Televisie

Bonobo’s

Televisie: Zomergasten

Dat Joris Luyendijk geen talent voor polemiek heeft, valt moeilijk vol te houden, gezien zijn terugblik op het correspondentschap in het Midden-Oosten: Het zijn net mensen. Wie al sceptisch was over wat van «onze man/vrouw in Bagdad, Jeruzalem, Beiroet» verwacht mag worden, verliest door dat boek nog heel wat illusies. De beperkingen van de journalistiek, van televisie in het bijzonder, worden scherp blootgelegd. Ook fel bleek Luyendijk in een weblog over de schrijvende pers, toen die zich op hem stortte na uitverkiezing tot Zomergastheer: tientallen media met dezelfde onoriginele vragen, vooral over het privé-leven. Maar deze strijdbare jongen leek in zijn nieuwe presentatorfunctie de harmoniezoeker zelve. Naar eigen zeggen verkiest hij de vriendelijke bonobobenadering boven de confronterende van de chimpansee. Het gesprek met Jeltje van Nieuwenhoven had iets braaf kabbelends, neefje op bezoek bij tante. Het verrassendste fragment (jonge Jelt achter het stuur van de rijdende bibliotheek) bleek een juweel als bron over de tijd dat God nog in Jorwerd woonde. De Van Lieshout-avond was uiteraard spannender, door het domein waarin die kunstenaar werkt en door zijn werk en interesses. Wie politiek en politica volgt, vond bij Jeltje herkenning en bevestiging. De wereld van Van Lieshout komt op de tv zelden aan bod. En leverde legio onbekends en verwarrends. De gastheer was duidelijk meer op zijn gemak, door gewenning, maar ook door jongens-onder-elkaar, neefje met malle neefje – hoezeer ze ook van smaak en benadering verschillen.

Helemaal kritiekloos was Luyendijk die eerste twee keer toch niet. Beleefd plaatste hij tegenwerpingen. Over Wim Kok praatte Van Nieuwenhoven duidelijk als politica, Luyendijk als journalist. In het overrulen door de premier van Karin Adelmund (te zien in een fragment) bleef hij weigeren seksisme te zien. En Jeltjes behandeling door de pvda bleef hij te gek voor woorden vinden, waar zij suste en toedekte. Ook tegenover Van Lieshout toonde hij scepsis: diens morele verontwaardiging over aantasting van artistieke vrijheid door domme overheden vond hij niet geloofwaardig, gezien het plezier en het profijt dat Joep van dat soort rellen heeft. Maar opwindend werd het ook dit keer niet, mede doordat de gast wegdook als het spannend werd. En weinig taal ter beschikking had over de kunstwerken, die immers «zelf communiceren».

En toen kwam Leon de Winter, die, zelf ook aangeslagen, Joris aan het eind een «man, ik ben kapot» ontlokte. Polemisch had De Winter zijn artistieke credo op tafel gelegd door te beginnen met een songtekst van Bløf: onschuld en zuiverheid, emotie en overgave die in serieuze kunst te veel ontbreken (oftewel sentimentaliteit mag). Maar de uitputting van de presentator kwam vooral voort uit meningsverschillen over wereldpolitiek, Midden-Oosten, de toon van het islamdebat. En zijn kennelijke voornemen iets van de chimpansee mee te laten doen op die terreinen waarover hij anders en deels beter geïnformeerd is. Dat leverde hem de beschuldiging van «doorzagen» op. Waar tegenover hij, toch bonobo, zijn ontdekking stelde dat De Winter een «ironische en kwetsbare man» is. Verrassend einde van een avond waarop Luyendijk een filmfragment over Afghaanse meisjes «koloniaal» had genoemd, De Winter had gevraagd hoeveel geld hij dan wel voor die meisjes had overgemaakt en herhaaldelijk verbijstering had geuit over het feit dat De Winter al zijn breed geventileerde kennis over het Midden-Oosten ontleent aan krant en internet, terwijl de klm toch dagelijks op die bestemmingen vliegt. Een krachtmeting kortom. Wat gezien deze spelers niet anders kon. Maar wat geen must is voor Zomergasten. Dat moet blijven. Al dan niet met Luyendijk, die ik als schrijver hoger acht.