Borderline slachtofferporno

Hanya Yanagihara schrijft in Een klein leven duidelijk voor haar lezer, ze manipuleert je met perfect getimede overgangen: van feel good naar feel bad en terug. Alle personages hebben maar één eigenschap, het zijn sjablonen. Ergerlijk. En toch weet het boek iets te raken.

Hanya Yanagihara’s Een klein leven is zonder twijfel een van de vreemdste literaire successen van de laatste paar jaar. De roman haalde de shortlist van de National Book Award in Amerika en van de Man Booker Prize in Engeland. Critici onthaalden het boek als de ‘Great Gay Novel’, afgelopen maand kreeg het vijf van de vijf sterren in de Volkskrant, terwijl de NRC-recensent schreef dat hij zelden zo om een boek had gehuild als om Een klein leven. De roman is 751 dichtbedrukte pagina’s dik, zit vol automutilatie en seksueel misbruik en staat nu op nummer drie van de cpnb Bestseller 60.

Het format van de roman is bekend bij iedereen die Sex and the City heeft gezien, of andere Net5-series: vier vrienden in New York delen lief en leed. Het New York waar ze leven is overigens eerder het New York uit een commercial dan uit het echte leven: er zijn stadswandelingen op zwoele zomeravonden, feestjes op dakterrassen, lange etentjes met diepgaande gesprekken in volle restaurants. Hoewel de roman zich over meerdere decennia afspeelt noemt Yanagihara geen politieke gebeurtenissen of culturele ontwikkelingen. Niemand is bang voor aids, voor terrorisme of om naar links geswiped te worden op Tinder.

Medium yanagihara

Op diezelfde manier zijn de carrières van de vier vrienden ook te goed om waar te zijn. Jude is een timide zorgenkindje met tal van mysterieuze aandoeningen – maar krukken of niet, elke advocaat, openbaar aanklager of rechter die hij tegenkomt merkt hem direct op als juridisch wonderkind. Malcolm heeft moeite zich te binden, zowel wat relaties als carrière betreft, maar als hij zich aan het laatste eenmaal overgeeft groeit hij uit tot de sterarchitect van zijn generatie. Willem begint als ober in een restaurant waar alleen maar wannabe acteurs in de bediening werken, maar zijn ster rijst snel; hij kan de horeca achter zich laten en wordt gecast in films als The Iliad en The Odyssey. Willem speelt Odysseus, natuurlijk. En er is kunstenaar JB – ‘ambitie is mijn religie’ – die start met een nogal gruwelijk klinkend project waarvoor hij kapsalons af loopt om om mensenhaar te vragen, maar die zijn definitieve creatieve inval krijgt als hij zijn vrienden op een feestje fotografeert: ‘Na een paar uur vond hij hen met z’n drieën bij het raam; Jude zei iets terwijl de andere twee zich dicht naar hem toe bogen om hem te verstaan, en het volgende moment weken ze alle drie lachend naar achteren, en hoewel hij even een steek van spijt en jaloezie voelde, was hij ook blij dat hij beide momenten had vastgelegd. Vanavond ben ik een camera, zei hij tegen zichzelf, en morgen ben ik weer JB.’

Als JB de volgende dag de foto’s bekijkt besluit hij ze na te schilderen. Zijn doorbraak. Jaren later organiseren grote musea overzichtstentoonstellingen met alleen de schilderijen van de vrienden.

Je kunt je niet aan het idee onttrekken dat Yanagihara haar roman voor zich ziet als zo’n schilderij, sprookjesachtig, meer kunst dan leven. Haar New York is te pittoresk, haar personages zijn te succesvol, hun vriendschap is te mooi, waarbij de vier mannen continu hun diepste emoties met elkaar delen en zeggen hoeveel ze wel niet van elkaar houden. Haar vier helden zijn ook nog eens de meest politiek correcte figuren die je kunt bedenken, bijna allemaal met een gemengde etniciteit en fluïde seksuele voorkeuren – al blijft homo of hetero seksueel relatief in Een klein leven, aangezien Yanagihara uitgebreider over maaltijden schrijft dan over seks.

Jude krijgt een goede baan, zijn nieuwe vriend duwt hem met rolstoel en al van de trap af

Maar zo mooi als het leven is, zo bitter is het. Dit is de rol van Jude, die in het boek na honderd bladzijden steeds meer op de voorgrond komt te staan. In die eerste honderd bladzijden weigert hij aan zijn vrienden te vertellen waarom hij mank loopt, waarom hij soms aan zijn bed gekluisterd is, of rare wonden heeft. Zijn vrienden weten beter dan door te vragen. Maar de lezer wil het weten, en Yanagihara schrijft duidelijk voor haar lezer, en dus komen de flashbacks: Jude snijdt zichzelf en heeft verschillende zelfmoordpogingen achter de rug, allemaal het gevolg van het feit dat hij te vondeling is gelegd en in de handen van een reeks gruwelijke figuren terecht is gekomen die hem mishandelden, misbruikten, als schandknaap uitbuitten, en met een truck overreden.

Misschien is het commerciële succes van Een klein leven niet zo vreemd. Tearjerkers doen het nu eenmaal goed, en Yanigahara weet haar lezer behendig en perfect getimed van feel good naar feel bad naar feel good te begeleiden. Wat vreemd is, en wat voor mij de nominaties en vijfballerige recensies zo onwerkelijk maakt, is het literaire succes van Een klein leven. Dat zit in de eerste plaats in de stijl. De laatste zin van de eerste bladzijde: ‘Ze zaten bij Pho Viet Huong in Chinatown, waar ze elke twee weken met elkaar aten. Het eten was er niet fantastisch – de pho smaakte verdacht naar suiker, het limoensap naar zeep, en naderhand werd er altijd wel íémand ziek – maar toch bleven ze er komen, uit gewoonte maar ook uit noodzaak. Bij Pho Viet Huong kreeg je voor vijf dollar een kom soep of een broodje, of je nam een van de hoofdgerechten die acht á tien dollar kostten maar veel groter waren, zodat je de helft kon bewaren voor de volgende dag of als snack voor ’s avonds laat.’

Dit is natuurlijk reuze interessant als je een budget-stedentrip naar New York maakt, maar met literatuur heeft het niets te maken. Het boek staat vol met zulke onnodige informatie, in vaak horkerige zinnen. Maar net zo horkerig, of doorzichtig is de manier waarop Yanagihara haar lezer manipuleert. Het is steeds hetzelfde proces. Jude snijdt zichzelf, zijn vrienden zeggen dat ze van hem houden. Jude heeft voor het eerst een maatschappelijk werker die om hem geeft, ze bezwijkt een paar bladzijden later aan kanker. Jude twijfelt aan zichzelf en denkt dat niemand ooit van hem zal houden, zijn professor en diens vrouw zeggen hem te willen adopteren. Jude krijgt een goede baan, zijn nieuwe vriend duwt hem met rolstoel en al van de trap af. Het boek telt zevenhonderdvijftig bladzijden, maar het hadden er net zo makkelijk 1750 kunnen zijn – Yanagihara’s plot is zozeer cyclisch (huil, lach, repeat_)_ dat je na een paar honderd bladzijden beter weet dan te verwachten dat het ergens naartoe werkt. En als het boek eenmaal eindigt, doet Yanigahara dat met een hardhandige plotwending, een pennenstreek eigenlijk, die ze vervolgens zo snel afhandelt dat het lijkt of ze niet de emoties wil uitdiepen die ze toch bij haar personages zou moeten oproepen.

In een scherp essay in The New York Review of Books schreef Daniel Mendelsohn dat Yanagihara opportuun inspeelt op de slachtoffercultuur die in Amerika vooral onder studenten heerst; de rol van slachtoffer is een manier om je identiteit te bepalen, en Jude’s lijden is zo extreem dat hij als Patroonheilige der Slachtoffers kan gelden. Dat klopt: Jude heeft maar één eigenschap: hij lijdt. Alle andere personages hebben maar één eigenschap: ze geven liefde. Het zijn sjablonen, het is effectbejag, het is borderline slachtofferporno.

En toch. En toch is er een bezwaar. Niet tegen het boek, maar tegen mezelf. Het is het verschil tussen lezen als criticus en lezen als lezer.

Ik las het boek twee keer, eerst in het Engels toen het vorig jaar uitkwam en nu in de Nederlandse vertaling (die overigens heel soepel is). Ik ergerde me aan Yanagihara’s stijl, maar ik bleef lezen. Ik ergerde me aan haar evidente manipulaties, maar ik bleef lezen. Ik vond Jude een draak van een personage, maar zo nu en dan, zoals water altijd een opening weet te vinden, raakte zijn eenzaamheid me toch. Ik geloofde er niets van toen Willem ineens homo werd om met Jude een relatie te beginnen, maar ik was wel blij voor Jude. En als in het boek de decennia zijn verstreken, en Jude’s adoptievader naar een schilderij van de vier vrienden kijkt, waarop ze alle vier nog jong en gezond waren, snap je zijn emotie en voel je met hem mee om wat verloren is gegaan.

Dat is dan toch het talent van Yanagihara. Ze slaat met een moker op je in, maar uiteindelijk blijft haar spijker in je muur zitten. Dat betekent niet dat ik dan toch de recensenten en juryleden gelijk geef. Dat een boek je raakt, betekent nog niet dat het literair goed is. Je moet het effect niet voor de kwaliteit aanzien. De juryleden en recensenten zitten ernaast, maar die lezers die het boek naar de derde plek in de bestsellerlijst hebben geduwd kun je geen ongelijk geven. Het is een vreemdsoortig, uniek boek. Je moet het zelf lezen om te weten of je ervoor openstaat.