Boevenhulp

‘TOEN IK VRIJKWAM had ik helemaal niks. Ik was alles kwijt’, vertelt Toon, die nu bijna anderhalf jaar op vrije voeten is. ‘De eerste drie maanden woonde ik bij m'n moeder, maar ik hield het daar niet uit. M'n ex-vriendin, waar ik ruzie mee had, kwam er te vaak over de vloer. Toen heb ik Ger gebeld, mijn vaste reclasseringswerker. Ik heb hem mijn probleem voorgelegd en hij zei: “Het enige wat ik voor je kan doen is bij herhuisvesting een verzoek indienen voor een voorrangsverklaring.” Dat heeft-ie gedaan. Anderhalve week later had ik deze woning.’

Toons begeleider is Ger Lohuis, die al bijna 25 jaar bij de reclassering werkt. ‘Vroeger’, vertelt hij, 'had je een heleboel klanten en dat was dan jouw winkeltje. Jarenlang had je soms contact met mensen. “Jij bent mijn reclassering”, riepen ze.’
Nu moet Lohuis veel programmatischer werken. De vaste begeleider is een casemanager geworden die met zijn 'cliënt’ een tijdsplanning maakt en hem naar 'deeltrajecten’ verwijst. Vandaag draait hij 'vroeghulpdienst’. Op het Amsterdamse kantoor van de reclassering komt een fax binnen als iemand is opgepakt en op het politiebureau wordt vastgehouden. Hij moet erheen voor een gesprek.
OP HET districtsbureau Waddenweg in Amsterdam-Noord meldt Lohuis zich bij de dienstdoende agenten. We lopen door de kale gang met cellen - er is geen verschil tussen dag en nacht, want er zijn geen ramen. De kleine spreekkamer is een veredelde cel met een tafel in plaats van een toiletpot. Lohuis neemt plaats en pakt papieren uit z'n tas.
De eerste klant van vandaag is Ahmad, een 29-jarige boom van een jongen in een gebreide trui met een ijsbeer erop. Hij zit vast op verdenking van poging tot doodslag. Zijn spijkerbroek hangt wat laag op z'n heupen en de veters van zijn schoenen ontbreken. Lohuis vraagt globaal naar wat er is voorgevallen; het is aan politie en justitie om de details te achterhalen. En hij vraagt Ahmad hoe lang hij hier nu zit.
'Twee dagen’, antwoordt hij en aan z'n kleine ogen is te zien dat hij in die tijd niet veel heeft geslapen. Lohuis biedt hem een sigaret aan en vraagt wie z'n advocaat is; of hij werk heeft of een opleiding volgt; of hij drinkt, blowt of gokt; of hij schulden heeft; of hij eerder met justitie in aanraking kwam en hoe zijn familiesituatie eruitziet. Ahmad vertelt op uiterst vriendelijke toon over z'n moeder die blind is, z'n vader die hem als jongen de straat op schopte, het lts-diploma dat hij net niet haalde en het onregelmatige werk dat hij doet. Nonchalant zit Ahmad tegen de muur geleund, maar echt ontspannen is hij niet. Hij zegt te denken dat hij er morgen nog wel tien dagen bij zal krijgen.
Lohuis: 'Als je niet vrijkomt en je straf is niet hoger dan zes maanden, dan kunnen we de sociale dienst vragen je huur zolang door te betalen. Mocht je wel vrijkomen en je wilt aan het werk, dan kan ik je naar een collega van het arbeidsproject doorverwijzen. Heb je problemen met agressie? Daar is ook begeleiding voor.’
Ahmad: 'Ik ben een rustige jongen. Je kunt toch normaal met mij praten? Maar als je ruzie met me zoekt, dan ben ik er ook niet vies van. Zo is het gewoon.’
Lohuis: 'Als je morgen net zo rustig praat als nu, dan is dat in orde. Die tien dagen extra moeten een functie hebben.’
DE liefdadigheidsinstelling die in 1823 het licht zag als Nederlands Genootschap tot Zedelijke Verbetering van Gevangenen - later ook wel spottend aangeduid als 'schoenen- en klompenreclassering’ - evolueerde in de jaren zeventig tot ideologische geitenwollensokkenclub. Dat imago wist het daarna nooit meer helemaal van zich af te schudden, ondanks verzakelijking, professionalisering en reorganisatie in de jaren tachtig. De tijd dat de reclassering zich enkel om ex-gedetineerden bekommerde, is definitief voorbij. Tijdige interventie is een belangrijk beleidsaspect geworden, waardoor het moment dat de reclassering zich met de zaak gaat bemoeien steeds verder naar voren is geschoven.
Een relatief nieuw fenomeen is Justitie in de Buurt, een samenwerkingsverband van politie, justitie, reclassering, slachtofferhulp en de Raad voor de Kinderbescherming, dat zich vooral richt op een adequate aanpak van overlast in een bepaalde buurt.
'Al mijn klanten komen uit de Pijp’, zegt Sanna Munnikendam, die drie middagen per week spreekuur houdt op het kantoor van Justitie in de Buurt aan de Van Woustraat. Ze heeft vanmiddag vier afspraken gepland met reclasseringsklanten, maar de eerste drie laten zich niet zien. Klant nummer vier, een Congolese vluchteling, meldt zich tenslotte wél. Maar als ik op een andere dag terugkom om nog een gesprek bij te wonen, is dat opnieuw tevergeefs.
Een volgende middag wachten we op Tami. Munnikendam veert op als ze hem ziet binnenkomen: 'Daar is-ie! Niet te geloven! Geweldig!’ Een wat schuchtere, achttienjarige jongen in een zwart bomberjack komt binnen. Zijn handen blijven in de zakken van z'n jas als hij gaat zitten. Ze komen er alleen uit om iets aan te wijzen op een formulier.
'Heb je dat papier van gisteren meegenomen?’
'Nee’, zegt Tami.
'Dat was wel de bedoeling’, legt Munnikendam uit. 'Daar moest je wat op invullen en dat zou je vandaag weer meenemen.’
'O’, zegt Tami.
Er liggen vier brieven met aangehechte acceptgiro’s op tafel. Het zijn boetes voor rijden door rood en rijden zonder rijbewijs - zijn verplichte reclasseringscontact dankt Tami aan een eerdere diefstal met braak. 'Dit zijn juridisch preferente vorderingen, dat zijn praktisch referente vorderingen’, puzzelt Munnikendam. 'Even een avondje minder stappen en dan ben je van die boetes af.’
Tami: 'Ik zal m'n best doen, maar ik denk dat er niks van komt.’
Na Tami’s vertrek belt Munnikendam met het arbeidsbureau over Tami’s nieuwe baan, waarvoor hij een opleiding tot plaatspuiter zal volgen. Het gesprek komt op een andere gemeenschappelijke klant.
Munnikendam: 'Janus heeft me verteld dat-ie bij een vuilnisdienst werkt. Dat is niet waar? O, hij zat hier stralend te vertellen hoe leuk het was. Zat hij dus gewoon te liegen… Zo ernstig? Dan moet ik hem dus zien op te sporen. Als hij zulke drugsproblemen heeft… Hij zei dat hij bij zijn ouders woonde aan de Ceintuurbaan. Die wonen daar niet. Hij was zeker uit op een positief advies, dat was hem bijna gelukt.’
HET MINISTERIE van Justitie verstrekte de Stichting Reclassering Nederland in 1997 bijna twee miljoen gulden subsidie. Cijfermateriaal over de invloed van reclasseringscontact op de recidivecijfers van delinquenten is, op een enkel deelonderzoekje na, echter nauwelijks voorhanden. Dat kan ook niet, luidt het excuus van vertegenwoordigers van reclassering en justitie, want daarvoor zou je recidive eenduidig moeten definiëren. Nu wordt er dus geen onderzoek gedaan. De voorlichtster van Reclassering Nederland weet wel te melden dat 'algemeen bekend is dat taakstraffers minder recidivegevoelig zijn dan degenen die een gevangenisstraf hebben gehad.’ Maar een bron hiervoor kent ze niet. Algemeen bekend is ook dat het recidivepercentage in Nederland naar schatting tussen de 70 en 85 procent bedraagt. Dat is inclusief reclasseringscontact. 'Maar zonder het werk van de reclassering’, stelt een reclasseringswerker, 'zou het zeker hoger zijn.’
'In dit werk kom je heel zelden mensen tegen waarbij het allemaal prima loopt in het leven. De meesten zijn toch een beetje de mislukkelingen van de maatschappij, van de klas, van het arbeidsproces.’ Marjolein Reali, als reclasseringswerker vooral belast met het opstellen van voorlichtingsrapporten, beschrijft haar cliënten en haar werk. 'Als reclasseringswerker moet je heel erg pragmatisch zijn en heel erg nuchter. Bij ieder verhaal moet je proberen je vraagtekens te zetten. Mensen hebben op z'n minst het idee dat ze iets bij je te halen hebben. Dat maakt dat ik altijd wat wantrouwig ben.’
Met de afspraken die Reali voor vandaag had gepland wil het niet vlotten. De twee die ze ’s(ochtends had staan zijn niet doorgegaan omdat haar klanten niet kwamen opdagen. Naar later blijkt zit een van de twee in hechtenis. ’s(Middags heeft ze nog een afspraak, met iemand die een aantal jaren terug veroordeeld is voor dronken rijden. Nu wil hij taxichauffeur worden, maar het bevolkingsregister twijfelt over het afgeven van een verklaring van goed gedrag. Ook hij komt niet.
EEN DAG LATER kom ik terug om alsnog een gesprek bij te wonen. Half twee wordt tien voor twee, vijf over twee. 'Nou, het zal wel aan het weer liggen’, lacht Reali laconiek. Eindelijk komt er iemand voor een gesprek op het hoofdkantoor. Remzi, een vlotte jongen van in de twintig, was betrokken bij een vechtpartij op de stoep van een discotheek. Drie dagen heeft hij op het politiebureau vastgezeten. Reali is gevraagd een voorlichtingsrapport over hem te maken voor de rechtszitting. Remzi is productiemedewerker en tevreden met z'n werk. Drie jaar geleden is hij naar Nederland gekomen. Zijn ouders zijn inmiddels naar Turkije teruggekeerd, hij heeft besloten te blijven.
Reali vraagt of hij hier familie heeft die ze als referent kan gebruiken. Remzi zegt van niet. Levendig vertelt hij hoe hij toeleeft naar de weekenden, om met z'n vrienden uit stappen te gaan. Ja, hij drinkt wel eens een bacardi-cola of twintig, en ja, hij gooit wel eens een paar geeltjes in een gokkast, maar hij heeft het in de hand hoor. Of hij schulden heeft? Hij heeft pas een Alfa gekocht, waarvoor hij een lening heeft afgesloten zodat hij nu een schuld van zo'n 35 duizend gulden heeft. Soms komt hij tekort aan het eind van de maand, maar dan leent hij even iets van een vriend. Geen probleem. Reali spreekt haar zorgen over hem uit. Hij heeft de kenmerken die je bij veel klanten tegenkomt: drinken, gokken, schulden. Remzi wuift haar zorgen weg. Hij vraagt wat er verder gaat gebeuren.
'Jij komt volgens mij niet in de bak’, zegt Reali. 'Je krijgt misschien een taakstraf. Volgens mij ben je wel een harde werker.
'Als ik een taakstraf krijg, helaas pindakaas’, zegt Remzi.
OP VERZOEK VAN jusititie deed de Stichting Reclassering Nederland eind jaren tachtig voor het eerst mee aan experimenten met alternatieve sancties. Van uitsluitend hulpverlenende instantie veranderde zij daardoor in de partner van justitie bij de bestrijding van criminaliteit. In het strategisch Meerjarenplan 1996-1999 werd het voorkómen van herhaling van strafbaar gedrag voor het eerst officieel door de reclassering als taakstelling erkend. Zoals onlangs werd vastgesteld in de door Kees Schuyt samengestelde bundel Niet bij straf alleen, een jubileumuitgave ter ere van het 175-jarige bestaan van de reclassering, bracht deze nieuwe ontwikkeling een spanningsveld tussen idealisme en realisme in het reclasseringswerk met zich mee.
Met Fred Hofman, die de uitvoering van de taakstraffen coördineert, rijd ik mee in de metro richting Gaasperplas. Al voor we uitstappen bij de halte Venserpolder in de Bijlmermeer zien we vanuit de metro enkele mannen in oranje hesjes met reflecterende strepen rondscharrelen tussen de huizenblokken. We zoeken naar Baidjoe, een van de werkmeesters die hier vandaag met zijn groep zwerfvuil loopt te prikken. Hofman heeft het busje waarmee ze ’s(ochtends van het verzamelpunt zijn vertrokken al snel gevonden, maar van Baidjoe geen spoor. Hofman grijpt naar z'n mobiele telefoon waarop een klein mannetje met een pet en een snor vanonder een van de poortjes naar een binnentuin verschijnt. Hij draagt een vuilniszak en een grijpertje. Onder het draaien van een shaggie vertelt hij over z'n werk. Met vijf man houdt hij vier stratenblokken schoon, inclusief de binnentuinen. Ze beginnen elke ochtend om acht uur bij het winkelcentrum omdat anders de ondernemers gaan klagen.
Als Hofman en ik terugkeren bij het station, zijn de twee die we vanuit de trein zagen daar inmiddels ook aangeland. De een rookt een sigaretje en de ander probeert nog een beetje de schijn op te houden dat hij werkt. Hofman stelt tevreden vast dat de opkomst goed is vandaag. 'Wat is goed?’ vraag ik.
Hofman: 'Er zijn zes werkmeesters, die elk maximaal vijf werkers meenemen, dus er is capaciteit voor dertig taakstraffers. En er zijn zo'n twintig man aan het werk vandaag.’ Tijdens een rondleiding door het park wijst Hofman op de bankjes, prieeltjes, klimrekken en andere speeltoestellen die de taakstraffers al hebben opgeknapt. Met graffiti besmeurde en verwrongen bankjes staan er evenwel nog genoeg. En passant zegt hij dat de taak van de werkmeesters zwaar is. 'We hebben een keer twee werkmeesters gehad die er op een goede middag de brui aan gaven. Die zijn gewoon weggelopen. Eén ervan is nog 'n keertje teruggeweest om de sleutels in te leveren, maar van die ander heb ik nooit meer iets vernomen.’