Vertalen

Boos is niet sjiek

Zet een paar vertalers bij elkaar en ze klagen, bij voorkeur over geld.
Daar hebben ze op zich gelijk in. Zo vraag ik me af waarom vertalers geen oplopende royalty krijgen. Twee procent bij vijfduizend verkoop, en dan oplopend tot vijftien procent. Zo is dat bij schrijvers ook, en zeker als het gaat om al lang dode vertaalde schrijvers moeten de kosten laag genoeg zijn om zo'n oplopende royalty te rechtvaardigen.
Denk niet dat het een kwestie is van met de vuist op tafel slaan. Toen ik eens bij mijn uitgever van Don Quichot een balletje opgooide zei hij ‘nee’. Klaar. Ik neem mezelf mijn schaapachtige lachje nog kwalijk. Er zijn vast flinkere types die zoiets wel voor elkaar krijgen. Nu heb ik in verhouding niet te klagen over erkenning of geld, en het ego wordt soms flink opgevijzeld tijdens een lezing of symposium. Het beroep lijkt dan ineens een vanzelfsprekende glans te hebben, ook in de ogen van anderen. Je fabuleert er vrolijk op los, want er is gehoor. Dat is prettig voor een keer, en over geld begin ik nooit, behalve misschien in de wandelgangen over dat mooie beurzenstelsel van ons, al moet je anderen niet de ogen uitsteken.
Het mooiste festival dat ik als vertaler heb meegemaakt, is het World Voices Festival in New York. Lachen met Atwood, Auster horen giechelen, statements horen debiteren alsof ze er toe doen. Het publiek staat er rijendik voor de deur. Er was een hommage aan Cervantes, ik hield een lezing, en een andere schrijfster/vertaalster die dat deed was Edith Grossman. Háár Don Quichot was net uit, ze had de blossen van plezier nog op de wangen. Harold Bloom zou haar later de Glenn Gould onder de vertalers noemen. De grappigste, gedeelde veer op hoed die ik ooit kreeg kwam van Maarten Asscher, die schreef dat ik, mét August Willemsen, zonder meer recht had op een zetel in de Eerste Kamer.
Zojuist heeft dezelfde Edith Grossman het spits afgebeten in een nieuwe reeks van Yale University, Why X Matters (Waarom X ertoe doet). Die X kan voor van alles staan, maar bij Grossman staat hij voor 'translation’. Daar gaat het dan ook over, in de breedste zin.
Ik lees de eerste besprekingen en moet vaststellen dat Grossman misschien is getrapt in de val die vertalers kennelijk altijd feilloos weten te vinden: ze is boos. De besprekers zijn lovend over haar vertaalverhalen, maar weten geen raad met haar wrokkige toon. Zo noemt ze de kritiek 'het tweehoofdige monster’, gemaakt van 'amateurisme en dilettantisme’. Hoe gelijk ze ook mag hebben, ze is hinderlijk moralistisch, luidt de kritiek op haar essaybundel. Inhoudelijk zijn, best, maar de vorm wil ook wat.
Toch is het nogal wat waar ze mee komt, bijvoorbeeld als ze stelt dat het te gek is dat maar drie procent van de uitgegeven boeken in de Verenigde Staten vertalingen betreft. Het is inmiddels een geliefkoosd onderwerp voor sociologen en andere wetenschappers. In de VS vroeg de PEN onder leiding van Salman Rushdie al jaren geleden om aandacht voor dat idioot lage percentage.
Maar zie, in zijn bespreking van Why Translation Matters in het blad van Athenaeum Boekhandel denkt Frank Ligtvoet er anders over. Ook hij laakt de 'gefrustreerde’ toon en komt op het punt van de weinige vertalingen in de VS met een tegenwerping. 'Ze schrijft’, aldus Ligtvoet, 'niet over het bijzondere feit dat kolonisatie, immigratie en economisch imperialisme de Angelsaksische literatuur een kosmopolitische diversiteit zonder weerga hebben opgeleverd, die de behoefte aan vertalingen en vertalers in geletterde kringen wellicht minder groot maakt.’
En in ongeletterde kringen dus nog minder groot. Straks hebben ook wij zoveel multiculti in huis dat ook hier de wereld wel ongeveer intern vertegenwoordigd is. Dan houden ook wij op met vertalen.
En als de Homerus of Cervantes of Tsjechov van dan eens niet in Nederland woont?
'Ach’, zegt een collega, 'misschien moet je niet over vertalen praten; wat je ook zegt, het tegendeel is ook altijd waar. Het beste is zorgen dat je meer geld krijgt.’ Maar waren we niet ook een beetje cultureel ambassadeur, close readers bij uitstek, specimina van het helaas uitstervende ras van filologen?
Grossman noemt zichzelf in haar boek tweede schrijver naast de schrijver; dat ziet Ligtvoet terecht anders. De vertaler is niet een tweede schrijver, maar een herschrijver, vertolker, verrader voor mijn part, goochelaar.
Ik noemde me ooit Mevrouw Cervantes, per slot woonde ik in dat andere hoofd, of ook wel Co, de Co van Cervantes en Co. Aan de nevenschikking 'Cervantes en Van de Pol’ heb ik nooit gedacht, dat klinkt parasitair. Compositie 'Bach en Koopman’? Mocht Koopman willen. Maar al is boos niet sjiek, je moet Grossman wel willen begrijpen. Ik hoop dat ze met haar boosheid, hoe onsjiek ook, iets losmaakt.