Boos

Ik zou een workshop ‘Poëzie lezen voor beginners’ geven, in een klein zaaltje in een bibliotheek. Het was de bedoeling dat ik wat gedichten naar keuze zou voorleggen aan de mensen die zich ingeschreven hadden. ‘Heel laagdrempelig hoor’, had de meneer van de organisatie gezegd. ‘We willen natuurlijk niemand afschrikken.’ Omdat ik zelf eigenlijk net zo min in laagdrempeligheid als in afschrikwekkende poëzie geloof had ik nogal uiteenlopende dichters geselecteerd. In het zaaltje, waar het sterk naar koffie en nieuwe vloer­bedekking rook, zaten zes vrouwen en één boos kijkende man op me te wachten. Ik liep rond om handen te schudden. De vrouwen waren allemaal in de vijftig en heetten ‘Annet’, ‘Coby’ of ‘Ineke’. Gezellige, degelijke namen die ik juist daarom direct weer vergat. De boos kijkende man kneep mijn hand bijna fijn en sprak zijn naam nadrukkelijk uit als ‘tjarllls’. Ik ging zitten en haalde een stapel gedichten te voorschijn. Toen ik mijn keuze voor Achterberg kort wilde toelichten werd ik onderbroken. ‘We gaan dus niet uit eigen werk voordragen?’ vroeg Charles. Ik keek hem aan. Hij zag er nu nog bozer uit dan zojuist. ‘Nou’, zei ik. ‘Eigenlijk niet.’ Een van de vrouwen zei haastig dat ze juist gekomen was om over echte poëzie te praten. Niet om haar eigen gedichten voor te lezen. Trouwens, zo had het toch ook op de website van de bibliotheek gestaan? Charles sloeg zijn armen over elkaar. ‘Mij best’, zei hij. ‘Maar ik heb ook echte poëzie geschreven.’ De vrouw die naast hem zat, ik geloof dat het Coby was, begon nerveus te giechelen. ‘Over de dood’, zei Charles. Het bleef even stil in het zaaltje, alleen de thermoskan met koffie pruttelde zacht. Iedereen keek naar mij. ‘Misschien’, zei ik voorzichtig, ‘is daar na afloop nog tijd voor?’ Er werd instemmend gemompeld. Charles maakte een handgebaar dat ‘ook goed’ moest betekenen, al keek hij nog steeds boos. Opgelucht begon ik Achterberg uit te delen. ‘Na afloop is er tijd voor de dood’, hoorde ik Charles tegen zijn buurvrouw zeggen. ‘Dat schrijf ik straks even op.’ Hij zuchtte diep. ‘Mooi hè, poëzie?’