Grensverkenningen: Dagboek van een eurocommissaris

Bolkestein kijkt neer

Frits Bolkestein ergert zich in zijn eurodag boek aan de «idioten» – intellectuelen, politici – van Nederland.

Frits Bolkestein

Grensverkenningen: Dagboek van een eurocommissaris

Bert Bakker, 323 blz., € 19,95

De waarlijk grote politicus heeft twee kwaliteiten die hem onderscheiden van de krabbelaar. Zijn dag bevat meer dan 24 uur en hij moet kunnen eten en drinken zonder ziek te worden. Twee van zulke politici hebben recent een boek geschreven. Vorig jaar publiceerde Bill Clinton zijn memoires My Life. Vorige week verscheen Grensverkenningen van Frits Bolkestein. Verpletterende boeken. Het leven van een politicus hors catégorie slaat met stomheid: steeds op reis en toch tijd voor cultuur, per manent nieuwe mensen ontmoeten en desondanks oude vrienden niet verwaarlozen, continu netwerken om ideeën bij derden af te tappen en coalities voor eigen opvattingen te vormen. Maar er zijn ook verschillen. Anders dan Clinton is Bolkestein niet van het volk maar voor het volk.

Ten eerste. Clinton onthult weinig maar legt veel uit. Hij kijkt soms ootmoedig terug en biedt ons zo zelf vertrouwen. Bolkestein onthult veel maar legt weinig uit. Hij reflecteert zelden deemoedig en dwingt ons zo tot kleinheid. Op 8 maart 2000 noteert hij bijvoorbeeld dat het IMF «de oorlog in Tsjetsjenië financierde». Doelt hij op de kredieten die Rusland in de jaren negentig kreeg of op een ander feit dat ons is ontgaan? Een raadsel. Op 23 februari 2002 schrijft hij bovendien: «Voor mij is duidelijk dat Rusland Europees is.» Maar op 11 maart 2003 concludeert hij: «Rusland zal nooit lid van de EU worden.»

Ten tweede. De Amerikaanse president wordt omringd door inspirerende mensen met wie zinvol valt te praten. De eurocommissaris daarentegen leeft in twee werelden. Buiten zijn vaderland is het boeiend, ook al lopen daar ook «ijdeltuiten» (Italianen), «intellectuele oplichters» (Benjamin Barber) en «verwarde geesten» (John Gray) rond. In de intellectuele periferie van Nederland moet hij vooral slecht gekleed of navenant geïnformeerd «volk» verdragen. Journalisten – goede als Pieter Broertjes van de Volkskrant, die hem openlijk steunt, niet te na gesproken – hebben geen niveau. Het is al heel wat als Rob Trip het bij Buitenhof «best aardig» doet en de redactie eindelijk een «fatsoenlijke lunch» aanbiedt: «De vorige waren te erg voor woorden.»

Bolkestein is, eenmaal in Brussel, blij dat hij «niets meer te maken heeft» met de «infantilisering van de politiek» en de «grenzeloze oppervlakkigheid van het papegaaiencircuit der media». Eindelijk verlost van die «gevoelige intellectuelen» van NRC Handelsblad, een krant waar «verschillende maffia’s» elkaar bestrijden, een medium dat je dus slechts kunt gebruiken als podium voor eigen of andermans publicaties alsof je daar zelf heimelijk schaduw-hoofdredacteur bent.

De oordelen van Bolkestein zijn ook anderszins niet mis. Enkele passages uit het dagboek zijn «gekuist vanwege te onverbloemd taalgebruik», maar er blijft genoeg over. Openhartigheid is nu geboden. Ondergetekende komt ook aan bod, namelijk als «halvegare» en «kloon van Felix Rottenberg». De eerste kwalificatie kan kloppen. Mijn baas doet thans nader onderzoek. De tweede is een quantumsprong. De «halvegare» is namelijk vier maanden voor de conceptie van Rottenberg geboren en heeft dus geen gebruik kunnen maken van diens DNA, wat de vraag oproept of er toch sprake is van Intelligent Design.

Dat is klein bier. Het sterft in Nederland van dit soort «idioten». Wouter Bos mag een «pienter mannetje» lijken, Dries van Agt blijft een «rare kwibus» en Ruud Lubbers is net een «fles wijn» die slechter wordt naarmate hij langer open staat. Om maar te zwijgen van minister Laurens-Jan Brinkhorst, die een «waardeloze» vergadering met «on voorstelbaar geouwehoer vol ronkende gemeenplaatsen» organiseert. «Zo heeft iedereen zijn learning curve. Het is om moedeloos van te worden.»

Partijgenoten worden evenmin ge spaard. ’s Zondags voor de verkiezingen na de moord op Pim Fortuyn velt Bolkestein intern het politieke vonnis over de partijleiding. Ed Nijpels moest hij in 1986 immers ook even «onder water» houden. Hans Wiegel is ijdel en hecht vooral aan het pluche. En Hans Dijkstal – die hij in 1998 zelf naar voren had geschoven, het tot medio 2002 leuk doet en ministeriabel is – blijkt «slap, laf» en «après tout toch een maatje te klein». Dergelijke kleingeestigheid kan Bolkestein zelf niet worden verweten. Hij is met de grote lijnen bezig, zonder het detail (zoals het ontbreken van een spiegel in de kleedkamer van een zwembad, zoals hij de «vereerde badmeester» laat weten) uit het oog te verliezen.

Over 9/11, Afghanistan of Irak breekt hij zich het hoofd niet al te veel. Die gebeurtenissen liggen in de lijn zijner verwachtingen. De Europese eenwording is, te midden van talloze nutteloze besprekingen, ook geen bron van dagelijkse zorg of inspiratie.

Goddank is er meer in het leven. Zoals boeken, theater («tekst was niet te volgen, mise-en-scène leek nergens op, weg ermee»), opera, klassieke muziek, musea («Dada duurde tot de wind van de jaren dertig het spel wegblies»), «charmante» of «rondborstige» en vaak naamloze «dames». En culinaria. Vooral eten en drinken zijn een troost. Bolke steins qua artistieke «verbeelding» soms wat «verhitte» echtgenote kan, tussen de bedrijven van al die verbouwingen en verhuizingen door, nog tijd vinden voor etentjes. Zijn eigen kennis van goede wijn – op andere passies moet hij wel studeren, daarom «werk ik ook zo hard» – is groot. Zo weet hij op 31 augustus 1999 zestig fles sen Pauillac Haut Bage Libéral voor een «lieve duit» (ter toelichting: zestig flessen is 0,66 procent van de totale productie – hs) op de kop te tikken. De dozen die hij en passant in de Elzas koopt, worden per fles in het dagboek bijgehouden, net als het verdrietige feit dat hij ooit een lunch in Parijs moest overslaan en daar «vast een goede bordeaux gemist» heeft.

Waarna er weer een salvo van pertinente opvattingen volgt. Zelfs als je als lezer eindelijk ook iets denkt te weten, laat Bolkestein je in verwarring achter. Zo heeft de Britse historicus Jonathan Israel, auteur van Radical Enlightenment, volgens hem een boek geschreven over de «radicale romantiek» en schrijft hij Menno ter Braaks essay Het nationaal-socialisme als rancuneleer uit 1937 toe aan Hermann Rauschning, de ex-nazi die tekende voor Die Revolution des Nihilismus. Twijfel is het enige wat de lezer rest. Hoe kan iemand zo overtuigd zijn van zijn eigen gelijk en zo weinig belangstelling hebben voor de minder in telligente medemens? Woorden schieten te kort. Leefde W.F. Hermans nog maar.

Bolkestein erkent dat hij hoge eisen stelt. En dekt zich tot slot in: «Misschien vindt niemand dit dagboek interessant.» Valse bescheidenheid. Dat wordt nog wat als Bolkestein aan het eind van dit decennium zijn «magnum opus» presenteert. In het Engels. Uiteraard. Nederland is te klein voor hem.