Boon

Vanaf de bushalte al zag ik de slager in de richting van een zuinige zuigeling met lapje leverworst tussen de vingers als een gargouille over zijn toonbank hangen. Aarzelde ik? Ja. Wist ik waarom? Ook ja.

Zelfs toen ik via paardensprong over de middenweg bij hem was aangekomen liet ik enkele mensen met meer uitgesproken behoeften voorgaan. Won daarna opnieuw tijd door te vragen of zo'n lamspoot ook in lamsflikken kon worden gezaagd. Maar daar ving ik bot. Dat zou maar splinters veroorzaken. Gespleten, maar niet meer dan in tweeën stuitte niet op enig overwegend bezwaar.
Liep ik daar weer met mijn lamspoot.
Dat het ditmaal heel erg ter ere van bonen was, kan je nauwelijks een excuus noemen. Gewone bonen in een vreemde stad. Vreemde bonen in een gewone stad. Bonen, boonde, geboond.
De meeste mensen doen veel moeite er niet voor uit te komen dat ze bonen lekker vinden. Van die typen moet ik het vandaag niet hebben.
Het bruin gerande vlees, overgoten met de witte wijn. Altijd witte wijn en versierd met laurierblad en schaarse teen knoflook, het grove zout en de niet minder fijne zwarte peper.
Snuif honing en anders niets. De vlam zo hoog dat een gezonde bruis ontstaat.
Dat vlees dat wordt wel gaar, valt van het bot en anders een handje helpen.
Maar gare bonen, zelfs van je lievelingskleur, dat is makkelijk en moeilijk tegelijk. Ook hier helpt vallen en opstaan. Zelfs dan, want met vlees en bonen, hoe aantrekkelijk ook, ben je er nog niet. Je hebt er een paraplu bij nodig. Bonen zonder tomaat, dat is niks. Tomaat met peterselie, dat is al beter. Peterselie met ui, dan ben je er. Je bakt ze samen in een hun heel eigen pan en spant het o zo zachte resultaat als een vangnet om bonen en scherven lamspoot heen.
Wie dat niet helemaal opeet, wee zijn geboonte.