Groen

Bollen en knollen

Ik ben geboren in een streek waar de jeugd in de zomermaanden een beetje geld verdiende door zich in de bloembollenbranche te begeven. Rapen, pellen, en als je trekker kon rijden: vervoeren. Ik heb uitsluitend gepeld, en hoe we ook scholden op het werk en vooral op de bollenbazen (dat was apart volk, bollenboeren), toen ik later zes weken in een vleesverwerkende fabriek stond, of vier weken in een lichtlijnenbedrijf (waar ik meerdere malen bijna mezelf elektrocuteerde), dacht ik weemoedig aan die schuren met lange tafels, waaraan we op een rij zaten te werken; waar de bollen vrolijk door de lucht vlogen; waar we luidkeels meezongen met wat er ook maar uit de radio kwam, en waar elke snee brood, ongeacht het beleg, naar zandgrond smaakte. Toen was een bol een bol, een volle kist een volle kist en vijf uur was vijf uur.

Nu heb ik op andere manieren te maken met bollen. Zo vergeet ik ze steevast in een beplantingsplan op te nemen, terwijl ik best weet hoe prachtig een veldje ijle scilla’s kan zijn aan de voet van een kale beuk. November is een drukke maand, wat bollen en knollen betreft. Aan de ene kant haal je de dahlia- en gladiolenknollen uit de grond. Die leg je een paar dagen te drogen, je rommelt ze in een krant en zet ze de hele winter weg. Koel en droog. Nee, met die zomerbloeiers hoef je geen medelijden te hebben. Tegelijkertijd stop je juist nu de voorjaarsbloeiers ín de grond. Vaak in natte, stugge kleigrond, met de neuzen omhoog. Denken aan zo’n bolletje, in die koude, zwarte aarde, soms bedekt met hagel of sneeuw, soms doortrokken van vorst, is bijna onverdraaglijk. En altijd maar weer opkomen in de lente, ongeacht de weersomstandigheden onstuitbaar de kop boven het maaiveld uit willen steken. Ik had eens een bazin die me zeven fritillariabollen gaf en zei: ‘Ik kijk niet, doe ermee wat je wilt.’ Die had het begrepen. Ik rook er eerst een tijdje aan, groef ze in en zij had eind april een onverwachte rij keizerskronen, pál voor het keukenraam.