Bomvergunning

Aan zijn thuisfront wordt Obama zwaar bekritiseerd door John McCain, Sarah Palin, Rush Limbaugh en hun club van ijzervreters, omdat in de Libische crisis Amerika het leiderschap zou hebben verloren. De president had zich onmiddellijk en daadwerkelijk solidair met de opstandelingen moeten verklaren. Maar door zijn terughoudendheid, zijn aarzeling, heeft de natie zich laten terugdringen naar de achterbank. Aan het stuur zitten nu president Sarkozy en premier Cameron met de Navo.

Laten de Amerikanen blij zijn. In Irak en Afghanistan moeten ze nog altijd doen alsof zij uiteindelijk de koers bepalen terwijl in werkelijkheid het land, door de oeverloze ambitie van Obama’s voorganger en diens geestverwanten, in een nog niet beëindigde catastrofe terecht is gekomen. Deze president heeft van George W. Bush geleerd. Hij heeft zijn morele en misschien ook materiële steun betuigd aan de revoluties in Tunesië en Egypte, zonder een spoor van militaire inmenging of het plan daartoe. Voorzover we het nu kunnen beoordelen zijn deze omwentelingen geslaagd. Wat zou er gebeurd zijn als de revolutionairen militaire hulp op de grond hadden gekregen? Ten eerste waren daardoor de verhoudingen ingewikkelder geworden, want revolutionair of niet, de Arabieren weigeren dergelijke steun uit het Westen te accepteren. En daarna was de grote vraag gekomen: hoe krijg je die soldaten weer naar huis, wanneer is het ogenblik gekomen? Dat is voor Irak en Afghanistan ook nog een onbeantwoorde vraag.
Libië is een ander probleem. De burgeroorlog daar maakt deel uit van wat we hier ‘de Arabische lente’ noemen, de grote omwenteling, begonnen door de nieuwe generaties die vrijheid, democratie en welvaart willen. Ook in Jemen, Bahrein, Syrië, Jordanië hebben de oude machthebbers en hun clans hun gezag definitief verloren. Er was al een moreel machtsvacuüm. Dat is een paar maanden geleden in Tunesië definitief ontdekt, waarna de moedigsten er met succes gebruik maakten. Ontdekking en succes werken aanstekelijk, de opstand is een vorm van besmetting die zich nu, kennelijk onstuitbaar, over de Arabische wereld uitbreidt.
Dat proces kan door buitenlandse interventies op z'n hoogst marginaal worden bevorderd. In Libië wordt dat door het Westen gedaan met het vliegverbod, nu aangevuld met de bombardeervergunning. Het recente verloop van de strijd laat zien dat daarmee het gewenste resultaat voorlopig dichterbij wordt gebracht. Maar tegelijkertijd is hiermee de grens van de westerse mogelijkheden bereikt. Iedere militaire inmenging op de grond zou contraproductief werken: de oude machten in de gelegenheid stellen hun oude argumenten weer te gebruiken. Het neokolonialisme steekt de kop op, daar komen de kruisvaarders weer. Enzovoort.
Het werkelijke belang voor het Westen ligt nu in het ontwerpen van een politiek jegens de nieuwe regimes in Tunesië en Egypte waardoor het de hele Arabische wereld duidelijk zal worden dat hier van een hang naar koloniale tijden geen sprake is, maar dat ook wij aan een vernieuwing toe zijn: dat we de verhoudingen met de democratisch gekozen regeringen op voet van gelijkwaardigheid willen schoeien. Ook dat is noodzakelijk. Onderschat niet het wantrouwen dat zich in de Arabische wereld tegen het Westen heeft gevestigd, omdat niets ons heeft belet met de vorige onderdrukkers zaken te doen of zelfs vriendschap te onderhouden. In zekere mate zal ook het Westen, in zijn buitenlandse politiek, schoon schip moeten maken.
Deze benadering roept nieuwe problemen op. De landen waar de revolutie voorlopig geslaagd is, hebben nog geen goed georganiseerde regering. Het zal enige tijd vergen voor daar een nieuwe orde vorm heeft gekregen. En intussen blijven we hartelijke betrekkingen houden met landen waar de revolutie wel broeit maar nog geen weerbare vorm heeft gekregen. Onze buitenlandse politiek heeft twee gezichten.
Daardoor moeten we ons op nog moeilijker vraagstukken voorbereiden. In Saoedi-Arabië, een van de belangrijkste olieleveranciers van het Westen en Amerika’s bondgenoot in de oorlog tegen Saddam Hoessein, heerst al jaren een prerevolutionaire situatie. Zoals ook in andere dictatoriaal geregeerde Arabische landen probeert het koningshuis hier de groeiende onrust met genereuze gebaren en veel geld te temmen. Maar we moeten ons erop voorbereid houden dat daar, in het slechtste geval, een toestand vergelijkbaar met die in Libië zal ontstaan.
Wat dan? Een nieuwe oliecrisis? Zullen westerse regeringen de druk van een laaiende binnenlandse woede kunnen weerstaan en in dit geval de Saoedi’s hun binnenlandse problemen zelf laten uitvechten? Of is er intussen in Washington een nieuw neoconservatief bewind aangetreden dat de Saoedi’s op eigen grondgebied mores wil leren? De risico’s die de Arabische lente met zich meebrengt, blijven niet tot het Midden-Oosten beperkt. In het Westen verlangen interventionisten naar een harder ingrijpen. Die tijd is voorbij. Tastend, met relatieve behoedzaamheid proberen we de revolutie te bevorderen. Dat is het enige waartoe we in staat zijn, en tot dusver is het redelijk gelukt.