De opkomst van de ecopsychologie

Bonding met moeder aarde

De westerse mens brengt 95 procent van zijn tijd door tussen muren. Daar wordt niet iedereen vrolijk van. Voor een beter gemoed zouden we vaker de natuur in moeten. Ecotherapie kan ons daarbij helpen.

DE FILM VAN Al Gore, An Inconvenient Truth, heeft een flink aantal mensen koude rillingen bezorgd. Je kunt je rot recyclen, maar is dat wel genoeg? Steeds meer mensen over de hele wereld lijden aan een vorm van eco-anxiety: het angstige gevoel dat de aarde kapotgaat en dat je daar als individu machteloos tegenover staat. In de Verenigde Staten heeft dit geleid tot de opkomst van de ecopsychologie, een nieuw onderzoeksveld dat psychologie en ecologie met elkaar verbindt.
Volgens Lorraine Fish, docente ecopsychologie aan Northland College in Wisconsin, gaat het niet alleen om de klimaatcrisis. Onze relatie met de natuur is volgens haar ook in allerlei andere opzichten flink beschadigd: dat veroorzaakt psychische problemen en maakt ons ongelukkig. ‘In de jaren vijftig waren mensen nog veel meer verbonden met de natuur. Volgens mij waren kinderen toen ook veel gelukkiger. Ze speelden urenlang buiten, terwijl de kinderen van nu alleen nog maar achter de computer zitten. Ze kennen alle Pokemonfiguurtjes uit hun hoofd, maar kunnen nog geen bever van een otter onderscheiden.’
Richard Louv, auteur van het boek Last Child in the Woods (2008), noemt de angst ‘nature deficit disorder’ en volgens hem lijden vooral veel kinderen in deze tijd eraan. Zij brengen hun zomers niet meer buiten door, maar achter computerschermen of op educatieve zomerkampen. ‘Kinderen zijn de natuur als een abstractie gaan zien en niet meer als een realiteit’, aldus Louv. Ze krijgen de natuur slechts voorgeschoteld als een probleem en niet als een onderdeel van henzelf. Hun ouders houden hen liever weg van modder, zand of andere viezigheid, omdat ze panisch zijn voor bacteriën.
Ook geestelijk kunnen kinderen, én volwassenen, lijden aan dit gebrek aan natuur in hun leven. De beroemde bioloog Edward O. Wilson beschreef in zijn boek Biophilia (1986) uitgebreid de liefde voor natuur die bij ons is ingebouwd. Wanneer de banden met de natuur worden doorgesneden, slaat die liefde om in angst: biofobie. Stadsmensen zouden hier vaak aan lijden. Misschien waarderen ze natuurlijk schoon wel tijdens hun vakanties, maar tegelijkertijd zijn ze bang voor wilde beesten, slangen, spinnen en andere insecten. ‘Veel van deze angsten zijn niet gegrond’, zegt Lorraine Fish, ‘maar worden veroorzaakt door onwetendheid en een bepaalde ongemakkelijkheid om te verblijven in de natuur.’
Ecopsychologie, het onderzoeksveld dat zich bezighoudt met de relatie tussen mens en natuur, wordt aan verschillende universiteiten in de Verenigde Staten, waaronder Harvard Medical School, onderwezen. Hoewel het onderzoeksgebied nog relatief jong is, groeit de interesse. Op de website van de International Community for Ecopsychology worden meer dan 120 therapeuten genoemd die zich erin hebben gespecialiseerd. In het begin was er vooral veel interesse aan de westkust van de Verenigde Staten, van oorsprong het groene hart van de ‘geitenwollensokken’ van Amerika. Maar inmiddels is er ook aan de oostkust een flink aantal therapeuten gespecialiseerd in ecotherapie.

IN ECOTHERAPIE wordt geprobeerd de band tussen het individu en de natuur te verbeteren. Ecotherapeuten gebruiken daarvoor een breed scala aan methoden. Zo worden aan de westkust van de Verenigde Staten verschillende expedities, zogenoemde wilderness rites, georganiseerd, waar men onder begeleiding de woestijn of de canyons intrekt en leert om te ‘bonden’ met de aarde. Mike Cohen, oprichter van Project Nature Connect en auteur van verschillende boeken over ecopyschologie, organiseert al sinds de jaren zestig natuurwandelingen. ‘We brengen 95 procent van onze tijd binnenshuis door; 99 procent van onze gedachten zijn niet gerelateerd aan de natuur. Daarom zijn we de natuurlijke zintuigen verloren waar we als baby mee geboren zijn. We leren in ons leven allerlei dingen aan te nemen die in feite tegen onze intuïtie ingaan. Het verlies van die intuïtie uit zich in stress, overdaad, hebzucht en depressie. Ik probeer mensen te helpen om hun natuurlijke zintuigen terug te vinden.’
Niet alle therapeuten trekken de wildernis in. Die blijven dichter bij huis, maar organiseren hun therapiesessies wel in de buitenlucht. Belangrijk is altijd, zo benadrukt Linda Buzzell, oprichter van de Internationale Vereniging voor Ecotherapie, dat de menselijke natuur zelf niet wordt ontkend. ‘Het gaat niet alleen om het bos, maar ook om het feit dat mensen een groot deel van hun tijd alleen doorbrengen: dat is tegen de menselijke natuur. We zijn geëvolueerd tot kuddedieren en we hebben dus behoefte aan contact met andere mensen. Het ontkennen daarvan maakt mensen ongelukkig.’ Buzzell laat haar cliënten daarom vaak in een dagboek bijhouden hoeveel tijd ze binnen of buiten doorbrengen, zittend of in beweging, maar ook hoeveel tijd ze per dag kijken naar een computerscherm en hoeveel tijd naar andere mensen. En ten slotte is een belangrijk onderdeel van ecotherapie de behandeling van hyperconsumentisme. ‘We behandelen dat als een serieuze verslaving waarvan men moet genezen. Mensen blijken werkelijk gelukkiger te worden als ze eenvoudiger gaan leven en minder consumeren’, aldus Buzzell.
Ook ecologische zorg voor het milieu bevordert het herstel; eco-anxiety wordt ermee voor een deel weggenomen en de band met de natuur wordt verbeterd. Critici pleiten echter voor terughoudendheid: ecotherapeuten zouden voorzichtig moeten zijn met het stellen van hun diagnoses. Misschien worden bepaalde stoornissen wel niet als zodanig herkend, maar direct in de categorie ‘eco-anxiety’ gestopt. ‘Als een patiënt een gegeneraliseerde angststoornis heeft, zal hij of zij zich overal zorgen om maken. Zorgen over de opwarming van de aarde zijn dan slechts een onderdeel van een meer algemene stoornis’, zegt Scott O. Lilienfeld, hoogleraar psychologie aan Emory University.
Lorraine Fish, praktiserend ecotherapeute met jarenlange ervaring als ‘gewone’ psychotherapeut, heeft dit probleem naar eigen zeggen nooit in eigen praktijk aan de hand gehad. ‘Het is eerder andersom’, stelt zij, ‘dat in de “gewone” psychotherapie de eco-anxiety eigenlijk niet serieus wordt genomen en direct wordt gerelateerd aan allerlei problemen uit de jeugd of in de relatie. Terwijl het toch eigenlijk heel normaal is dat je je zorgen maakt na het zien van An Inconvenient Truth?’ Die angst moet volgens Fish juist niet worden afgedaan met een diagnose uit de algemene psychotherapie. ‘Ecotherapeuten kijken niet alleen naar het individu of het gezin, maar trekken die cirkel nog breder, naar het ecosysteem waarin het individu zich beweegt. Het is een extra dimensie die we toevoegen aan de bestaande psychologie.’

OOK IN Nederland begint belangstelling voor ecopsychologie te ontstaan. ‘Ik voel me echt een pionier hier’, vertelt Ernya Hilton, oprichter van coachingpraktijk Realeyezation in Zoetermeer, waar zij onder andere de cursus Natuur als professional geeft. Haar ecopsychologische opleiding volgde ze in de Verenigde Staten, omdat er in Nederland nog maar weinig voorhanden is op dit gebied. ‘In Nederland is er vooral interesse voor ecopyschologie vanuit de meer esoterische en paranormale hoek. Dat maakt het erg zweverig, waardoor de meeste nuchtere Nederlanders zich ervan afkeren.’
Een ander probleem, vertelt Hilton, is dat men geld ruikt. ‘Er valt te verdienen aan ecotherapie, dus springen ook volstrekt incapabele mensen er bovenop.’ Spijtig, want haar cliënten zijn volgens haar enorm gebaat bij ecotherapie. ‘Iedereen voelt wel aan dat het goed is om in de buitenlucht te zijn. Zelfs langdurig zieke werknemers wordt door arbodiensten wel aangeraden elke dag een half uur buiten te wandelen. Dat is natuurlijk niet voor niets.’
Inderdaad wijzen bepaalde onderzoeken op een verband tussen groen en gezondheid. Zo kan een natuurwandeling helpen een depressie te bestrijden en zelfvertrouwen te herstellen, blijkt uit een onderzoek van de Universiteit van Essex (2007). Ook blijkt dat leven in een groene woonomgeving mensen gezonder maakt: ze bezoeken minder vaak de huisarts voor bijvoorbeeld depressie, diabetes, COPD en duizeligheid, zo blijkt uit het onderzoek van Jolanda Maas, die in februari aan de Universiteit Utrecht promoveerde op een onderzoek naar ‘vitamine g’.
Naar de effecten van ecotherapie is evenwel nog relatief weinig onderzoek gedaan, ook in de Verenigde Staten. ‘Er zijn veel nieuwe en razend interessante ideeën op dit gebied, maar ik ben niet bekend met onderzoek dat werkelijk sluitend bewijst dat deze aanpak patiënten helpt’, aldus Scott Lilienfeld. ‘Bovendien is er een gevoelige grens tussen therapie en activisme, en psychotherapeuten moeten die grens niet overschrijden, zelfs als je ervan uitgaat dat de opwarming van de aarde volledig te wijten is aan menselijk gedrag.’
De Amerikaanse Psychologie Vereniging wijst deze nieuwe tak van de psychologie niet af, maar neemt een afwachtende houding aan. ‘Het is een onderzoeksterrein in opkomst en we houden het zeker in de gaten’, zegt Kim Mills, een woordvoerster van de organisatie. De vraag of ecotherapie ons werkelijk kan helpen om onze relatie met moeder aarde te herstellen, blijft dus nog onbeantwoord.
Daarbij kun je je afvragen hoe nieuw de ecopsychologische inzichten zijn. In de westerse wereld zijn we al veel langer geneigd om de mens los te zien van de natuur, en al vaker in het verleden hebben mensen hun zorgen geuit over snelle technologische ontwikkelingen en de gevolgen hiervan voor mens en natuur, of dit nu de komst van de stoommachine was of de computer. Angst voor en kritiek op de vernietiging van de natuur ging bovendien altijd gepaard met een gevoel van nostalgie – een terugverlangen naar het verleden, toen alles beter en vooral ‘natuurlijker’ was – geïnspireerd op Jean-Jacques Rousseau. Rousseau geloofde dat mensen in een ver verleden in vrede met elkaar leefden. Ze sloten echter een sociaal contract en leerden de natuur te overtreffen met hulpmiddelen, taal en denken, waardoor sociale ongelijkheid ontstond en een kunstmatig en onnatuurlijk leven.
Tegenwoordig verlangt men terug naar de jaren vijftig, toen we nog fijn buiten speelden met onze vriendjes, niet gekluisterd zaten aan een beeldscherm en geluk nog heel gewoon was. Maar kenmerkten die jaren vijftig zich niet ook door een verstikkende gemeenschap en intolerantie voor een ieder die zich niet conformeerde aan de burgerlijke norm? Waren we echt zoveel gelukkiger?
Veel ecopschologen zullen erkennen dat hun nostalgie vaak algemener van aard is, maar tegelijk zullen ze benadrukken dat de vervreemding van de natuur voortschrijdt en ons steeds banger en depressiever maakt. Het verlangen naar een pure, ongerepte natuur is volgens hen in feite altijd blijven bestaan. De angst voor de gevolgen van de vernietiging van de aarde en de teloorgang van de menselijke natuur is nooit verdwenen en laait nu, onder andere door de klimaatcrisis, des te heviger weer op.