Bokking en blondines

Behalve de eigentijdse filosofie, zoals die aan de universiteit van Leiden werd gedoceerd, behandelde Heinrich Heine in zijn Memorien des Herrn von Schnabelewopski ook de Hollandse bokking benevens de Hollandse blondines, het een en ander gebaseerd op een grondige kennis van het werk van Kant en Hegel, Fichte en gebroeders Schlegel.

Hij sprak met warmte over de ‘onbeschrijfelijk liefelijke’ toebereiding van onze vaderlandse vis, met zijn 'ontroerend innige en tegelijkertijd diepzinnige selderijgeur’. De geneugden van een typisch Nederlandse attractie als de bokking had hij al eerder in zijn Harzreise geprezen, de vissoort die, zoals elke geletterde Hollandse liefhebber weet, is vernoemd 'naar zijn uitvinder, Wilhelm Bücking, die in 1447 is gestorven en vanwege zijn verdiensten, de bokking bewezen, door Karel V zo werd vereerd, dat deze anno 1556 van Middelburg naar Biervliet (Zeeland) pelgrimeerde, enkel en alleen om het graf van deze grote man te kunnen aanschouwen.’
Bij zijn laudatio op de Hollandse blondines betrachtte Heine de vereiste rechtvaardigheid jegens de Hollandse brunettes, en eigenlijk alle blondines en brunettes, waar ook ter wereld. 'Ik wil waarachtig de Hollandse vrouwen niet prijzen ten koste van de dames uit andere landen’, zei Heine grootmoedig. 'De hemel beware mij voor zulk een onrecht, dat van mijn kant de grootste ondankbaarheid zou impliceren. Ieder land heeft zijn bijzondere keuken en zijn bijzondere vrouwelijkheden en alles is op deze terreinen een kwestie van smaak. De een houdt van gebraden kip, de ander van gebraden eend; wat mijzelf betreft, ik hou van gebraden kip èn gebraden eend en bovendien hou ik ook van gebraden gans.’
Zo ziet men maar weer Heinrich Heine, die onder normale omstandigheden geen onbekookt standpunt uit de weg ging, kon af en toe verrassend genuanceerd uit de hoek komen.
Halverwege Schnabelewopski’s gedenkschriften duikt de figuur op van de Vliegende Hollander, de beklagenswaardige zeekapitein die door een vloek gedoemd is tot het ongewisse tijdstip van zijn verlossing over de Zeven Wereldzeeën te zwalken. Heine maakte kennis met de Vliegende Hollander - zo probeerde hij het nageslacht wijs te maken - in de Amsterdamse Stadsschouwburg, waar Schnabelewopski (lees Heine) tussen de bedrijven door een zijner gefavoriseerde blondines liet weten dat hij haar graag op de mond wilde kussen. 'Bij God, mijnheer’, sprak de betreffende dame, 'dat is werkelijk een goed idee.’ Volgt in het manuscript een lange gedachtenstreep , die ons, lezers, uitnodigt de fantasie de vrije loop te laten. Er is sprake van een zwarte sofa, waarop zich onbeschrijflijke dingen zouden hebben afgespeeld. Blonde haren, blauwe ogen, deze combinatie was voor Schnabelewopski (lees Heine) onweerstaanbaar. Hij ervoer de Hollandse hartstochten als een sensatie als nooit tevoren, zelfs niet zoals hij die aan de boezem van de Hamburgse stadspatrones Hammonia had mogen ervaren, de Hollandse blondines serveren, zei de dichter, bevroren champagne, het heetste extract, vervat in een ijzig omhulsel.
Allemaal mythe en gegoochel met de dikke duim. Heine was, zo heeft de wetenschap inmiddels met kracht van argumenten aangetoond, helemaal niet zo'n rokkenjager als hij zelf beweerde. In werkelijkheid was hij een schuchtere neuroticus, die altijd hoofdpijn had en een rood hoofd kreeg op het moment dat hij door een receptiegangster - blondine of brunette - werd aangesproken.