Het woord ‘traditie’ biedt geen houvast

Bordjes verhangen

Geschiedenis blijkt te glibberig om zomaar door te geven. Indië, slavernij, de Gouden Eeuw: het verhaal van ‘onze’ historie is duidelijk niet meer wat het ooit was – maar dat was het vroeger ook al niet.

Hendrik van Schuylenburgh, De handelsloge van de VOC in Hougly in Bengalen, 1665. Olieverf op doek, 203 x 316 cm © Collectie Rijksmuseum, Amsterdam

Indië-veteranen doen op televisie na zeventig jaar hun verhaal tegenover Coen Verbraak. Er werden daar geen oorlogsmisdaden gepleegd, zeiden sommigen van hen, en als die er toch waren, dan was het hun schuld niet; dat bloedbad van Rawagede is door de ‘ploppers’ zelf uitgevoerd. Nabestaanden van holocaust-slachtoffers worden gecompenseerd door de Nederlandse Spoorwegen. Nazaten van gedeporteerde verzetsstrijders willen dat nu ook. Sommige afstammelingen van Surinaamse tot slaaf gemaakten stellen dat het racisme dat de slavenhandel ooit mede mogelijk maakte nog altijd in de samenleving aanwezig is – om te beginnen in het sinterklaasfeest. Zwarte Piet verdwijnt daarop uit het Sinterklaasjournaal. Het verleden slaapt niet: het bijt ons dagelijks in de kuiten.

Dingen die in het maatschappelijk verkeer in beton gegoten leken, blijken dan toch onderhavig aan verval; context wijzigt zich; onderzoeken worden gepubliceerd; mensen veranderen van gedachten. Dit zijn processen van verandering die normaal zijn voor een open samenleving met behoorlijk opgeleide, goed geïnformeerde en geletterde burgers die de principes van hun eigen grondwet graag serieus nemen en gewend zijn hun moraal kritisch te beschouwen. In het Verenigd Koninkrijk waren tot begin jaren tachtig nog minstrel shows op tv, met zwart geschminkte witte zangers en acteurs – nu niet meer. Een standbeeld van J.P. Coen wordt van zijn sokkel gestoten en na uitgebreid overleg teruggeplaatst. Daar komt ongemak, irritatie, polemiek en soms wat fysiek duwen en trekken bij kijken. Dat is niet raar, en het is ook niet erg. Dat kan gewoon niet anders. Er bestaat immers een reële zorg dat een flink deel van de bevolking in tijden van globalisering de greep op zijn ‘cultuur’ verliest, daar ongelukkig van wordt, en dus opstandig. Er bestaat een almaar groeiend reservoir aan informatie, gevoegd bij een groeiend onvermogen tot analyse, wat leidt tot een overschot aan onbegrip over wat zich ooit heeft afgespeeld en hoe dat te duiden is.

In de poging tot definitie van dat wat men graag wil begrijpen en verdedigen, datgene ‘wat Nederland is’, wat herkenbaar is als ‘Nederlandse geschiedenis’ dan wel als ‘Nederlandse waarden’, openbaren zich heel merkwaardige inconsistenties. Niets geeft zo weinig houvast als dat woord ‘traditie’, terwijl je toch precies het tegenovergestelde ervan zou verwachten, of hopen: een lange lijn, de geschiedenis in; een vast kompas door de woelige baren van de globalisering, de multiculturaliteit, de informatierevolutie, enzovoort. De kern van het probleem is natuurlijk dat de laatste twee, drie generaties Nederlanders graag vooruit keken, en niet werkelijk in hun geschiedenis geïnteresseerd waren, waardoor zij slecht weten wat de relatie tussen geschiedenis, cultuur en ‘tradities’ eigenlijk zou kunnen zijn.

Dat wil niet zeggen dat men niet af en toe een kranige poging doet. Voormalig staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra, bijvoorbeeld, bekritiseerde nog niet zo lang geleden openlijk de Hema, die de chocolade paaseieren in het assortiment zou hebben omgedoopt tot ‘verstopeitjes’. Zijlstra maakte het punt dat de Hema daarmee het ‘eigene’ van het land op losse schroeven had gezet. Ook liberalen zouden zich moeten verzetten tegen ‘het loslaten van de christelijke betekenis van de verplichte feestdagen’. Zijlstra: ‘Je haalt steeds een stukje af van waar we als land voor staan. Pasen hoort erbij, net als gelijkheid tussen man en vrouw en tussen homo’s en hetero’s.’

Een christelijke mythe, een chocolade versnapering en de gelijkberechtiging van vrouwen en homo’s in één politiek artikel – kras. En raar: de gelijkheid tussen man en vrouw staat in de grondwet, de Opstanding van Christus niet, laat staan de verplichte viering daarvan. Dat kan ook nauwelijks: het onderzoeksbureau NAWplus peilde tien jaar geleden dat 45 procent van twaalfduizend geënquêteerden niet wist dat Pasen een christelijke feestdag is. Vijftien procent dacht bij het woord ‘Pasen’ wel aan Jezus, maar dan in eerste instantie aan zijn kruisdood – die niet op Pasen maar op Goede Vrijdag valt. Twee derde van de geënquêteerden wist überhaupt niet dat Jezus ooit zou zijn opgestaan uit de dood (dat bericht zal ze dus wel enigszins hebben verrast).

Als de overgrote meerderheid van het land niet meer weet wat de christelijke achtergrond van Pasen is, waarom zou je dan uitgerekend als liberaal die betekenis er alsnog willen inpompen? En hoe zou dat moeten? Hoe zou een overheid de samenleving moeten wapenen tegen de ontkerkelijking, tegen het vergeten? Door een meer intensieve bestudering van de geschiedenis, wellicht? Dezelfde Zijlstra zei echter in die periode dat hij niet wist wat hij aan moest met ‘musea vol opgegraven potten en pannen’. Begrijpelijk, misschien, want het bewaren daarvan is prijzig, maar toch ook weer raar, want uitgerekend het onderzoek naar die artefacten verleent de cultuur van heden een langer perspectief. Als het paasfeest de uiterlijke bloei is van een lange christelijke traditie, dan leggen de archeologie en de kunstgeschiedenis daarvan de lange wortels bloot. Zou het de beleving van het paasfeest als nationale zaak niet bevorderen als een van die potscherven bewees dat in de derde eeuw al christelijke Romeinen in Nijmegen of Cuijk het paasfeest vierden? Kennelijk hoeft dat niet. U, uw kinderen en de medewerkers van de Hema moeten wél verplicht de traditie bestuderen, maar niet het historisch erfgoed dat die traditie onderbouwen kan en het begrip verder kan verbreden en verstevigen. De geschiedenis is, in die visie, af. We weten het al. Het wiel staat stil.

Je hoeft maar even tegen zo’n traditiebouwwerk te duwen, en het valt om. Het Wilhelmus, ook zoiets. Dat zou elk kind in dit land verplicht moeten kunnen zingen, zei Sybrand Buma, dat zou verdorie in het regeerakkoord moeten staan! Zie toch hoe moeizaam de spelers van het Nederlands voetbalelftal, mannen als Memphis Depay, Virgil van Dijk, Gini Wijnaldum en Denzel Dumfries, zich voor de wedstrijd door dat lied heen mompelen. Die kerels hebben duidelijk op de verkeerde school gezeten, of niet opgelet in de les, of ze hadden een cultuurmarxist als onderwijzer die ’t allemaal niet zo belangrijk vond, tradities en oranje. Nee, dan vroeger, in 1930, toen Suriname nog ‘van ons’ was en het Nederlands elftal nog geheel blank. Dat verloor toen weliswaar met 6-3 van Zwitserland (‘De traditioneele debacle van het Nederlandsch elftal in het alpenland’), maar Gejus van der Meulen, Puck van Heel en Harry Dénis zullen toen toch zeker uit volle borst het Wilhelmus over de alpenwei hebben laten schallen!

Nou, nee, zegt de historicus-azijnpisser dan, want toen was het Wilhelmus nog helemaal niet ons volkslied. Toen worstelde men zich nog door het Wien Neerlandsch Bloed, een deun gecomponeerd op een gedicht van Hendrik Tollens door de terecht vergeten Johann Wilms (1772-1847), die overigens in Duitsland geboren was. Maar vooruit, laten we het zingen van het Wilhelmus bij sportwedstrijden een traditie noemen. Sinds 1933 is dat formeel het volkslied en daarmee is het net zo oud of jong als de intocht van Sinterklaas, want ook dat is een uitvinding uit de jaren dertig, bedacht door een Amsterdams comité dat in de crisistijd ‘leuke dingen voor de mensen’ organiseerde. De pieten waren bij die intocht overigens wit.

Onze geschiedenis en tradities zijn jong. Het is hier modderig en nat, wat je vandaag bouwt spoelt morgen weg

Als dat tradities zijn, dan zijn het dus heel jonge, en dat is niet gek, want dit is een land met een jonge geschiedenis. Het is hier modderig en nat, wat je vandaag bouwt spoelt morgen weg. De historicus James Kennedy stelde dat die fysieke omstandigheden de Nederlanders dwongen tot samenwerking, waardoor zij bovenmatige creativiteit, handelsgeest en aanpassingsvermogen ontwikkelden. Hij meende dat daardoor in die duizend jaar een traditie van tolerantie en (religieuze) diversiteit ontstond, een traditie – zeg ik – van flexibiliteit, pragmatisme en opportunisme, een traditie van ‘geen tradities’.

Het is duidelijk dat dat door de eeuwen heen niet altijd even gemakkelijk lag, zeker in periodes waarin er behoefte was aan bestendigheid, of zelfs hiërarchie. Die lang voortrollende traditie van ‘geen tradities’ wordt dan ook gemarkeerd door pogingen van vroegere Zijlstra’s en Buma’s om het wiel stil te zetten en een canon te introduceren. Kennelijk zitten wij nu weer in zo’n fase. Niet moeilijk te zien dat het nodig is: de meeste deelnemers aan tv-programma Verborgen verleden blijken geen idee te hebben van wat hun ouders zoal deden, laat staan hoe hun grootouders de oorlog zijn doorgekomen. In het programma Verleden van Nederland, een aardige poging om een jongere generatie met het eigen erfgoed bekend te maken, zag presentator Waldemar Torenstra geen verschil tussen een katholieke en een protestantse kerk. Men zag de welwillende predikant even geschokt zuchten.

Hier moet dus iets worden hersteld; het merkwaardige is dat er juist bij de nationalistische conservatieven, die de laatste jaren de wind in de zeilen hebben, geen duidelijk idee is hoe die relatie tussen geschiedenis en cultuur zou moeten worden benoemd, bewaard of uitgedragen. Dat was al niet zo in 2008, toen Rita Verdonk bij de lancering van Trots op Nederland voluit foeterde op de komst van ‘slavernijmonumenten’: ‘Er verschijnen steeds onderzoeken die ons van discriminatie beschuldigen. Maar Nederlanders hebben het helemaal niet in zich om te discrimineren! Wij zijn al eeuwenlang een gastvrij volk!’ Dat was wel zo buitengewoon dom dat het zelfs haar bewonderaars opviel. Ook op het laatste congres van Forum voor Democratie werd een visie op de historische Nederlandse cultuur uitgedragen, en wel door ‘Lange Frans’ Frederiks, die een rap ten gehore bracht met T. Baudet op de vleugel. Daarin kwam veel langs wat duidelijk betekenis had als ‘typisch Nederlands’: haring, dijken en grachten, Johan Cruijff en Abe Lenstra, ‘kroket en frikandellen/ die je tot aan de Spaanse kust kunt bestellen’, fietsvierdaagses en wietplantages, en het vooruitzicht dat ook over honderd jaar ‘André Hazes/ in elk café de baas is’.

Andere dingen waren echter meer onverwacht. Frans zong bijvoorbeeld dat hij blij was het land te delen met ‘Turken, Marokkanen, Molukkers en Surinamers’. Hij zong dat er nergens zoveel ‘culturen’ per vierkante meter bestonden, maar dat ‘wij’ gewoon bang zijn om bij de buren te gaan eten – wat je kunt opvatten als een oproep om de multiculturele werkelijkheid te omarmen. Hij zong ook: ‘We plunderden de wereld/ noemden dat een Gouden Eeuw’, wat toch zeker genuanceerd is, en heel anders dan die oogkleppentrots van Verdonk. Er sprak enige teleurstelling uit zijn voordracht – ‘waar ik geboren en getogen ben’ rijmde nu op ‘waar ik verloren en bedrogen ben’, maar al met al was het eerder een weemoedige meditatie dan een strijdlied, een mooi voorbeeld van een tasten naar een canon, naar houvast in het verleden, en tegelijkertijd een voorbeeld van een ‘wir schaffen das’-achtige flexibiliteit en tolerantie. Hier werd de multiculturaliteit bezongen; rabiate scherpslijpers als Annabel Nanninga zullen zich achter de oren hebben gekrabd.

Ja zeg, Nederland is meer dan frikandellen en wiet, die lui begrijpen er dus niets van, zult u zeggen, en u heeft natuurlijk gelijk, zoals de kritische geest, de belezen relativeerder en de azijnpisser altijd gelijk hebben: in de geschiedenis staat per definitie niets vast, zeker ‘traditie’ niet. Wie ons verleden in een paar handige termen wil vatten, schildert zichzelf onvermijdelijk in een hoek en die positie is een bron van frustratie.

Ik denk wel eens dat de ergernis van mensen over wat zij ‘politieke correctheid’ noemen te vergelijken is met de ergernis van iemand die zo’n tegenstrijdigheid mentaal niet kan overbruggen, een soort cognitieve dissonantie. Men wil iets zeker weten en weet tegelijkertijd dat dat niet kan – omdat er iets anders is wat zich daar logisch tegen verzet. Men ervaart die dwang dan liefst als ‘opgelegd door anderen’. Wie meent dat Nederland van oudsher een bolwerk van diversiteit en tolerantie is geweest, en zichzelf die eigenschappen toerekent, komt in de problemen met de harde racistische structuur van het koloniaal verleden. Wie meent dat Nederlanders te prijzen zijn om de onbekommerd pragmatische inslag, die ze zo buitengewoon geschikt maakt voor internationale handel, moet dat zien te rijmen met de slavenhandel, die door die onbekommerd opportunistische houding mogelijk werd.

Te worden geconfronteerd met die paradoxen, zeker door een meesmuilende intellectueel of historicus-azijnpisser, kan irritatie opwekken, dat is duidelijk. Ondertussen wéét het overgrote deel van de Nederlanders echter heel goed dat Zwarte Piet een racistisch stereotype is, dat de slachting in Rawagede heeft plaatsgevonden, en dat de Hollanders en de Zeeuwen die zich in de slavenhandel begaven donders goed wisten dat dat moreel niet goed te praten was. U kunt mopperen over het politiek correcte ‘slaafgemaakte’, maar ondertussen noemt u uw Eritrese buurman allang niet meer ‘roetmop’ of ‘nikker’ – want zijn kinderen zitten in dezelfde klas als de uwe.

Dat Nederlanders dat onderliggend besef van de veranderlijkheid van ‘traditie’ wel degelijk hebben blijkt, lijkt mij, uit het succes van de Zwarte Piet-discussie. U lette misschien op het straatrumoer en de acties van blokkeerfriezen, maar in veel opzichten is dat een voorbeeldig maatschappelijk debat. Een actiegroep agendeert een probleem, betreedt de publieke ruimte, komt in de televisieprogramma’s aan tafel, dwingt de lokale overheden tot overleg, bereikt een geleidelijke maar bepalende aanpassing.

Zo worden in het land de bordjes verhangen; zo schaft het Amsterdam Museum de term ‘Gouden Eeuw’ in zijn presentaties af, omdat dat voor de multiculturele bezoeker een te eenzijdig beeld van de geschiedenis geeft. Is dat overdreven? Nee. Zo’n lokaal museum moet de hele stad bereiken, en die stad is domweg enorm veranderd. In 1959 had maar één procent van de Amsterdamse bevolking een niet-Nederlandse nationaliteit. Nu is dat zeventien procent. Veel van die niet-Nederlanders zien zich volstrekt niet in de historische presentaties van dat museum vertegenwoordigd en als je vaststelt dat zo’n term als ‘Gouden Eeuw’ de werking van dat museum in de weg zit, dan schaf je die af. Het staat u verder vrij om die zeventiende eeuw ‘Goud’ te blijven noemen, of de achttiende, of de tweede.

Net zoals bij dat beeld van J.P. Coen in Hoorn. Dat staat er sinds 1893. Het is drie dingen tegelijk. Een statig monument, opgericht door de Hoornse burgerij ter ere van hun stadgenoot, grondlegger van de vocin Indonesië, moordenaar van Banda. Het is ook een knap stuk sculptuur, gemaakt door Ferdinand Leenhoff (1841-1914), die zelf staat afgebeeld op het beroemde Le Déjeuner sur l’herbe van Manet (1863). Het is tenslotte ook een monument voor de veranderende visie op onze koloniale geschiedenis. Toen het van zijn voetstuk gestoten werd hebben de Hoornse gemeenteraad en de Hoornse burgerij de betekenis van dat beeld opnieuw moeten waarderen. Ze besloten het terug te plaatsen, met gewijzigd opschrift – het beeld bleef, het bordje werd verhangen. Het beeld verbeeldt nu ten minste drie geschiedenissen tegelijk. Wij kunnen best met die drie geschiedenissen tegelijk leven.