Rotterdam 2001

Bombardement op Erasmus

Bijna vijfhonderd jaar na de verschijning van «Lof der zotheid» wordt Erasmus definitief ingelijfd als Rotterdammer. De Culturele Hoofdstad 2001 wil zich zo presenteren als middelpunt van een nieuw Europees humanisme. Maar hoe humaan is Rotterdam zelf?

Desiderius Erasmus Roterodamus had niet veel op met zijn geboortestad. Buitenlandse vrienden die Nederland aandeden, gaf hij het advies Rotterdam links te laten liggen, de moeite van het bezoeken niet waard. Daarbij moet gezegd dat Erasmus de stad nauwelijks heeft gekend. Hij vertrok op vierjarige leeftijd, samen met zijn moeder, eerst naar Gouda, vervolgens naar Deventer, en keerde niet terug. Toen de legendarische jonker Frans in een verlate naschok van de Hoekse en Kabeljauwse twisten de stad aan de Rotte in 1488 veroverde, was Erasmus al onderweg naar ’s-Hertogenbosch, zeer tegen zijn zin gedoemd tot het klooster, om opgeleid te worden tot monnik. Hij kwam als secretaris van bisschop Hendrik van Bergen van Kamerrijk in Parijs terecht, bestudeerde aan de Sorbonne de Griekse en Latijnse klassieken en maakte kennis met de ontluikende krachten van het humanisme.
Zijn ouders waren toen al beiden bezweken aan de pest, en voortaan zou hij zich meer van het Latijn dan van het Nederlands bedienen, behalve dan op zijn sterfbed te Bazel in 1536, toen zijn laatste woorden luidden: «Lieve God.» Zijn grote literaire werken, van invloed op literatoren als Shakespeare en Rabelais, ontstonden in steden als Cambridge, Oxford, Orléans, Bologna en Venetië. De inspiratie voor zijn onbetwiste meesterwerk Lof der zotheid, verschenen in 1511, deed Erasmus op tijdens een lange reis te paard over de Alpen, na een driejarig verblijf in Italië. Hij schreef het boek binnen een week in het Londense huis van Thomas More, de schrijver van Utopia, zijn boezemvriend en geestverwant, die zijn verlichte ideeën overigens zou moeten bekopen met onthoofding. Erasmus was kortom misschien wel de eerste echte Europeaan, een ware kosmopoliet, in nauwe verbinding met de belangrijkste denkers van het continent, of het nu Rudolf Agricola of Maarten Luther was.


«Het begin van de zestiende eeuw was van Erasmus», schrijft Gerrit Komrij in het vuistdikke programmaboek van Rotterdam Culturele Hoofdstad. Het was «een tijd tussen alchemie en wetenschap, tussen fabeldieren en ontdekkingsreizen. De ene wereld is er nog, de andere begint eraan te komen. De wapens, de handel, de kerk, de geest — alles roert zich in Europa. Zoals de strijd tussen de ontluikende Renaissance en de conservatieve krachten geholpen door de inquisitie. Een krachtmeting tussen het kosmopolitisme en de verstarring, tussen het Europa van de ene geest en het Europa van de vele rijkjes. Veel waarden die we altijd nog herkennen stonden open en bloot tegenover elkaar: een strijd van het boek tegen de kerk, van het open systeem tegen het gesloten systeem, van dialoog tegen isolationisme, van nationalisme tegen de omgang met vreemdelingen, van de gemeenschap van gelovigen, Christi fides, tegen de hiërarchie, van de wetenschap tegen de onverschilligheid van het opportunisme.»
In 1469, het vermoedelijke geboortejaar van Erasmus, telde Rotterdam zo’n negenduizend zielen, die zich voornamelijk bezighielden met vissen en handel, voor zover er niet geknokt moest worden tegen vijandige bendes in afgelegen oorden als Feijenoord en IJsselmonde. Veel plaats voor cultuur was er niet, en het was bepaald geen plek voor een verfijnde geest als de schrijver van de Antibarbari, een schotschrift tegen de barbaren. Als onwettig kind van een priester, van wie hij een perfecte beheersing van het Latijn overerfde, zat Erasmus behoorlijk met zijn afkomst in z’n maag: hij hield zich op de vlakte over zijn Rotterdamse jeugd. Pas in 1517, op de pieken van zijn literaire roem, verkreeg hij pauselijke dispensatie voor zijn wederrechtelijke geboorte.
Dat Rotterdam toch een plekje in het hart van de schrijver moet hebben gehad, blijkt uit het feit dat hij zijn eindeloze stroom aan publicaties en brieven (Erasmus schreef meer dan vijftig jaar lang iedere dag minstens tweeduizend woorden en liet een totale productie van 38 miljoen woorden na) ondertekende met het achtervoegsel «Roterodamus». Dat was zeker niet verplicht, en kan wellicht toch worden gezien als een huldeblijk aan de stad waar hij het levenslicht aanschouwde.


Rotterdam was lang niet altijd even hartelijk voor Erasmus. In 1622 was de calvinistische burgerij van Rotterdam nog fel gekant tegen de komst van een koperen standbeeld van de schrijver, vervaardigd door Hendrick de Keyser. Het beeld was met tienduizend gulden in de ogen van predikant Jacob van Leeuwen veel te duur, zeker ter ere van een onverbeterlijke libertijn als Erasmus, die zijn Lof der zotheid had geëindigd met een weinig godvruchtig: «Leef en drink er vrolijk op los.» Dat Erasmus, peetvader van de Reformatie, nooit de Heilige Roomse Moederkerk had willen verlaten — anders dan bijvoorbeeld zijn vroegere vriend en latere vijand Maarten Luther — was voor de godvruchtige gemeente van de Maasstad ook een reden voor een banvloek.
Pas later begon Rotterdam zijn verloren zoon te eren en groeide hij uit tot schutspatroon annex stadsheilige. Zijn standbeeld, dat er uiteindelijk toch kwam, werd gedurende de Tweede Wereldoorlog, nadat de Rotterdamse binnenstad op 14 mei 1940 was geëgaliseerd door de Duitse Luftwaffe, weggehaald van zijn plaats bij de Grotemarkt en begraven in de tuin van museum Boijmans Van Beuningen, om na de oorlog weer te worden opgegraven, als symbool van de wederopstanding van de stad.
In de jaren zestig moest het beeld, geplaatst bij het Schielandhuis op de Coolsingel, wijken voor de metro. Heden staat het beeld op het Grote Kerkplein bij de Laurenskerk. In zijn gedicht «Eurasmus» schrijft de Rotterdamse dichter Jules Deelder met zijn bekende scepsis:

Zijn veelbescheten beeld
staat stilaan te ver-
zuren op een plek waar
je als mens je hond
nog niet laat urineren
in de schaduw van de
kerk waartegen hij zo
fulmineerde en slaat
op alle hele uren een
bladzij om van ’t boek
dat hedenthans door
niemand meer gelezen
nochtans de lof zingt
van de mens wiens vrije
geest zich niet door
godgeleerde farizeeërs
laat paaien en bepre-
velen maar zelf de maat
neemt van het leven en
zin geeft aan het aards
bestaan


Erasmus staat nu op een steenworp afstand van de centrale van de openbare bibliotheek, een majestueus, hypermodern boekenpaleis waar de povertjes bedeelde Amsterdammer alleen maar van kan watertanden en alwaar op het dak in grote rode neonletters een lijfspreuk van de schrijver staat afgebeeld: «De hele wereld is je vaderland.»
In diezelfde gemeentebibliotheek werd onlangs een spectaculaire vondst gedaan: een verzameling brieven van de jonge Portugese humanist Damião de Goies aan zijn grote Nederlandse voorbeeld. Goies, zo bleek, was verrukt van de religieuze vrijheid die de Reformatie aanvankelijk gaf, en ging dan ook op bedevaart naar het noorden, waar hij onder anderen Erasmus trof. Deze waarschuwde hem voor al te grote euforie, hetgeen ook verstandig bleek toen de Contrareformatie uitbrak en de Portugese Erasmus-fan bij thuiskomst werd ingerekend door de inquisitie. Erasmus, die nog enige tijd dienst deed als tutor van de jonge keizer Karel V, bleek de vinger zoals altijd aan de pols van de tijd te hebben.
De brieven van Goies vormen de basis van het libretto dat Dichter des vaderlands Gerrit Komrij schreef voor de opera Estranhas Melodias (Vreemde melodieën) van de Portugese componist Antonio Chagas Rosa. Die opera gaat in december 2001 in première in de Rotterdamse Schouwburg en in het befaamde Rivoli-theater in Porto en zal dienen als afsluiting van wat zeker in Rotterdam gerust het ultieme Erasmus-jaar mag worden genoemd.


Alles in Rotterdam staat in het teken van Erasmus. Er is natuurlijk de Erasmus-brug, het architectonische hoogstandje over de Maas dat als enige minpuntje had dat het bij het minste zuchtje wind vervaarlijk begon te wiebelen. Er is sinds jaar en dag de Erasmus-universiteit, een broedplaats van weinig wijsgerige types als economen en juristen, maar toch. Er is een Eramus-verhuisbedrijf, een Erasmus-koekjesfabriek, een Erasmus-kinderdagverblijf en ga zo maar door. En wie dan nog niet wist dat de grote motor van de Renaissance zijn roots in Rotterdam heeft, zal dat dit jaar ongenadig krijgen ingepeperd. Het programma van R2001 is een waar Erasmus-bombardement. Het project Erasmus 2001 is een soort beschavingsmissie die Rotterdam zich heeft gesteld ter redding van het door nationalisme en vreemdelingenhaat geteisterde Europa.
In het specifieke jargon van de eigentijdse kunstmanager heet het in het programmaboek van r2001: «In een postideologisch Europa is het humanisme van Erasmus verrassend actueel; Europa wordt immers gekenmerkt door de voortdurende spanning tussen het homogeniserende vertoog Europa en haar concrete heterogeniteit. Het is de kunst te ontsnappen aan cultuurrelativisme enerzijds en fundamentalisme anderzijds. Het ondogmatische humanisme van Erasmus zou zo’n ontsnappingsroute kunnen zijn. Erasmus’ gedachtegoed biedt aanknopingspunten om na te denken over de vraag hoe een gedeeld vocabulaire ontwikkeld kan worden om morele intuïties te articuleren nu de traditionele instrumenten die cohesie bevorderen zijn weggevallen.»
En dus komt er een Erasmus-conferentie, georganiseerd door het Nexus-instituut, de pan-Europese denktank met in zijn gelederen onder meer drs. R.F.M. Lubbers, Rotterdammer in hart en nieren én Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen. Lubbers heeft iets met Erasmus, hetgeen ook al bleek uit zijn betrokkenheid bij de uitreiking van de Erasmus-penning, die in de woorden van Jules Deelder «plechtig wordt uitgereikt aan een kruidenier of grutter die de Raad voor de Zakkenvullers het meest naar de mond heeft gepraat maar die hij (Erasmus — rz) te nimmer had gekregen».
Deelder is in de lawine van poëtische exaltatie over het nieuwe Rotterdam de enige criticaster. Hij was een der deelnemers aan een groots poëtisch eresaluut aan Erasmus dat afgelopen week, aan de vooravond van de opening van Rotterdam Culturele Hoofdstad, werd afgegeven door een groep dichters onder de bezielende leiding van (weer) Gerrit Komrij, die zonder meer als de Grote Roerganger van de reanimatie van het erasmiaanse gedachtegoed mag worden beschouwd. Verleden week donderdag, tijdens de Tweede Nationale Gedichtendag, presenteerde Komrij in Rotterdam de bundel Lof der zotheid, waarin naast hijzelf en Jules Deelder literatoren als Gerrit Krol en Leo Vroman een poging doen het gedachtegoed van Erasmus te betrekken op de omstandigheden van vandaag.
Schrijver Arnon Grunberg staat niet in deze bundel, maar is al evenzeer door de Lof der zotheid op sleeptouw genomen. Grunberg publiceert binnenkort een variant op Lof der zotheid, onder de titel Leve de mensheid!, een traktaat waar hij verleden week vrijdag, tijdens de opening van R2001 in De Doelen, een voorproefje gaf. De gebruikelijke scepsis van de Rotterdammers tegen al te grote woorden bleek als sneeuw voor de zon verdwenen. Het doorgaans weinig cultureel begeesterde Algemeen Dagblad, de Rotterdamse krant bij uitstek sinds het tragische verdwijnen van Het Vrije Volk, reserveerde zelfs de hele voorpagina voor een portret van het jonge genie uit New York tegen de achtergrond van (natuurlijk) de Erasmus-brug.


De bedoeling moge duidelijk zijn: Rotterdam wil zich via Erasmus presenteren als een stad die — na een lijdensweg van pakweg vijf decennia — niet alleen definitief is hersteld van het grote gat dat de Duitse bommen in haar hart hebben geslagen, maar ook is veranderd in een epicentrum van ethische, poëtische en sociaal-culturele vernieuwing, grossierend in wat met een snel furore makend modewoord onder culturele beleidsmakers «diversiteit» is gaan heten.
Rotterdam, zo heet in het in de woorden van Bert van Meggelen, de onlangs naar het tweede plan verbannen intendant van de Stichting Rotterdam 2001, moet een gidsstad worden voor «nieuwe vormen van cohesie». Het project Erasmus 2001, een geesteskind van Van Meggelen, moet Europa leren de door Erasmus verkondigde waarden van verdraagzaamheid en kosmopolitisme weer te omarmen. Het project zal de komende jaren worden overgenomen door Brugge, Salamanca, Graz en Lille, die Rotterdam zullen opvolgen als Culturele Hoofdstad. Aldus moet het nieuwe humanistische reveil van Rotterdam geheel Europa in de ban krijgen. Van Meggelen spreekt in dit verband van «een offensief ten opzichte van abjecte types in Europa, die almaar schreeuwen om een nieuwe vorm van homogenisering en daar succesvol in zijn: Vlaams Blok, Haider». Europa moet zo in de woorden van Van Meggelen naar Rotterdams voorbeeld «sleutelen aan de reductie van de angst voor het andere. Aan een houding die zegt: het zijn niet alleen maar gevaarlijke gekken.»


Rotterdam als lichtend voorbeeld voor Europa, wie had dat enkele jaren geleden nog kunnen bedenken? Als er nu een Nederlandse stad was waar men behoorlijk in de maag zat met die veelgeprezen «diversiteit», dan was het natuurlijk wel die aan de oevers van de Maas. Wie herinnert zich niet de grote «rassenrel» aan het Afrikaanderplein in Rotterdam-Zuid, een Turks-Nederlandse burenruzie die zodanig escaleerde dat Neerlands opperfascist Joop Glimmerveen er medio jaren zeventig veel hoop en inspiratie aan ontleende? Of neem de volksopstand tegen het gemeentebestuur in diezelfde jaren, toen er plannen ontstonden om in het befaamde Poortgebouw een «eroscentrum» te vestigen. Nog verser in het geheugen liggen de inspanningen van de burgers van Spangen om iedere «drugstoerist» (of iemand die daarvoor werd aangezien) per honkbalknuppel uit de stad te verjagen, terwijl ook de vaste schare van gebruikers rondom het Centraal Station regelmatig een lynchploeg op het dak kreeg, of het nu getergde mariniers of de heren van de taxibranche betrof.
En nog altijd zijn de spanningen tussen de diverse bevolkingsgroepen goed voelbaar. Zo zegt de grote Chinese gemeenschap die zich in het gebied op en rond de West-Kruiskade heeft gevestigd, genoeg te hebben van de doorlopende, tegen hen gerichte terreur van criminelen. Er zitten een hoop illegalen onder de Chinezen van Rotterdam, en dat is voor veel obscure sujetten aanleiding om in hen makkelijke slachtoffers te zien, aangezien een illegaal toch geen aangifte bij de politie pleegt te doen als zijn auto wordt gekaapt of een handtas weggegrist. De Rotterdamse Chinezen zijn de terreur zo beu dat zij verleden week, zeer tegen hun stoïcijnse gewoontes in, bij het inluiden van het nieuwe Chinese jaar van de Slang een grote protestmars naar het politiebureau in de binnenstad aankondigden.
Ook elders in de stad blijkt die veelgeprezen Rotterdamse «diversiteit» in werkelijkheid toch nog het meest te lijken op een wat zachtaardiger variant van het Zuid-Afrikaanse apartheidsmodel. De Turken van Feijenoord leven even geïsoleerd als dertig jaar geleden, zij het dat ze tegenwoordig geen veldslagen hoeven te leveren met xenofobe elementen van de autochtone bevolking. Wel worden ze door Pim Fortuyn, een andere voortrekker van de nieuwe Rotterdamse fine fleur, bijna wekelijks in Elsevier gekapitteld over hun verslingerdheid aan de hoofddoek of de koran, tekenen van wat de hippe nieuw-rechtse deeltijdprofessor steevast benoemt als de «islamisering van Nederland». Erasmus zou zich er diep voor hebben geschaamd.


Ondanks alle investerings- en bouwwoede aan de Maas behoren grote gedeeltes van Rotterdam nog altijd tot de meest miserabele stukken van grootstedelijk Nederland, het volkomen verpauperde Oude Noorden voorop. Wel heeft zich in het centrum van de stad, tot voor enkele jaren geleden een desolate stadswoestijn, een nieuwe culturele en financiële elite gevestigd, voor wie de glorieuze visioenen van R2001 over de huidige Rotterdamse renaissance meer zijn dan alleen maar virtuele peptalk. Juist de Rotterdamse binnenstad was jarenlang een monument van leegte en stilstand. «Nadat het centrum van de stad eerst in een puinhoop was veranderd en daarna geëgaliseerd, gebeurde hetzelfde met het maatschappelijk leven», schreef Rotterdammer H.J.A. Hofland. «Geleidelijk was het ontdaan van alle wetten en tekens, de dagen waren veranderd in een vlakte van tijd zonder horizon.»
Dat spook behoort nu tot het verleden. Symbolisch genoeg is het beroemde beeld van Zadkine, De verwoeste stad, monument voor «de stad zonder hart», inmiddels strategisch herplaatst achter het plaatselijke Maritiem Museum, ver uit het blikveld van het nieuwe Rotterdamse panorama. Rotterdam is er dan eindelijk in geslaagd het gat in zijn hart te dichten, ook al kun je ’s avonds op de Coolsingel nog altijd een kanon afschieten.
Aangespoord door de huidige feestvreugde nemen de Rotterdamse beleidsmakers nu zelfs de term «Rotterdam Plezierstad» in de mond, een begrip waarvoor men pakweg twintig jaar geleden nog linea recta zou zijn afgevoerd naar de eerste de beste Riagg-instelling. Het moet toch tot de verdiensten van Bram Peper, de getergde ex-burgemeester die na de onverkwikkelijke bonnetjesaffaire heeft beloofd nooit meer een stap te zullen zetten op de Lijnbaan, worden gerekend dat Rotterdam zich de laatste jaren heeft ontwikkeld tot een hedonistische pleisterplaats, met als hoofdstraat de zogeheten koopgoot, de onderaardse winkelstraat die fungeert als het Walhalla van de hedendaagse funshopper, die er zijn nieuwe panterleren zwembroek van Versace aanschaft om zich vervolgens de hele nacht te storten in een beach party in een van de vele partycentra die de stad heden rijk is en waar de erasmiaanse lof der zotheid een wel heel basale vertolking krijgt. Maar of de stad van de doeners daarmee ook gelijk een stad van denkers is geworden?