Boeren met een kalasjnikov

‘WE LIETEN de auto achter bij een Albanese familie en gingen te voet verder’, vertelt Bostjan Slatensek. ‘Toen we een riviertje overstaken in de buurt van Jablanica, werden we onmiddellijk onderschept door een UÇK-patrouille. Kennelijk begon daar het “vrije gebied”.

De guerrilla’s brachten ons naar een huis in de heuvels. Daar zouden we wat kunnen rusten, werd ons verteld. We moesten wachten op de commandant. Na een poosje kwamen twee mannen opdagen die zich gedroegen als commandanten. Ze hadden geen onderscheidingstekens. Ze vertelden ons dat het niet de bedoeling was dat we zouden doorreizen naar Decani. We moesten de nacht doorbrengen in het huis.
Die avond was de sfeer prima. We kregen een uitstekend diner voorgezet. We hadden echt het gevoel dat we te gast waren. We hebben veel gekletst. Niet over UÇK, dat onderwerp was taboe. Wel over voetbal, de toestand in de hoofdstad en vrouwen. “Morgen kunnen jullie verder”, zeiden ze.
Maar de volgende ochtend ging het helemaal mis. Ik verliet het huis om te plassen. Toen ik terugkwam, begon een van de commandanten tegen me te schreeuwen en me door de kamer heen te smijten. Hij was woest. Hoe ik het in mijn hoofd haalde het huis te verlaten? Ik raakte in paniek, want die lui waren zwaar bewapend. Vanaf die tijd werden we behandeld als gevangenen. Er bleef continu een gewapende strijder bij ons om ervoor te zorgen dat we niet zouden vluchten.’
Het huis waarin Doornbos en Slatensek werden vastgehouden fungeerde als barak. Er stond een zwaar machinegeweer opgesteld om een eventuele aanval van de Serviërs te kunnen afslaan. Het huis zat propvol wapens en munitie. In totaal sliepen er vijftien strijders. Overdag trokken de meesten eropuit om patrouilles te lopen en aanvallen uit te voeren. Soms hoorden Slatensek en Doornbos de terugkerende guerrilla’s huilen als wolven. Blijkbaar was dat een herkenningsteken.
SLATENSEK: ‘Het waren absoluut geen lekkere jongens. Totaal ongedisciplineerd. Dat maakte het zo gevaarlijk. We konden niet voorspellen hoe ze zich zouden gaan gedragen. Ze probeerden ons te bewijzen dat ze goede soldaten waren, maar het was duidelijk dat ze nog nooit in een leger hadden gediend. Het waren volgens mij domweg bewapende dorpelingen. Trots op hun kalasjnikov, maar niet gewend te vechten. ’s Avonds begonnen ze te drinken en werd het echt gevaarlijk. Dan richtten ze hun wapens op elkaar zonder goed te weten waar ze mee bezig waren. De commandanten behandelden de jongste strijders vreselijk. Ze kregen pistolen op hun hoofd en werden geslagen met een gummistok.
De tweede dag, rond zeven uur ’s avonds kwam een hogere commandant. Misschien mochten we weg, maar hij kon ons niets beloven. Ook hij zag er niet al te getraind uit. Hij had een flinke zwarte baard. Doornbos zei hem dat hij op Che Guevara leek. Maar van Guevara had hij nog nooit gehoord. Die nacht trok bijna de hele groep weg. Twee man bleven achter om ons te bewaken. Ze waren zenuwachtig, verwachtten een Servische aanval. Dat was niet zo'n prettig idee.
Maar we kwamen de nacht door zonder problemen. De eenheid keerde weer terug en het hele liedje begon van voren af aan. Ik was het zo langzamerhand wel zat en dacht erover te ontsnappen. Dat leek me niet zo moeilijk. Maar Doornbos zag het niet zitten. Hij was ervan overtuigd dat ze ons zouden neermaaien. Ze hielden ons waarschijnlijk zo lang vast omdat ze dachten dat we spionnen waren. We spreken allebei goed Servisch. Misschien iets te goed. We zouden trouwens nooit weg zijn gekomen. Zij kenden het terrein op hun duimpje, wij niet.
Later die dag konden we opeens gaan. En wel onmiddellijk. Richting Decani mochten we niet. Waarom werd ons niet verteld. Er werd ons te verstaan gegeven dat we niet mochten praten of schrijven over onze gevangenschap. Dan zou het niet goed met ons aflopen. We kregen een escorte tot het riviertje. De auto vonden we ongehavend terug.’
DE STRIJDERS die Slatensek en Doornbos vasthielden voldoen aan het beeld dat de Serviërs van UÇK schetsen: een stel bewapende boerenkinkels die nog geen mus van het dak kunnen schieten. Volgens ingewijden bestaat binnen UÇK echter een tweedeling. Er zijn zo'n veertigduizend bewapende dorpelingen. Ongetraind, nauwelijks georganiseerd en zonder ervaren leiding. Hun aantal neemt gestaag toe. Daarnaast zouden zo'n tienduizend goedgetrainde UÇK-troepen in het gebied actief zijn. Beide groepen vallen onder hetzelfde oppercommando.
Volgens Servische politiebronnen zouden vijftig niet nader geïdentificeerde 'mudjahedin’ UÇK bijstaan. Mudjahedin heeft Slatensek niet gezien. Wel goed getrainde UÇK-eenheden. Ongeveer acht kilometer van Decani stuitte hij op zwaar bewapende UÇK-strijders in Amerikaanse uniformen. Ze gedroegen zich zeer gedisciplineerd en hanteerden militaire codes. Hun commandant sprak Engels en Frans. Slatensek: 'Volgens mij was hij afkomstig uit het Vreemdelingenlegioen. Hij was Albanees, maar sprak Engels met een Frans accent en zijn Frans was wel heel erg goed.’
Een andere commandant die Slatensek ontmoette had gediend in het Joegoslavische leger. Volgens Slatensek, zelf in het Joegoslavische leger opgeleid tot sluipschutter, komen daar waarschijnlijk de best getrainde eenheden van UÇK vandaan. Slatensek: 'Toen Slovenië zich van Joegoslavië afscheidde, ben ik overgelopen naar het Sloveense leger. Dat deden ook veel Albanezen. Die grepen elke gelegenheid aan om de Serviërs te bevechten. Toen de oorlogen in Kroatië en Bosnië losbarstten, verdwenen ze opeens uit ons leger om opnieuw tegen de Serviërs te vechten. In Pristina ben ik al een oude Albanese strijdmakker tegen het lijf gelopen. Het zou me niets verbazen als hij iets met UÇK te maken heeft. Dat soort jongens heeft ontzettend veel gevechtservaring.’
VOLGENS SLATENSEK staan de Servische ordetroepen er een stuk minder goed voor dan een maand geleden. Toen lieten UÇK-strijders zich nog nauwelijks zien. Nu hebben ze hele gebieden gefortificeerd. In de heuvels rond Malishevo is een netwerk van moeilijk neembare UÇK-stellingen verrezen. In dit gebied hoeft UÇK geen acties meer uit te voeren omdat ze het volledig controleert. Langzaam maar zeker breiden de guerrilla’s hun 'vrije gebied’ uit. In Ratkovac, een dorp aan de rand van het UÇK-gebied, werd onlangs zo'n hevige aanval uitgevoerd dat de speciale Servische troepen zich moesten terugtrekken. In hun paniek schoten de Serviërs op alles wat in de omgeving bewoog. De Serviërs hebben nauwelijks nog controle over de hoofdwegen. Belangrijke transporten, waaronder dat van het lokale bier Pecco Pivo, gaan zo veel mogelijk via Montenegro.
Slatensek: 'De meeste commandanten die ik heb gesproken vertelden dat UÇK niet anders wil dan het verdedigen van Albanese dorpen. Natuurlijk moet je dat met een korrel zout nemen, want ze vallen wel konvooien en checkpoints aan. Er worden ook Servische dorpelingen verdreven. Het uiteindelijke doel is een vrij Kosovo. Het is de vraag wat dat voor de Kosovo-Serviërs betekent. Eén commandant vertelde me dat alle Serviërs uit Kosovo weg moeten. Niet omdat hij ze haatte, maar omdat ze niet hadden geprotesteerd tegen het optreden van Milosevic’ troepen.’
Volgens Slatensek is de steun voor UÇK enorm. 'Vlak bij de Servische grens en in de hoofdstad Pristina steunen alle Albanezen die je spreekt UÇK. Als ze de opdracht krijgen om te gaan vechten, zullen ze het doen. Er wordt nu al op acht kilometer van de stad gevochten. Het is een koud kunstje om wapens Pristina binnen te krijgen. Het kan niet lang meer duren of het barst ook daar los. En dan is het hek van de dam.’