Bomen zonder stam

Samuel Vriezen
Vier zinnen
Wereldbibliotheek, 80 blz., € 15,90

Er is een verschil tussen Nederland en het beeld van Nederland elders, en dat geldt ook voor de literatuur. Zo heeft de wereldwijd meest vermaarde Nederlandse dichter hier te lande geen uitgever. Hij staat met geen enkel gedicht in Komrij. Tussen zijn buitenlandse tournees door publiceert hij zelf in Arnhem zijn boeken en brandt er zijn cd’s. Hij is klankdichter. Dat is in andere landen een in de literatuur opgenomen genre. Nabij Lille staat het instituut Polyfonix voor dergelijke poëzie. Onze klankdichter is een grootheid op dit gebied. Zijn naam is Jaap Blonk.

Dat Jaap Blonk in Nederland wel via de podia bekend is maar niet in de boekhandel heeft zekere implicaties voor de poëzie hier. Het internationale terrein dat Blonk met zijn gigantische kennis van de avant-garde ontsluit, dringt sporadisch door. In tijdschriften als Parmentier lijkt daar verandering in te komen, steeds meer jonge auteurs publiceren sterk afwijkende tekstvormen als poëzie. Een belangrijke gebeurtenis in die expressionistische tendens is de publicatie van Vier zinnen, het debuut van Samuel Vriezen.

Vriezen is componist en ontwerper van een strategisch kaartspel genaamd Expansion. Uit zijn muziek spreekt een fijngevoelige, licht briljante geest, met oog en oor voor internationale ontwikkelingen. Zijn bundel bestaat uit gewone Nederlandse woorden en er zit geen cd bij. De titel verwijst naar de vier afdelingen waar de bundel uit bestaat: iedere ‘zin’ is een gedicht van minstens tien pagina’s. Zo kent de openingsreeks Kromming veertien pagina’s van telkens twee lange strofen met wijd lopende regels. Het is vreemd dat die strofen zo makkelijk leesbaar en toch herleesbaar zijn. Politieke stellingen, filosofische ideeën, opmerkingen over geld en de wereld – het volgt elkaar allemaal vlot op en het ritme is uiterst stuwend. Dat lijkt meteen ook het thema van de serie: ‘Het ritme moet helder voor het op is’, staat er, en: ‘these: beleving is ritme.’ Vriezen jongleert op een aanstekelijke manier met taal. Al lijken zijn woorden associaties, het is niet zinloos en betekenisloos wat er staat: ‘ritme springt over van wolken en fietsers op letters en geld.’

De tweede serie, Gewrichten, heeft telkens een zinsdeel aan de linkerkantlijn en een zinsdeel dat inspringt en op het midden van de bladzijde begint. Dat doet even denken aan De zon van Arjen Duinker, maar deze maakt van die vorm een hilarisch vraag-en-antwoordspel voor twee stemmen. Bij Vriezen blijven de zinnen fragmenten; ze worden nergens doorlopende zinnen. Eerlijk gezegd heb ik het gevoel dat iets mij hier ontgaat. Het doet mij hoegenaamd niets: ‘mijn marktwerking/ slechts op papier haalbaar’ of: ‘helemaal lokaal/ fabricatie ingeving/ die iets doet om te denken/ uit tijd buiten doorgebracht’. De luttele pakkende zinnen als ‘Een bal ligt op een bergtop’ of ‘tast toe sla af sla toe tast af’ worden dan ook meteen verderop herhaald. Helaas is deze serie met zijn 28 pagina’s de langste uit het boek.

Het werken in een afwijkende vorm doet denken aan Rozalie Hirs en F. van Dixhoorn. Maar bij Van Dixhoorn is de hapering van iedere afbreking in zijn series altijd subtiel. Die subtiliteit mist Gewrichten. Het zal mij niet verbazen als daarbij opzet in het spel is.

De derde serie heeft Samuel Vriezen ingeruimd voor andermans werk. Het betreft een prachtige vertaling van het gedicht Les nuages van Christoph Tarkos. Vriezens interesse in Tarkos verbaast mij niet. De afwijkende vorm, een prozagedicht van tien pagina’s, zonder punten maar met witte tabs als spaties, moet hem aanspreken. En toch is de toon van Tarkos ook tegengesteld aan Vriezens werk en karakter. De wolken bestaat uit beschrijvingen van wolken, die overgaan in naakte bewegende kinderen en bomen zonder stam. Tarkos maakt van een wolkenlucht een bos. Dat doet hij op een bezwerende, herhalende, mantra-achtige manier, vol overgave. Tarkos schreef driftig: in 1998 publiceerde hij niet minder dan achthonderd pagina’s aan oorspronkelijk poëzie. Zijn droom was als autodidact midden in het Pantheon te staan en een gezelschap van hooggeleerde heren toe te spreken met een briljante rede, met pure poëzie. De achtergrond van de in Marseille geboren drop-out Tarkos, vroeg overleden als gevolg van een hersentumor, is tegengesteld aan die van Samuel Vriezen, die me eerder een hoogbegaafde student lijkt.

In de vierde en laatste serie van Vier zinnen, Steden tot de toekomst maakt Vriezen een kerstboom van veertien pagina’s. Waar de takken links en rechts breed staan, ontbreekt de stam: opnieuw fungeert een tab als spatie tussen twee zinsdelen. Die bieden hier wel degelijk leesvarianten voor het gedicht.

Vriezen zet met zijn debuut een deur open, naar zijn eigen dichterschap dat hiermee begint, en naar een brede internationale stroming. Hij toont meer dan alleen vormbeluste experimenteerdrift: hij heeft een stem. Wat vlak soms nog, maar de tomeloze energie en het opgeruimde gemoed klinken erin door: ‘deze flits/ lijkt eindelijk valt mee/ te werken.’

De publicatie van Vier zinnen is een goed teken. In ons land van kleinkunst, waar een van de beste klankdichters ter wereld weggezet dreigt te worden als variétéartiest, is het een en ander mogelijk. In toenemende mate. En dat stemt vrolijk.