H.H. ter Balkt overleden

Boerendichter

Er zijn van die onweersbuien die genadeloos over je heen donderen. Meestal zit je dan op de fiets en heb je geen jas aan omdat het zo'n mooie dag was vanmorgen. De lucht was blauw, de weinige wolkjes waren wit. Een zacht briesje woei, twintig graden warm.

Medium aep646
Medium aep646

Meestal zit je op de fiets als dan de hel losbarst, en vijf minuten later ben je, druipnat en bibberend, blij dat je niet ook nog door de bliksem bent getroffen. Van alle kanten kwam het onheil; in vele vormen daalde het op je neer, spoelde het over je heen, ranselde het je schedel. Dat was dus de natuur, besef je rillend. In al haar facetten heeft ze zich aan je geopenbaard. Het duurt even voor je bent bekomen van de schrik, die geen pure schrik is, maar ook bewondering. Fascinatie. Voor het overrompelende, overdonderende, massale geweld van dat water, die hagel, die bliksem, die storm. Dan wordt het stil. De wind gaat weer liggen. Je haar drupt zachtjes na. Het is die natuur die de dichter H.H. ter Balkt - voorheen Habakuk II de Balker - in zijn poëzie beschrijft. En tot leven wekt. Imiteert zelfs, soms, moet je zeggen als je zijn woordenstromen over je heen laat golven. Gedichten als onweersbuien, poëzie als natuurgeweld, als de ravissante uitbarstingen van een toornig en vertoornd wezen. Ter Balkt bezingt in zijn gedichten een natuur die bijna niet meer bestaat. Want overal zijn steden, overal is beton en overal zijn mensen. De eenzame bosbesstruik die we per toeval aantreffen is een van de laatste resten van een oerwereld die in de loop der eeuwen stukje voor stukje is verdwenen, door toedoen van de mens. Maar hoe karig ook, die natuur representeert voor de dichter een nimmer opdrogend reservoir van inspiratie. Al zijn het maar bosbesstruiken: _Ode aan de bosbesstruiken_ _Ze groeien in wijde donkergroene struiken_ _dicht bij elkaar, innig verstrengeld zo-_ _dat je wel tellen kunt totdat je gehaald wordt._ _De groenheid van de bosbesstruiken_ _is onbeschrijflijk. Groener dan deuren_ _van jeugd staan ze laag bij de grond._ _Engelen bewaken de bosbesstruiken_ _in juni, de brandmaand, de maand die zijn mand_ _als een mond met vlammende zon beschildert._ _Wat zucht en knarst dan het bos van zoetheid_ _en ongehoorde aroma’s; wacht toch_ _tot je hand ervan druipt, proef als laatste prikkel_ _de vleugelslag linea recta van de tingeltangel_ _de duistere stoffige zomerse bossen van de taal uit._ Nu alle gedichten van H.H. ter Balkt zijn verzameld in In de waterwingebieden is nog beter te lezen hoe de dichter zich laat inspireren (en overspoelen en aanjagen) door de natuur, het land. Het laagland. Zijn eerste bundel heette Boerengedichten, waarvan het eerste gedicht begint met: «Über allen Gipfeln ist ratata». Goethes «Ruh» is niet wat Ter Balkt zoekt in de natuur, maar juist het tegenovergestelde. De onrust. De ruimte van het volledig leven, rumoer, opwinding. De natuur is uitbundig: in Ter Balkts poëzie wemelt het van de kleuren en de geuren, van beweging en oproer. Alle zintuigen worden geprikkeld en de dichter loopt over van woorden. En schrijft een Eerbetoon aan de lamsoor- en aspergesoep: «De harde lach van april, zijn vlagen wind/ en regen, schalt aan de autoruiten (dijken/ omknellen het donkere eiland) als flarden/ oorlog, ranselend een woeste hoeve (…)» In de waterwingebieden is de weerslag (in zevenhonderd pagina’s) van 46 jaar dichterschap. Ter Balkt heeft altijd een wat afgezonderde plaats ingenomen in de Nederlandse poëzie. Hij hoorde nergens bij, en wilde dat ook niet. Hij is het prototype van de eenling, van de niet-modieuze, eigengereide kunstenaar die vasthoudt aan zijn thematiek, omdat dat nou eenmaal de zijne is. Wat de waan van de dag wil, interesseert hem veel minder. Tegenover de sprankelende orgiën van schoonheid die de natuur te bieden heeft, staat de doffe, donkere somberheid van de stad, van de moderne wereld. Het gedicht 1900, uit de bundel Laaglandse hymnen, beschrijft de wijk De Gaskrim in Enschede, aan het einde van de negentiende eeuw: «Dwaallicht 1800 achter de horizon, onder/ de 85 steden, maar over de waterterrassen/ scheerden glazenmaker van de tuberkelbacil/ en roet van beenderkokerijen, vastgeklonken// aan ammoniak en stoom. De Gaskrim loeide/ (het wegkwijnen heerste) achter gehoornde/ straten met opgebonden staarten; leliæn,/ licht en lucht schaars. (…)» Hoe meer steden de mens bouwt, hoe verder hij af komt te staan van zijn wortels, van de natuur. Gelijk op met de degeneratie van de mensheid, en met de neergang van de beschaving, gaan de zeggingskracht en de kwaliteit van de kunst. Zoals het gedicht Wat de elektronen vertellen over de geest van Rome, langer dan een eeuw geleden debiteert, schrijven de dichters van de «Twintigste Tijdzee dezelfde regels op nieuwe stenen. Voleinding half;/ halve triomfen. Bij gebrek aan wereld// en beter hakken de dichters werelden/ van anderen in elkaar. Schrikbarend/ kleine slagvelden. De regens regenen/ harder en de uren die stuur behoeven/ verglijden leger dan ooit vroeger heen.» Ter Balkt ziet de natuur niet zoals de gemiddelde «landschapsdichter» haar aanschouwt: als een verstilde relikwie, die zucht onder het bombastische geweld dat «vooruitgang» heet. Bij Ter Balkt is de natuur net zo bombastisch, en soms net zo gewelddadig als wat de mens vermag. Schreef de oude J.H. Leopold nog: «Er is een weinig leven in wat bewegen», terwijl hij uitkeek op een aarzelend wiegende boomtak achter zijn beslagen zolderraam, Ter Balkt hoort de harde lach van april. En lacht bulderend mee. Zoals je de onweersbui die over je heen golfde, toen je op de fiets zat, niet helemaal kunt begrijpen, zo onttrekt ook de poëzie van H.H. ter Balkt zich af en toe aan een rationele interpretatie. Maar net als bij dat onweer doet dat niets af aan de impact ervan. * * * H.H. ter Balkt _In de waterwingebieden_ Uitg. De Bezige Bij, 725 blz., ƒ 99,-