Bonje trappen

Wat weet ik eigenijk van de politieke denkbeelden van Shakespeare?

Ik heb jaren geleden een biografie van hem gelezen en daarvan herinner ik me alleen dat zijn vader een succesvol ondernemer was en een handschoenenfabriek had en dat The Bard zelf eveneens het ondernemerschap niet schuwde en op een gegeven moment een van de grootste huizen in Stratford bezat. Over het geloof van Shakespeare is altijd veel te doen geweest. Hij zou een recusant zijn geweest. Dat waren katholieken die niets moesten hebben van de Anglicaanse kerk. Zo beweerde men dat King Lear een antikatholieke strekking zou hebben, maar waar die uit bestond, ben ik vergeten.

Kortom: wat Shakespeare’s mens- en levensbeschouwing is, ben ik vergeten en weet ook niemand precies. Hetzelfde geldt voor een andere schrijver en dichter die ik bewonder: Petrarca. Ik heb geen idee hoe hij in de wereld stond. Petrarca wordt wel de eerste humanist genoemd omdat hij zo mooi op de mens kon reflecteren, maar ik heb dat altijd wat vreemd gevonden. Althans, een niet ter zake doende karakterisering van zijn persoonlijkheid en werk.

Ik schrijf dit omdat ik boos ben en niet goed weet wat ik met mijn boosheid moet.

Ik zal het uitleggen. Ik bevond mij in een boekhandel en had een boekje over Petrarca en over Shakespeare uit de kasten geplukt, toen ik mijn oren spitste nadat mijn naam was gevallen. Terwijl ik uitstekend speelde dat ik niet nieuwsgierig was, hoorde ik opeens een verkoper zeggen: ‘Ik vind hem een lul. Ik vind zijn stukjes verschrikkelijk en hem ook.’

Van de weeromstuit begon ik mij te schamen – ik kan dat van mezelf niet goed verklaren –, wat gelukkig direct gevolgd werd door allerlei wraakfantasieën. Ik zou bonje trappen in de winkel, ik zou ze uitschelden, dan zou ik naar huis gaan en een vernietigende column schrijven! Voor die gedachten schaamde ik me trouwens ook. Tegelijkertijd stond ik voor een dilemma. De boekjes van Shakespeare en Petrarca die ik had gevonden, had ik om verschillende redenen echt nodig. (Ik had ze beloofd aan iemand die jarig was.)

Ik deed dus niks. Ik zette mijn breedste glimlach op en liep naar de kassa, de plek waar ik zo onheus was bejegend.

Ik wist waarom men mij ‘een lul’ vond

Voor onszelf opkomen heeft mijn familie al generaties lang nagelaten.

De vraag: buigen of barsten, beantwoorden wij met een beetje buigen tot we geslagen worden, en dan meer buigen. Selectieve doofheid beschouwen wij als een vorm van beschaving.

Buiten voelde ik mij beroerd.

Ik wist waarom men mij ‘een lul’ vond; ik schijn columns te schrijven die zich nogal ‘rechts’ van het politieke midden bevinden. Dit was een moment, zo besefte ik, waarop ik nog verder zou kunnen radicaliseren. Tegenstanders van mij zouden nu met recht kunnen roepen: ‘En zo voelen al die mensen’ – moslims bedoelen ze – ‘die jij beledigt zich nu ook.’ Behalve dat ik vind dat ik dat niet doe – ik ridiculiseer godsdienst en de denkbeelden die daaruit voortvloeien – is er toch ook iets anders: ik zou nooit naar onderen trappen. Altijd naar boven.

Ik trok me de fluisteringen in de boekhandel toch aan en moest me er overheen zien te zetten.

Mijn karige wraak is deze column. Maar ook het besef dat na verloop van tijd niemand meer weet wat precies iemands opvattingen waren. Hoe vaak wisselde Churchill van links naar rechts, of wisselde hij helemaal niet? Wat dacht Sartre nu precies? Was hij niet fout in de oorlog? Net als Simone de Beauvoir? Werden zij geen communisten? Wat stemde W.F. Hermans? VVD of PSP? En hoe dacht Gerard Reve politiek? En zijn broer Karel?

Een teken van de verwarring van deze tijd is dat men iemands vermoede moraliteit onderdeel laat zijn van de beoordeling van zijn kunst.