft compleet. ‘De financiële kant van het boerenbedrijf wordt benadrukt als ziekte-uitbraken of milieumaatregelen die leiden tot verlies, terwijl de omvang van winsten en overheidssubsidies onvermeld blijft’, aldus Peeren. ‘Uiteindelijk leunt het boerenvertoog op televisie op hetzelfde idyllische verhaal dat ook de BoerBurgerBeweging en de boerenprotesten vertellen: over de door regelgeving bedreigde authentieke boer die nauwelijks het hoofd boven water kan houden.’

Om uit te leggen hoe de rurale authenticiteitsmythe precies functioneert schakelt Peeren de Russische literatuurwetenschapper Michail Bachtin in. In de jaren tachtig beschreef Bachtin hoe er in kunst en literatuur op het platteland een manier van leven geprojecteerd wordt die ‘tijdloos en onaangeraakt door verandering’ zou zijn. ‘De buitenwereld kan in de idylle alleen een rol spelen als bedreiging die afgewend dient te worden’, zo legt Peeren uit. Dit verklaart waarom de Hollandse pastorale een belangrijke rol speelt in de retoriek van onze rechts-populistische partijen. Deze stroming teert evengoed op de angst voor bedreigingen van buiten en probeert de samenleving op te delen in groepen waarbij de een meer aanspraak op echt Nederlanderschap heeft dan de ander.

Het idee dat sommige stukken Nederland op een of andere manier ‘echter’ zijn dan andere is altijd geforceerd geweest. In 1935 schreef Menno ter Braak een artikel in Het Vaderland, een letter- en staatkundig nieuwsblad dat verscheen van 1869 tot 1982. Boeren aan bod was de titel van het stuk waarin Ter Braak als literair redacteur drie destijds nieuwe romans recenseerde die op het platteland speelden. Ook de vooroorlogse literatuur kwam niet verder dan stereotypen, concludeerde Ter Braak. Hij besprak onder andere Kerels in Grandel van de schrijver Walter Brandligt, een verhaal over broers uit een dorp in het oosten des lands waar de een vertrekt naar Amsterdam en progressieve idealen omarmt. De ander blijft in Grandel en wordt leider van het lokale verzet van boeren die hun grond niet willen verkopen aan een onderneming die er een fabriek wil stichten.

Het boerenvertoog op tv leunt op hetzelfde idyllische verhaal dat de BBB vertelt

De tegenstelling in het boek tussen ‘de maatschappelijke’ en ‘vrijgeboren’ mens deed Ter Braak hopeloos geforceerd aan. Hij nam de boerenliteratuur onder de loep in een tijd waarin de schijntegenstelling tussen een authentiek platteland en een ontzielde stad verknoopt raakte met kwaadaardige ideologie. Dat besef lijkt inmiddels te ontbreken, getuige het feit dat de nsb-slogan ‘Boerenland in Boerenhand’ prijkt op een poster van Red de boer, een organisatie die spreekt van ‘verraad’ van de boeren.

‘Voor den stedeling (en de meeste schrijvers, zijn, hoe boers zij zich ook mogen voordoen, toch stedelingen wat hun cultuur betreft) blijft de boer altijd nog een moeilijk te benaderen wezen’, concludeerde Ten Braak. ‘Vandaar de neiging zowel om hem te idealiseren als om hem via de naturalistische methode tot een soort primitief restant van oerhartstochten te maken; beide neigingen komen hierin overeen, dat zij de eigenlijke boerse cultuurnormen links laten liggen; de schrijver bedient zich van den boer, om tegenover de stadsbeschaving “het andere” te stellen, zonder er zich voldoende rekenschap van te geven, dat het verschil in de eerste plaats door de nuchtere maatschappelijke verschillen wordt bepaald.’ In zijn rapport trekt Remkes ruim tachtig jaar later dezelfde conclusie. De hoofdboodschap van zijn rapport is dat er sprake is van ‘een groeiende kloof tussen Randstad en landelijk gebied én tussen stad en platteland’.

De geografie waar Remkes naar verwijst is dus vooral een mentale. Zeker in het huidige Nederland bestaat er geen plek waar je niet met een uur rijden in stedelijk gebied bent. De verslaggever die overdag een reportage maakt op het land kan in de regel thuis zijn voor het avondeten, ook als hij dicht bij de redactie woont die zijn stukken in de krant zet. ‘Er bestaat in ons land een tegenstelling tussen stad en platteland, maar het ontbreken van een millioenenstad is toch zeker van invloed op het verzachten van die tegenstelling’, schreef Ter Braak in zijn artikel. Dit alles lijkt nauwelijks baat te hebben. Het idee dat twee stukken Nederland lijnrecht tegenover elkaar staan is de laatste tijd alleen maar sterker geworden.

In een reportage over glastuinbouw in het Westland, gepubliceerd in de Volkskrant afgelopen oktober, wordt goed duidelijk gemaakt hoezeer het idee van twee soorten Nederland eerder iets mentaals dan iets geografisch is. In het stuk komt een kweker aan het woord die zegt dat ‘de idealen van nu’ te veel worden bepaald door ‘de Randstad’. Gevraagd naar hoe deze stelling zich verhoudt tot het feit dat het Westland ligt ingeklemd tussen Rotterdam en Den Haag, luidt het antwoord: ‘Wij zitten ook in de Randstad, maar toch daarbuiten.’ Tot de Randstad behoren wordt zo een gemoedstoestand, vooral toe te schrijven aan een ander die je niet zint. Omgekeerd zou een binnenstadbewoner die zich als ‘boer’ identificeert waarschijnlijk worden weggehoond.

De door de Volkskrant geïnterviewde kweker klaagt dat ‘alles wat we doen fout is in de ogen van links Nederland’. Hier zien we een volgende aanname die de tegenstelling tussen stad en platteland verscherpt. Hoewel Nederland al bijna anderhalf decennium wordt geregeerd door coalities met de vvd als grootste partij, en hoewel de decennia daarvoor het cda het voornaamste machtsblok in Nederland was, koesteren grote delen van de bevolking de illusie dat ‘links’ de lakens uitdeelt.

Waar het verschil in normen tussen Randstad en platteland precies uit bestaat − anders dan de opvatting dat het goed zou zijn om, conform rechtbankvonnissen, ervoor te zorgen dat de stikstofuitstoot omlaag gaat − wordt zo zelden echt duidelijk. Iemand die spreekt over ‘de kloof’ wordt vaak als voldoende bewijs gezien dat die kloof ook bestaat. En dat terwijl ‘het platteland’ misschien meer overeenkomsten dan verschillen vertoont met de ‘de stad’. Zo is het landelijk gebied van Nederland sterk gemondialiseerd. Driekwart van de opbrengst van de Nederlandse landbouw en veeteelt is bestemd voor de export. Je treft grote groepen buitenlandse werkkrachten aan in akkers en stallen. Ook heeft het platteland een financiële bovenlaag. cbs-onderzoeker Peter Hein van Mulligen rekende uit dat achttien procent van de boeren miljonair is.

‘Er ligt 10 Mbit-glasvezelkabel. Doorgaand verkeer komt van de busjes van PostNL, FedEx, dhl en de elektrische van Deutsche Bahn: de ’s avonds bij de Bijenkorf bestelde trui, ligt per definitie de volgende ochtend op de stoep. Bij de onlangs vernieuwde Spar kan je kurkuma kopen en diepgevroren weekmaaltijden bestellen. De bezorgbusjes van HelloFresh en Jumbo houden de concurrentie scherp.’ Dit is de beschrijving van een Fries dorp door inwoner René Strijland, die afgelopen zomer een opiniestuk in de NRC publiceerde. Hou op met doen alsof het platteland een onderontwikkeld, naar binnen gekeerd stuk Nederland is, was de strekking. ‘De tegenstelling Randstad-platteland is, kortom, flauwekul’, schreef Strijland. ‘En de Randstad begrijpt dat niet.’

Toch wordt boerenfictie maar wat graag in stand gehouden. Het campagnespotje van de BoerBurgerBeweging voor de Tweede-Kamerverkiezingen van vorig jaar was een aaneenschakeling van plattelandsplatitudes. Op ‘het unieke platteland van Nederland’ zijn ‘gezelligheid en schone lucht’ te vinden, zo vertelt de voice-over bij beelden van akkerland, fraaie zonsopkomsten en lachende mensen. Op het platteland vindt men ‘tradities, folklore en noaberschap’. Het zijn niet enkel kinderen maar ook kiezers die worden getrakteerd op pastorale voorstellingen.

Zij het dat deze idylle, zo legt bbb-roerganger Caroline van der Plas uit, wordt bedreigd. Een ‘grondhonger’ leidt ertoe dat het platteland in de ‘uitverkoop’ wordt gedaan. Wat er dan gebeurt is in het filmpje te zien: windmolenparken, velden met zonnepanelen ‘in handen van buitenlandse investeerders’. De keuze, volgens de bbb, is tussen ‘groen’ en ‘grijs’. Overwint dat laatste, dan ‘wonen we straks allemaal in blokkendozen anoniem naast elkaar’.

De suggestie is hier dat in Nederland omzien naar elkaar is voorbehouden aan gemeenten onder een bepaald inwoneraantal. In steden worden hele woonblokken onderhouden door verenigingen van eigenaren − een stadse meent die lasten gezamenlijk draagt. Er worden buurtfeesten georganiseerd tussen de flatgebouwen. En ook binnen de stadsring zijn er mensen die hun schroevendraaierset aan elkaar uitlenen en boodschappen doen voor elkaar. Dit alles wordt terzijde geschoven. Het is de BoerBurgerBeweging immers te doen om de suggestie dat er twee menstypen zijn, waarbij de een de ander in zijn bestaan bedreigt. De partij doet daarbij een eugenetische duit in het zakje. Elkaar helpen, dat zit op dat bedreigde platteland ‘in de genen’, aldus het campagnefilmpje. Het beschermen van dat platteland wordt zo door bbb gelijkgesteld aan de bescherming van een uitzonderlijk coöperatieve genenpoel.

Op diezelfde manier wordt de term ‘hardwerkend’ misbruikt. Het is een populaire term als het gaat om het beschrijven van de gemeenschappen die zich in hun bestaan bedreigd voelen. ‘Kap eens met het bedreigen van hardwerkende boerengezinnen’, staat er in de decembernieuwsbrief van Farmers Defence Force, de organisatie waarvan de naam alleen al mondialisering in plaats van provincialisme bewijst. De bloementelers uit het Westland zeggen tegen de Volkskrant dat ‘aanpakken onderdeel is van de cultuur hier’. De vraag is in hoeverre dit een daadwerkelijk onderscheidende eigenschap is. Overal in Nederland wonen mensen die veel uren maken, vaak tegen een te lage vergoeding. De stille suggestie − dat er blijkbaar ergens in Nederland plekken zijn waar het in ‘de cultuur’ zit om duimen te draaien − is nooit aanleiding voor reportages en rapportage.

Authentiek, noest en gemeenschapsgezind, de eigenschappen die steeds weer selectief aan de landelijke gebieden binnen verstedelijkt Nederland worden toegeschreven vormen zo de basis voor de steeds hardnekkiger overtuiging dat Nederland is verdeeld langs geografische scheidslijnen. En juist dat drijft mensen uit elkaar. In tegenstelling tot de vrolijke boerderij in de kinderboekjes is deze fictie niet onschuldig. Vooral omdat het grote delen van Nederland tekortdoet. De suggestie dat een geworteld, verbonden leven een typerend kenmerk is van landelijk gebied miskent dat iemand zich net zo goed kan hechten aan de Coolsingel, de grachtengordel of het Plein en diep verbonden kan zijn met zijn medemensen daar.

Praat lang genoeg over hoe de vermeende ‘ergensmens’ die de tegenstrever is van de ‘nergensmens’ en het gevoel van te weinig erkenning kan ook die laatste categorie tot wanhoopsdaden drijven.