Bolkestein

In De Groene van 17 mei trekt Joke van Kampen van leer tegen Bolkesteins idee om in Nederland een imamopleiding op te richten, onder de kop: ‘Weer een losse Bolkestein-flodder’. Van Kampen maakt daarbij geen onderscheid tussen de motieven van Bolkestein en de betekenis van een imamopleiding in Nederland op zich. Daardoor gooit zij het kind met het badwater weg.

In progressief-islamitische kringen wordt al veel langer gepleit voor een imamopleiding, onder andere door de Islamitische Stichting Bevordering Integratie (ISBI). De meeste in Nederland werkende imams komen uit het land van herkomst of zijn aldaar opgeleid. Het zal duidelijk zijn dat zij het referentiekader missen om religieuze vraagstukken vanuit de Nederlandse situatie te beschouwen. Het ‘pastorale’ werk kortom, kan absoluut niet goed worden uitgevoerd. Omdat met name in progressief-islamitische kringen integratie als een belangrijk issue wordt gezien, willen zij imams die weten hoe de Nederlandse samenleving in elkaar zit. De opleiding en cursussen waar Van Kampen naar verwijst, zijn goed voor een algemene orientatie op de islam, maar niet adequaat voor het verrichten van het pastorale werk en zijn zeker niet bestand tegen de religeus-inhoudelijke concurrentie van imams uit het land van herkomst.
Van Kampen vraagt zich af of de Nederlandse overheid kan eisen dat imams in Nederland op de islam hebben gestudeerd. De vraag zelf beantwoordend, vindt ze dat 'nogal een ingreep in de cultuur van een godsdienst die ervan uitgaat dat een ieder tot het ambt geroepen kan worden’. Ook met deze benadering slaat ze de plank mis. In de eerste plaats wordt door de imamopleiding een aanbod van goed opgeleide imams gecreeerd. Studenten voor deze opleiding zullen naast gewone belangstellenden ook personen zijn die zich tot het ambt van imam geroepen voelen. In de tweede plaats zal net als voor alle andere buitenlandse werknemers ook voor geestelijken de regel moeten gelden dat zij pas in Nederland arbeid mogen komen verrichten indien er geen adequaat aanbod in Nederland aanwezig is. In de derde plaats stelt de overheid niet dat voor het uitoefenen van het beroep van imam een imamopleiding noodzakelijk is. Als een moslimorganisatie de stratenmaker tot imam wil benoemen, is dat hun zorg. De godsdienstvrijheid wordt door een dergelijke beleidslijn niet aangetast, en er is dus niets mis mee.
Ik heb absoluut geen behoefte om Bolkestein te verdedigen. Maar dat is geen reden voor een 'argumentum ad hominem’-benadering.
Bleiswijk, NAUSHAD BOEDHOE