Het werk van drie vrouwelijke edelsmeden

Bord in scherven

In het werk van drie vrouwelijke edelsmeden vertellen kleine gebaren grote verhalen. In een nog ongeschonden voorwerp kan de vernietiging al aanwezig zijn.

Galeries in Europa lijken allemaal op elkaar; ze zijn zo strak mogelijk gemaakt. De muren glad gestuukt en hagelwit, om de kunst een zo prominent mogelijke rol te laten spelen.

Ik voelde me onmiddellijk thuis in de witte kubus met dingen aan de muur van expositieruimte Moira. En dat wringt. Want moet kunst niet op z’n minst verontrusten? Of – in Wim T. Schippers’ woorden – ontregelen? Met dit ongemak op mijn schouders bekeek ik het werk van drie jonge vrouwen, alledrie vorig jaar afgestudeerd als edelsmid aan de Rietveld Academie.

Op het eerste gezicht veel kleine gebaren. Meisjeskunst, schoot door me heen. Kleine tekeningen van lichaamsvormen. Zachte materialen. Poppenhandjes. Van Stella Bierenbach (Brazilië, 1970) onder meer een roodgeverfd plankje, op de vloer gelegd met daarop poppenkleding uit de jaren zeventig. Een kruisje van hout aan de kop van deze grafscène waar – iets anders kan ik er niet van maken – op een larmoyante manier een verloren jeugd wordt beweend, als het al niet een gedenksteen voor een dood kind moet voorstellen.

De tekeningen van Ineke Heerkens (Nederland, 1977) zijn aarzelend, op het irritante af waar ze lijkt te willen uitdrukken hoe onhandig ze durft te zijn. Precies zoals ze het op de Rietveld graag hebben. Maar iets bijzonders doet zich voor waar ze haar handschrift verruilt voor of combineert met harder materiaal, door de getekende lijn te vervangen door stroken tape of uitgeknipt papier. Heerkens toont een oprechte worsteling, de stroken liggen over elkaar heen, corrigeren elkaar en vullen elkaar aan, als iemand die stottert en laat merken dat ze niet wil dat haar zinnen voor haar worden afgemaakt.

Uit het werk van Gésine Hackenberg (Duitsland, 1972) blijkt dat het niet uitmaakt hoe klein gebaren zijn, als ze maar scherpzinnig zijn. Ze maakt sieraden die neigen naar instrumenten. In een bak, aan de muur bevestigd ter hoogte van een bestekla, bekleed met Hollandse-boerenkeuken-ruitjes, liggen acht verschillende voorwerpen.

Een daarvan bestaat uit een mesachtig voorwerp, met zilveren handvat en als lemmet een gepolijste scherf donkerblauw Delftsblauw aardewerk. Het is gissen naar de functie. Het mes lijkt een herinnering te dragen. Het heeft onthouden waar het rustte toen ermee gegeten werd, op een donkerblauw bord. Drie subtiele gouden stipjes vormen een driehoek en verraden waar het handvat aan het aardewerk is bevestigd. Het sieraad is net als de andere voorwerpen met de meesterlijke precisie van de edelsmid gemaakt, verfijnd tot in het kleinste detail. Ik wist me niet meteen raad met het kunstwerk dat bestaat uit afgeronde, gepolijste scherven Delftsblauw aardewerk, in de vorm gelegd van een hand. Het was me onduidelijk waarom dat ding hier in stukken lag, of ik naar vervormde vingers of naar ijslepeltjes keek.

Door het raam was te zien hoe een jongen zijn gezicht tegen de ruit drukte om het meisje achter de bar een gesmoorde zoen te geven, zijn gezicht afgeplat tegen het glas. Aan weerszijden van de vettige vlekken die lippen en neus van de jongen achterlieten, stonden twee handafdrukken op het raam.

En toen begreep ik de scherven in de bestekla. Ze hadden precies de vorm die een handdruk als vlek op een voorwerp achterlaat. De lange, platte scherven moesten afkomstig zijn van een bord, en ik zag voor me hoe het door een hand werd opgepakt en aan stukken werd geslagen. Het werk is afdruk en indruk tegelijk; het geeft de plek weer waar de aanraking verwijst naar een lichaam. En het draagt de ontregelende waarschuwing dat in alles wat heel is de vernietiging huist: in elk bord zijn de scherven al aanwezig. Wie het niet gelooft, moet gaan kijken, in de bestekla die een schatkist werd.

Expositieruimte Moira,

Wolvenstraat 10, Utrecht