De ondergang van de Batavia

Bootje bouwen

De Batavia voer in 1629 te pletter op een rif ten westen van Australië. In 1985 besloot de bevlogen scheepsbouwer Willem Vos het VOC-schip na te bouwen. Opnieuw sloeg in Australië het noodlot toe. Reconstructie van een tot tweemaal toe «ongeluckige voyagie».

In 1985 was Willem Vos naar Denemarken gereisd en had in een bos een paar bomen uitgezocht. «We kochten vier mooie stammen op Wedelsborch en een paar zware krommers in de buurt van Monsklint», schrijft Vos in De bouw van de Batavia (AO-reeks, 2000), zijn herinneringen aan het project dat ruim twintig jaar van zijn leven vergde. Enkele maanden later werd het hout bezorgd op een modderig terrein aan de Oostvaardersdijk te Lelystad, met uitzicht over het IJsselmeer en de Houtribsluizen. Het was Lelystad geworden omdat geen enkele andere gemeente hem met zijn plan had willen omarmen. Eerst had hij Amsterdam geprobeerd. «Geen antwoord op mijn brief», noteerde hij, «niet eens een telefoontje; arrogantie van de ergste soort.» Toen ook andere gemeenten de wat woest ogende Vos — met z'n kapitein Iglo-baard leek hij rechtstreeks uit de zeventiende eeuw overgeflitst — in de kou lieten staan, had hij serieus overwogen van het megalomane project af te zien: «Maar het veroorzaakte ook een soort onverzettelijkheid. Ik laat me niet door een stelletje ambtenaren uit het veld slaan.»

In Lelystad had men er wel oren naar. Afgezien van Het Nieuwe Land-museum, dat in 1987 zou afbranden, was er op cultuur-historisch terrein in de provinciehoofdstad niets te beleven. Vanwege de artikel-12-status die het armlastige Lelystad ten deel was gevallen — hoge werkloosheid, lage sociale groepen en een toenemend floreren van het dichter bij Amsterdam gelegen Almere — kon Willem Vos echter geen geld in het vooruitzicht worden gesteld. Toen hij een sponsor had gevonden, ging hij bij toenmalig burgemeester Hans Gruijters op audiëntie. De burgervader zegde Vos het drassige perceel toe, inclusief een elektriciteitssnoer en een toegangsweg erheen. «En dat was dat, geen gulden meer», schreef Vos. Toch was hij dankbaar. Op het gemeentehuis hield hij een toespraak waarin hij de lijfspreuk van Johan Pietersz. Coen aanhaalde: «Dispereert Niet».

Met een paar vrienden, onder wie houthandelaar Tjeerd Faber, zoon Jan en vrouw Mada, ging Willem Vos na aanlevering van het hout van start. «Tjeerd zaagde de stukken, de kiel viel prachtig. In een van de voorste stukken vielen een paar kwasten open. Ik bestemde het stuk voor het boveneind van de voorsteven, ik schatte dat ze later werden afgedekt door de knieën van het galjoen. Zo moest je omgaan met het hout: woekeren met de mogelijkheden.»

Al jaren had Vos gespeeld met het idee een VOC-schip na te bouwen. Begin jaren tachtig had hij in De Telegraaf gelezen dat Paul Verhoeven een film wilde maken over de Batavia en het onheil dat haar overkwam. De film ging niet door, maar het idee liet hem niet los.

De Batavia was op 29 oktober 1628 onder leiding van commandeur Fransisco Pelsaert en schipper Adriaen Jacobszoon met ruim driehonderd opvarenden de haven van Texel uitgevaren. Na Kaap de Goede Hoop werd al te lang een oostwaartse koers aangehouden. In Batavia, de terugkeer van een retourschip (SDU-uitgeverij, 1991) staat «de ongeluckige voyagie» nauwkeurig beschreven: «De gevaarlijke riffen voor de kust van het Zuidlandt, waar iedere schipper voor beducht moest zijn, waren volgens Adriaen Jacobszoon nog ver weg. Het oplichtende schuim in de verte hield hij dan ook voor een weerkaatsing van het maanlicht. Nog voordat hij zou worden afgelost, rukte echter een enorme klap alle opvarenden uit hun slaap.» Op twee nabijgelegen eilanden trachtten de niet-verdronkenen te overleven, maar door muiterij en voedseltekorten stierven zij bij bosjes. Uiteindelijk keerden slechts 68 opvarenden naar het vaderland terug. Het wrak werd in 1963 bij de Wallabi-eilandengroep ten westen van Australië teruggevonden. Kanonnen, handelswaar en een hoeveelheid stenen ten behoeve van een te Batavia (Jakarta) te bouwen stadspoort werden opgedoken. Op de eilanden werden door bijlslagen gebutste schedels gevonden. «Het zou de Batavia worden», noteerde Willem Vos. «Een puur Hollands schip, uit de glorietijd van onze geschiedenis.»

Om iets van de constructie te begrijpen, verslond Vos allerlei scheepsbouwtechnische lectuur. Met name de boeken van Nicolaas Witsen en Cornelis van IJk verschaften hem helderheid. Met de constructie zwevend voor zijn geestesoog («in gedachten liep ik in zeventiende-eeuwse vaartuigen rond») vorderde de bouw gestaag. De voorsteven was opgericht, het grootspant werd geplaatst. Er werd begonnen aan de achterspiegel. Geld was er nauwelijks. Vos leefde in die dagen van een uitkering. Zijn vrouw verdiende bij als bejaardenwasser. Het leven op het kale terrein viel het gezin Vos zwaar. Ze aten en sliepen op de Prins Willem, een restaurantschip dat schuin tegenover de werf lag afgemeerd. Na een tijdje kreeg het gezin een als woning in te richten bouwkeet aangeboden. Dat eerste jaar werd een «sobere kerst» gevierd.

Er was grote behoefte aan werkkrachten. Vos kwam op het idee jongeren te ronselen die vroegtijdig de school hadden verlaten. Zoon Jan was zo'n jongere: «Jan had moeite met de schoolbanken en werkte al vanaf zijn veertiende jaar. De baas waar hij toen werkte had weinig overwicht op zijn oudere werknemers, die een loopje met hem namen. De frustraties reageerde hij op Jan af. Vernederende scheldpartijen, dreigen met geweld en smijten met stukken hout. Op een dag kwam Jan thuis met de mededeling dat hij nooit meer ging werken.» Behalve de boot van zijn vader, daaraan wilde Jan wel meewerken. Vos vond meer jongens zoals Jan en besloot van de Batavia-werf een scholingsproject te maken. Jan kreeg een leidinggevende functie.

Willem Vos kon het goed vinden met de jongeren van het scholingsproject en met de schare vrijwilligers, onder wie «drie Surinaamse jongens», die zich spontaan hadden aangemeld. De krachten sliepen aan boord van de Prins Willem. Iedere ochtend maakte Vos ze wakker: «Met een houten hamer bonkten we voorzichtig tegen een nagel in de scheepshuid. Dat klonk door het hele schip. Tijdens de dooi zakte ik op een ochtend naast de scheepshuid door het ijs. Ik dacht dat niemand het had gehoord en dat ik ongezien terug kon gaan naar de keet, maar binnen tien tellen stond de ploeg aan dek om de ouwe Vos te redden, die op dat moment met een nat pak tegen de keienglooiing opklauterde. Wat hebben ze gelachen, de deugnieten.» Daarna was het stevig ontbijten en hard aan het werk.

Het aantal spanten op de kiel groeide. Op velerlei manieren probeerde Vos geld binnen te halen. Hij organiseerde een loterij, stuurde bedelbrieven rond en benaderde bedrijven. Nadat prins Claus op bezoek was geweest, kwamen er investeerders. NedLloyd deed de stichting, waarin Vos de boel had ondergebracht, acht miljoen toekomen. Er was ook tegenslag: een van de leerlingen pleegde zelfmoord. «Soms denk ik: Cor, lieve jongen, had toch nog even geduld gehad, dan had je in het succes kunnen delen», noteerde Vos. «Cor liet zijn bezittingen na aan de Bataviawerf, maar ook het rotte gevoel dat we gefaald hadden.»

De gift van NedLloyd deed aan de Oostvaardersdijk van de ene op de andere dag een professionele organisatie verrijzen. Er werd een begroting gemaakt; Vos verwierf zich een inkomen. Hij kreeg het advies om «om redenen van belangenverstrengeling» uit het bestuur te stappen. In het nieuwe bestuur namen ervaren bewindvoerders zitting. Tjerk Westerterp, voormalig minister van Verkeer en Waterstaat en momenteel kandidaat voor Leefbaar Nederland, nam de voorzittershamer over. «Tjeerd en ik werden op een rare manier terzijde geschoven», schreef Vos, «alsof we het niet goed hadden gedaan. ‘Ga jij maar timmeren, dan regelen wij de rest wel.’ Het was een klap in mijn gezicht na alles wat wij tot dan toe hadden gepresteerd.»

Ontdaan stapte Vos op de trein, maakte niet uit waarheen. «Drie lange dagen en avonden heb ik door Antwerpen en Gent lopen dolen, om mezelf weer bij elkaar te rapen. In derderangs hotels, starend naar het plafond, heb ik afscheid genomen van het project zoals ik het in mijn geest had gevormd. Ik was werknemer geworden. Met een nog naknagend gevoel van falen keerde ik drie dagen later terug in Lelystad.»

Om de organisatie te huisvesten werden extra gebouwen neergezet. Uiteindelijk kwamen veertien mensen in loondienst en hielpen ruim driehonderd vrijwilligers mee. Rond de werf werd een schutting opgetrokken. Bezoekers moesten voortaan entreegeld betalen. Er verrees een sponsorzuil. De organisatie nam een pr-bureau en een marketingbureau in de arm. Er kwam een persvoorlichter die de toenemende mediabelangstelling kanaliseerde. Om nog meer toeristen te lokken, werd een groot raderschip aangemeerd: de Mark Twain, die vroeger over de Mississippi had gevaren. In 1991 deden 200.000 bezoekers de werf aan. In 1993 waren het er 330.000. De gemeente Lelystad besloot miljoenen te investeren in het gebied rondom de werf. Er kwam een museum bij. Achter de Houtribsluizen werd een villawijk uit de grond gestampt. Een projectontwikkelaar mocht naast de werf «Batavia-Stad» bouwen. Een complex met prefab verdedigingsmuren en uitkijktorens en erbinnen winkels waar tegen dumpprijzen merkartikelen worden verkocht. Het eerste half jaar na opening stroomden anderhalf miljoen kooplustigen toe. Er kwamen pinautomaten, frisdrankautomaten, dranghekken, een snackbar, veel parkeerplaatsen en een speciale buslijn. Tevens werd een «bruine-haven» aangelegd waar sjieke delegaties in stijl konden aanleggen en verpozen.

Willem Vos mocht niet langer zomaar aan zijn schip sleutelen. De pr-afdeling gaf hem te verstaan niet op maandagmorgen een mast te plaatsen maar bijvoorbeeld pas op vrijdagmiddag, zodat de bezoekersaantallen flink konden aanzwellen. Het werd betreurd dat hij het schip niet zo had ontworpen dat het geschikt gemaakt kon worden voor feest en partij. Ook vond men dat hij een motor had moeten installeren, zodat met het schip ook werkelijk kon worden gevaren. Tussen de werkploeg en de organisatie rezen spanningen. De werklui kregen ingeprent dat ze niet alleen werklui waren, maar ook acteurs in een theaterstuk. Er mochten geen transistors meer aan en met een kraan moest voorzichtig over het terrein gereden worden.

Toen duidelijk was dat het schip in 1995 te water zou worden gelaten, riep burgemeester Gruijters Vos bij zich. «Stel dat ik de financiering regel. Zouden jullie dan het succes van de Batavia willen voortzetten door een nog groter schip op stapel te zetten? Wat denken jullie van de Zeven Provinciën van Michiel de Ruyter?» Bestuursvoorzitter Westerterp regelde een financiering met de ING-bank. Vos tekende aan dat hij het gevoel had dat hij «nog een keer de Mount Everest moest beklimmen», maar stemde toch in. Hij had nauwelijks grip op zijn project. Toen hem de datum van tewaterlating onthuld werd, vroeg hij uitstel omdat een deel van het beeldhouwwerk niet gereed was. Maar de organisatie wilde de oorspronkelijke tewaterlatingsdatum handhaven. Koningin Beatrix was al uitgenodigd. Op 7 april 1995 gooide zij een doopkruik tegen de buik van het schip. Een promotieteam liet het schip naar Amsterdam slepen, waar het evenement Sail plaatshad.

Terwijl Vos bezig was met de kiel voor de Zeven Provinciën, vatte het bestuur een nieuw plan op. De Batavia zou in 2000 naar Sydney moeten reizen, waar de Olympische Spelen zouden plaatsvinden. Voorzitter Westerterp zei over de contacten te beschikken. De Australisch-Nederlandse Kamer van Koophandel (ANCOC) was volgens hem bereid de reis naar het Zuidlandt te financieren. In december 1999 sleepte een Duitse reder de Batavia erheen. In de anderhalf jaar dat het schip weg was, deed nauwelijks iemand de werf aan. In het jaar 2000 bezochten zeventigduizend mensen de werf. In Sydney werd duidelijk dat ANCOC de kosten voor de terugreis niet op zich kon of wilde nemen. In het Lelystads gemeentebestuur brak paniek uit: het schip moest terug want de ontwikkeling van het ooit voor niemand interessante gebied was in volle gang.

Er werd besloten om samen met de provincie drie miljoen gulden bijeen te schrapen om de Batavia terug te kunnen kopen. PvdA-wethouder Ruud Bootsma (Economische Zaken) is nog altijd woedend op Westerterp en zijn bestuur. «We waren bang dat we de Batavia nooit meer terug zouden zien», zegt hij. «De afspraken, als ze al bestonden, waren onzorgvuldig gemaakt. Er waren geen bankgaranties, er stond niks op papier. Westerterp, die arrogante regent, zei voortdurend dat hij de boel wel glad zou strijken.»

Het bestuur werd ontbonden. Westerterp slaagde er niet in de drie miljoen alsnog op de ANCOC te verhalen. Enkele jaren eerder had burgemeester Gruijters Lelystad verlaten. Zijn opvolger, Chris Leeuwe, had de vacante plek in het Batavia-bestuur overgenomen. Toen duidelijk werd dat Westerterp de boel in het honderd liet lopen, stapte Leeuwe ijlings uit het bestuur. Om daarna mede de beslissing te nemen het schip, als gevolg van wanbeleid van zijn eigen bestuur, voor drie miljoen terug te kopen. In juni 2001 werd het schip in alle stilte naar de werf teruggesleept.

Terwijl de Batavia in Sydney de Olympische Spelen opluisterde, had Willem Vos de werkzaamheden aan de Zeven Provinciën stilgelegd. Met de jongeren die hij de laatste jaren toegewezen kreeg, viel niet te werken. Waren het eind jaren tachtig nog gemotiveerde jongelui geweest, eind jaren negentig was de werkloosheid zo ver teruggedrongen dat zich onder de aan de werf toebedeelde WIW'ers alleen nog werkelijk onbemiddelbaren bevonden. Een aantal leermeesters was opgestapt. «We zijn scheepsbouwers, geen sociaal werkers», zeiden ze. Zo viel veel subsidie weg. Ook de vier ton aan ESF-geld die de werf tot dan toe jaarlijks had opgestreken, werd stopgezet nadat Brussel ontdekte dat Nederland het op onjuiste wijze aanwendde. De lening die de ING-bank voor bepaalde tijd met de werf was aangegaan, begon op te breken. Opnieuw moesten gemeente en provincie bijspringen. Een steun van 2,3 miljoen euro werd toegezegd. Willem Vos wilde niet meer meedoen. Hij trok zich terug uit het project.

Een winderige zaterdagochtend op de werf. De Batavia ligt iets verderop in het IJsselmeer. Over een loopplank schuifelen enkele bezoekers erheen. Meeuwen vliegen door het kale karkas van de Zeven Provinciën. Eén Japanner met een handycam. Over de schutting waait winkelalarm en kindergejengel. In Batavia-Stad is het wel druk. De geur van patat. «Willem Vos weet er heel veel van», zegt een voorlichter in een van de barakken, «maar hij heeft niet het monopolie op die kennis. Er zijn gelukkig wel mensen te vinden op wie we ons kunnen verlaten nu Willem het niet meer doet.» De organisatie houdt hem zorgvuldig uit de belangstelling vandaan. Hij zou met niemand willen praten en zich in zijn huisje in Frankrijk bevinden. Maar een van de kanonniers die voor een handjevol publiek om drie uur enkele salvo’s vuren, heeft Vos zojuist nog over het terrein zien lopen.

Het huisje van Willem Vos bevindt zich achter de loodsen. Een grote bouvier springt aan de binnenkant tegen de deur omhoog. De gordijnen zijn dichtgetrokken. Vos antwoordt niet op geklop of op een briefje dat op zijn deurmat wordt gedeponeerd.