Bordeelbezoek

Het is allemaal waar: ambitieuze literatuur heeft het moeilijk, uitgeverijen bezuinigen of fuseren, dichters en essayisten verdwijnen nog verder in de marge, maar toch, zolang er één uitgever is die het werk van Roberto Calasso boek na boek laat vertalen kan de situatie niet uitzichtloos worden genoemd.

Roberto Calasso, De droom van Baudelaire, € 44,90

Medium calasso baudelaire

Want Calasso staat, met een variant op Elmer Schönberger, voor het Grote Lezen, dat, belangeloos en onthecht, een ‘openbaring en inwijding ineen’ is. Calasso (1941), zelf veertig jaar de baas bij de Milanese kwaliteits­uitgever Adelphi, is een lezende schrijver van het soort dat ‘de eisen van de markt’ met superieure boeken negeert en daarmee lezers vond.

Zijn internationale doorbraak beleefde Calasso met zijn derde of vierde boek, De bruiloft van Cadmus en Harmonia, waarvan het origineel in 1988 en de Nederlandse vertaling in 1991 verschenen. Dat boek gaat over de Griekse mythologie, hoewel het woordje ‘over’ eigenlijk een verkeerde suggestie wekt. Want het heeft niets van een gebruikelijke studie, het is geen inleiding op de Griekse mythen en ook niet primair een interpretatie ervan. Calasso vertelt ze na, volgens hem de enige manier om er dieper in door te dringen. Mythen gaan nu eenmaal niet terug op een oorspronkelijke versie, een oertekst, ze bestaan – als archief van het collectieve geheugen van een orale cultuur – uitsluitend in de vorm van varianten. Daaraan ontleent Calasso zijn vorm: zijn boek is een aaneenschakeling van fragmenten waarin verhalen of delen daarvan telkens opnieuw worden hernomen, vanuit een ander perspectief, een ander personage, een andere vraagstelling. Een betere introductie in dit archaïsche universum in permanente beweging is niet denkbaar.

Na De bruiloft van Cadmus en Harmonia volgde in 1998 de vertaling van Ka, volgens hetzelfde procédé, nu over de godenwereld van India; daarna De ondergang van Kasj, K. en Het roze van Tiepolo. Al deze boeken zijn demonstraties van het Grote Lezen, dus ook van het intellectuele verzet van een literatuurliefhebber tegen de abstracties van de literatuurwetenschap en het gewauwel van de populaire journalistiek. Calasso is een verteller op het hoogste niveau van eruditie en concentratie; nieuwe inzichten ontstaan in de grensgebieden van elkaar uitlokkende of met elkaar botsende verhalen, concreet en controleerbaar. Als lezer is hij een schakel in een traditie (van het Latijnse ‘tradere’ – overleveren, doorgeven) die in de vroege twintigste eeuw vrijwel geheel en ruw aan de kant werd geschoven, voor de avant-garde heeft Calasso weinig begrip. Hij laat zien – en dat woord mag letterlijk worden genomen – wat daarmee verloren is gegaan.

Dit alles ter inleiding van zijn laatste boek: De droom van Baudelaire, een mozaïek van verhalen waarin literatuur en kunst van de Franse negentiende eeuw op een beeldende en inzichtelijke manier tot leven komen als nooit tevoren. Het boek begint met een uitnodiging van Baudelaire (1821-1867) aan zijn moeder om elkaar heimelijk te ontmoeten in het Louvre, aangezien er in Parijs geen betere plek is om in alle rust te praten. Dat is een treffende opening: ook de lezer bevindt zich in de bevoorrechte situatie van een genodigde. Calasso leidt hem rond door het werk van Baudelaire, zoals deze door een van de Salons dwaalde waar hij als kunstcriticus, zijn eerste hoedanigheid, over schreef, op zijn beurt in het spoor van Diderot, zonder plattegrond of routeschema, maar intuïtief, zich verbazend, associërend, kijkend, naar formuleringen zoekend.

Dat begin is ook goed gekozen omdat Baudelaire weliswaar de centrale figuur is van het boek, maar belangrijke hoofdstukken, misschien wel de mooiste, zijn gewijd aan de beeldende kunst van (bijna-)tijdgenoten. Zo lezen we het nodige over Ingres, Delacroix (Baudelaire’s held, hoewel de schilder hem wantrouwde en irritant vond) en bovenal over Degas en Manet. Calasso blijkt – andermaal, we wisten het al uit zijn boek over Tiepolo – een even begenadigd kijker als lezer. Tot de hoogtepunten behoort zijn analyse van de elf (in het boek grotendeels afgedrukte) schilderijen, veelal mysterieuze, donkere portretten, die Manet maakte van zijn collega Berthe Morisot, die zeer verliefd op hem was, hoewel Manet met een Hollandse trouwde. Calasso reconstrueert deze intrigerende geschiedenis als een ‘Éducation sentimentale die nooit is opgeschreven maar alleen geschilderd’.

Natuurlijk lezen we het meest over Baudelaire, over zijn afkeer van de school, zijn zelfmoordpoging op zijn 24ste, zijn ‘totale onverschilligheid voor elke vorm van mondain leven’, zijn gehechtheid aan goede manieren, zijn angst om door zijn uiterlijk voor kunstenaar te worden aangezien (volgens Gautier behoorde hij tot het ‘sobere soort dandy dat zijn kleren met schuurpapier bewerkte om ze hun zondagse, gloednieuwe aanzien te ontnemen’) en natuurlijk het meest over zijn werk. Misschien stelt het ietwat teleur dat Calasso geen integrale analyses van gedichten geeft, vermoedelijk omdat die een te grote breuk zouden vormen met zijn precieze, bondige en beeldende vertelstijl, die zich beter leent voor ‘het profiel van een persoon, een psychisch klimaat, een bepaald levensgevoel’ dat volgens hem uit elke zin van Baudelaire naar voren komt.

Maar ach, daar staat zo veel tegenover. Bijvoorbeeld zijn meer dan voorbeeldige commentaar op ‘de droom van Baudelaire’, een door de dromer direct na het ontwaken voor een vriend opgeschreven tekst, die hij zelf typeerde als een fragment ‘in een soort hiëroglyfentaal waarvan ik de sleutel niet heb’. Calasso, die Baudelaire’s proza nog hoger aanslaat dan zijn poëzie, noemt het terecht ‘een verbijsterend verhaal, misschien wel het meest gewaagde van de negentiende eeuw’. Het kan niet heel beknopt worden samengevat, maar het gaat over een bizar bordeelbezoek, waarbij de verteller-bezoeker na te hebben aangebeld ineens beseft dat zijn ‘geslacht uit [zijn] losgeknoopte gulp hangt’, wat hij, ‘zelfs in een dergelijk oord’, als weinig fatsoenlijk beschouwt. Alleszins begrijpelijk dat de vertaler (of de uitgever) de titel van het boek aan dit verhaal heeft ontleend, daarmee afwijkend van het Italiaanse origineel, dat La folie Baudelaire (de waanzin, de gekte van Baudelaire) heet, naar een uitdrukking van Sainte-Beuve, de geniale spotlustige criticus die ook een opvallende rol speelt in dit magistrale boek.

* * *

Roberto Calasso, De droom van Baudelaire, Vertaald door Els van der Pluijm, Wereldbibliotheek, 366 blz., € 44,90