Borges’ trouw aan de eeuwigheid

Jorge Luis Borges ging lucide te werk, in een voorbeeldige beknoptheid, met precieze beelden, en een kristallen syntaxis. Alles om de lezer de ervaring van het mysterieuze te geven.

Medium hh 54900052
De Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges, 1984 © Ferdinando Scianna / Magnum / HH

In een van zijn vele klassiek geworden korte verhalen voert Jorge Luis Borges een jongen op die zich alles herinnert. Letterlijk. ‘Hij kende de vormen van de zuidelijke wolken in de ochtendstond van dertig april achttienhonderd tweeëntachtig en kon ze in zijn herinnering vergelijken met de aders in de gemarmerde leerbekleding van een boek dat hij maar één keer had gezien en met de strepen van het schuim dat een roeiriem in de Rio Negro opwierp aan de vooravond van de opstand bij Quebracho.’

Ondanks de uitbundige poëzie van dit citaat is het verhaal een metafysische nachtmerrie. Het roept iets verschrikkelijks op: de slapeloosheid. De fictie van het bewustzijn dat alles onthoudt pakt even vreeswekkend uit als de realiteit van de alzheimerlijder. Vreeswekkender, misschien, want de laatste zal op zeker moment vergeten zijn dat hij vergeet, terwijl de eerste… enfin, lees Funes de allesonthouder, en huiver.

‘Ik bedacht dat elk van mijn woorden (dat elk van mijn gebaren) zou voortduren in zijn onverbiddelijke geheugen; ik werd belemmerd door de angst overbodige bewegingen te maken’, zegt de verteller als hij Funes, die negentien jaar oud is als hij sterft, voor de laatste keer ziet.

Vergeetachtigheid is wat ons zal redden in onze tijd van het absolute, totalitaire, digitale onthouden, die, ironie van de geschiedenis, aanbrak toen Borges in 1986 stierf, op 86-jarige leeftijd.

In een ander, niet minder pregnant verhaal voert Jorge Luis Borges een Argentijnse schrijver op – Pierre Menard – die, na een leven lang putten uit eigen verbeelding, woord voor woord enkele hoofdstukken van de Quijote van Cervantes geschreven blijkt te hebben. Niet overgeschreven, of in eigen woorden weergegeven, of herinnerd, maar: letterlijk geschreven.

Ergens in zijn zojuist verschenen De essays (een vorstelijke selectie uit de ongeveer twaalfhonderd gepubliceerde ‘non-fictie’-teksten, lucide vertaald en enthousiast ingeleid door Barber van de Pol) stelt Borges vast dat er twee soorten denkers bestaan: zij die uitvinden en zij die ontdekken. Zelf ziet hij zich als ontdekker, althans, hij laat geen gelegenheid voorbijgaan om te belijden dat hij geen enkel idee, of denkbeeld, of zelfs maar: een beeld, van zichzelf heeft. ‘Wanneer ik iets schrijf’, zegt hij in een van zijn laatste lezingen, ‘heb ik de indruk dat iets tevoren bestaat. Ik ga uit van een algemeen concept; ik weet min of meer het begin en het eind, en vervolgens ontdek ik langzamerhand de tussendelen; maar ik heb niet de indruk dat ik ze verzin, ik heb niet de indruk dat ze afhangen van mijn vrije wil; de dingen zijn zo. Ze zijn zo, maar ze zijn verborgen en mijn plicht als dichter is ze te vinden.’

Ik vermoed dat er vóór Borges nog nooit iemand op de fictie van Pierre Menard is gekomen. Toch ontkent hij er de uitvinder, of zelfs maar de bedenker van te zijn. En het is deze pertinente ontkenning die je doet inzien dat het verhaal – dat op het eerste gezicht een spielerei lijkt, een vernuftige en wat pedante fantasie – een reactie is op het vooroorlogse avant-gardisme van Borges’ generatie. Hij is van 1899, en heeft alle denkbare -ismes elkaar zien opvolgen, tandenknarsend, want de modernistische pretentie van een literatuur die breekt met literatuur, van onherroepelijke drempels die overschreden worden, en van vooruitgang, van Nieuwe Mensen en ontwikkelingen die de voorafgaande ongedaan maken, was hem even vreemd als te menen dat de Rijn bij Lobith een andere Rijn is dan die bij Basel. ‘Het verleden is onverwoestbaar; vroeg of laat komt alles terug, en één van de dingen die we terug krijgen is het plan om het verleden te vernietigen’, schrijft hij in een stuk over de Chinese keizer die bevel gaf om én de Muur te bouwen, én alle boeken en kunstwerken van vóór zijn heerschappij te laten verbranden.

In de revolutionaire jaren zestig schreef hij, samen met Adolfo Bioy Casares de Kronieken van Bustos Domeq, waarin denkbeeldige kunstenaars en kunstwerken worden besproken – waaronder de schilder die zijn fotorealistisch geschilderde uitzichten bedekte met een laag schoensmeer (‘de prijzen waren vanzelfsprekend niet allemaal hetzelfde; ze varieerden al naar gelang de details in kleurschakering, perspectief, compositie, et cetera, van het uitgewiste werk’). Het geschrift is opgedragen ‘aan de drie vergeten groten: Picasso, Joyce, Le Corbusier’.

En toch – hoe ironisch Borges ook staat tegenover het nieuwe om het nieuwe, toch maakt hij wel degelijk alles nieuw. Hij geeft je per ‘ficcione’ (zo noemt hij zijn verhalen, niet historia of narrativa), per essay (dat ook altijd vertellend is, en soms dichterlijk), per gedicht (dat altijd ook nadenkelijk is, en vertellend) de ervaring voor het eerst iets te denken wat je al wist.

Gaat het bijvoorbeeld over Kafka, dan begint Borges met de vaststelling dat Kafka volstrekt origineel en eigensoortig lijkt, maar dat wat hij, Kafka, met zijn werk belichaamt een ontsteltenis is die de vervoorchristelijke filosoof Zeno al heeft willen vertolken – ‘de pijl en Achilles zijn de eerste Kafkaiaanse karakters in de literatuur’; en: ‘de vorm van het illustere vraagstuk van de Zeno-paradox is exact die van Het slot van Kafka’.

‘Ik waande mij de bezitter van de ontwijkende of afwezige betekenis van het (...) woord eeuwigheid’

Je knippert met je ogen en kijkt uit het raam, waar een winterspin zijn web aan het spannen is – hier wordt niet zomaar gezegd dat een oude Griek en een moderne Pragenaar ‘hetzelfde thema’ behandelen, en ook niet dat beide denkers ‘verwant’ aan elkaar zijn (dat is het spel dat zoveel hedendaagse essayistiek speelt: x kondigt af een soort familie te zijn van, zeg, Dostojevski), maar: dat Zeno en Kafka, net als mijn spin, één en hetzelfde web spannen, ik bedoel: het web dat de spin hier boven de Sloterplas spant is hetzelfde als waar de spin mee bezig was toen Zeno opkeek van zijn arbeid aan zijn Achilles-gelijkenis.

Borges is manisch erudiet, hij put uit een oneindige verzameling door vrijwel niemand herinnerde, vaak obscure en esoterische oeuvres – in die zin kom je onophoudelijk ‘iets nieuws’ te weten – en toch is het alsof hij een kennis blootlegt die al in je opgeslagen lag.

De vraag is of het woord kennis hier helemaal voldoet. Borges oppert bij herhaling dat ‘de algemene geschiedenis misschien de geschiedenis is van een paar metaforen’. Het is maar de vraag of metaforen (symbolen, beelden) te ‘kennen’ zijn. In verschillende essays werkt Borges bijvoorbeeld het denkbeeld van het ‘labyrint’ uit, waarmee door tal van zijn liefste auteurs het menselijk bewustzijn vergeleken wordt. Soms noemt hij het ‘de oneindige bibliotheek’, een geestelijke ruimte zonder omtrek met overal het middelpunt. Uit zijn geheugen (Borges is in de jaren vijftig blind geworden) diept hij steeds nieuwe, steeds oudere dan wel exotischere formuleringen op van dit ontstellende beeld, toe te schrijven aan voorsocratische wijsgeren, aan zeventiende-eeuwse mystici, aan Oscar Wilde, aan Piranesi, aan soms dusdanig schilderachtig obscure denkers dat je het gevoel hebt dat hij ze, speciaal voor zijn essay, uitgevonden heeft, wat, na intensief gegoogel, vrijwel nooit het geval blijkt… Soms noemt hij het denkbeeld van het labyrint ‘een droom’, dan weer een ‘fictie’, en niet zelden ‘een nachtmerrie’. De beelden, symbolen, metaforen die Borges met zijn zestigjarige oeuvre blootlegt, of moet je zeggen: ontsluit, zijn, om een uit zwang geraakte woordcombinatie te gebruiken, ervaringen van de ziel.

Small uitgerij borges   maria kodama
Borges bewandelt de weg van de betwijfeling © Maria Kodama

Neem de metafoor ‘rivier’, die in alle ontstaansmythen optreedt en die door elke denker, in elke eeuw, wordt opgeroepen om het fundamenteel onkenbare besef (of: ons onbesefbare weten) van ‘tijd’ mee uit te drukken. Borges is niet de beste rivierenschrijver (dat zijn Mark Twain, Arthur van Schendel en Martin Michael Driessen), maar hij is wel degene die ons het hevigst de rivier doet beseffen die door ieder mens stroomt en waarmee hij of zij de ervaring ‘tijd’ kan denken, of beter: dromen. Als we zeggen dat Borges met zijn oeuvre gewerkt heeft aan de ontsluiting van het menselijk bewustzijn, dan bedoelen we misschien: Borges heeft gedroomd dat de geschiedenis één onophoudelijke droom is waarin steeds dezelfde beelden, symbolen en metaforen optreden.

Zo opgeschreven zou het kunnen klinken als een reductionisme, pover als de verenging van de psyche tot zoiets als een ‘oedipuscomplex’, of, nog armetieriger, de herleiding van geest tot aan- en uitflakkerende neurotransmitters. Zulke reducties schenken de lezer de bevrediging van het begrip: als ze je overtuigen, weet je hoe het zit. Maar Borges heeft geen belangstelling voor achterliggende mechanismes die ons bewustzijn moeten verklaren. Natuurlijk – hij begrijpt dat de angstaanjagende droom van de sfinx die zwaar op onze buik is komen liggen, vlak voor we ontwaken, veroorzaakt is door de darmkramp die we voelen. Maar hij vindt het feit dat we ons van de ervaring van angst bewust kunnen worden door een sfinx te dromen oneindig veel belangwekkender. Alsook het feit dat de dichter Coleridge deze gedroomde sfinx memoreert, die ook voorkomt in een tragedie van Sophokles. Door de genealogie van het symbool ‘sfinx’ te bepalen, versterkt Borges het denkbeeld dat mensen, doden en levenden, deel uitmaken van één bewustzijn. Dit is geen verklarende theorie, maar: poëzie. Op het moment dat Sophokles de sfinx dromend, of dagdromend, of schrijvend, ‘waarneemt’, is hij Coleridge en Borges. Het is binnen Borges’ logica dan ook gerechtvaardigd om te zeggen dat de beelden, symbolen en metaforen ons denken. En dat ieder afzonderlijk, en dus ook Borges, méér is dan wat hij ‘zich zelf’ noemt. Of juist minder – in de loop van zijn oeuvre gaat het Borges steeds minder om het ‘zelf’ dat een mens is. In zijn schitterende lezingenreeks Zeven avonden die hij niet lang voor zijn dood in 1986 heeft gehouden, besteedt hij uitgebreid aandacht aan het zelf-ontledigende boeddhisme, ‘waaraan ik zoveel jaren heb gewijd – en waarvan ik, werkelijk, weinig begrepen heb’.

Je kunt dit binnenwaartse gedenk, geloof ik, niet los zien van Borges’ blindheid. Hij is slechtziend geboren en heeft altijd geweten dat hij blind zou worden, net als zijn vader en zijn grootvader. Hij werd het in 1955 definitief, na een decennium van steeds meer schemering en schimmen. Uit biografische gegevens krijg je de indruk dat hij zelden alleen was, ‘en bovendien voelt een blinde zich omringd door ieders genegenheid’. Toch hangt er om hem een nimbus van ondoordringbaarheid en eenzaamheid.

Al lang voor de feitelijke blindwording is Borges in het web van het filosofisch idealisme gevlogen – en speciaal in het esse est percipi van Berkeley. Zijn is waargenomen worden. Het is een tergend denkbeeld dat niet zozeer waar is (het kan eenvoudig door je zelfmoord weerlegd worden), als wel ontstellend: de gedachte dat de wereld bestaat omdat jij hem denkt drukt een ervaring van eenzelvigheid uit, ingeslotenheid, die je als kind plotseling sterk kunt hebben op de momenten dat het je, paradoxalerwijze, juist daagt hoe oneindig groot en onverschillig de schepping is. Misschien is dat de eerste perplexiteit, en ik heb als ik Borges lees vaak het gevoel met mijn kindertijd verbonden te worden, om preciezer te zijn: met mijn elfjarigheid, de overgangstijd van lagere naar middelbare school. Het is de levensfase waar Harry Potter in begint, en Tonke Dragts Tiuri, en Tom Sawyer. De leeftijd van het fantastische, en van spartelende pogingen om je om je eigen as tollend gedenk tot staan te brengen met één gedachte, één fictie.

Je weet dat het superbe onzin is – de man zijn die het universum droomt, of de jongen zijn die het geheugen bezit dat alles opslaat, uit de rivier gedronken hebben die je de alles zinloos makende onsterfelijkheid bezorgt, het labyrint bewonen dat geen middelpunt heeft en geen omtrek, en toch ben je Borges dankbaar voor de ernstige, onderhoudende ironie waarmee hij je je ongeloof doet opschorten.

Ik heb zijn verhalen en essays veeleer gelezen als bezweringen dan als weerleggingen. Borges is in de eerste decennia van zijn internationale doorbraak eind jaren zestig vooral beschouwd als een scepticus, iemand die met zijn gestalten metafysische ideeën ontmantelde, een antireligieuze cultuurrelativist, die je kon bevrijden van je laatste resten christendom – maar dit doet geen recht aan de onmiskenbaar numineuze uitwerking die hij op je kan hebben. Het is waar – hij heeft zich tot geen van de theologieën bekend die hij zo helder en subtiel kan verweven met zijn personages; hij heeft vele malen zijn diepe reserve uitgesproken jegens de kernaannames van de christelijke religie (aan zondebesef doet Borges niet) – en toch weet ik zeker dat mijn levenslange lectuur van zijn werk (begonnen eind jaren zestig, in mijn eindexamenjaar, met Zes raadsels van Parodi) mij ontvankelijk heeft gemaakt voor het religieuze. Borges heeft van niemand een godzoeker gemaakt, maar van godzoekers wel mensen die de ontsteltenis eerbiedigen die aan het verlangen naar geloof voorafgaat en aan de afkeer ervan. Hoe je het ook wendt of keert: geloven dat God mens is geworden is zeker ook fantastisch en vereist een zekere surrealistische soepelheid van geest – die je, misschien wel zonder het te beseffen, oefent tijdens de lectuur van Borges.

Wat een wonderlijke gestalte – een blinde die op pad gaat door zijn geheugen, op weg naar waar de tijd niet verstrijkt

Zo is Borges niet bang om het woord ‘ziel’ in de mond te nemen, en vergelijkt hij de ervaringen, waaruit de ziel bestaat, met kleuren, en voor die kleuren zoeken wij, zegt hij, woorden: we kunnen niet anders. We willen dat onze binnenbreinse ervaringen bestaan, in taal, beeld, muziek. Vervolgens citeert hij zijn geliefde denker G.K. Chesterton: ‘De mens denkt dat al die tinten (in de ziel) precies zijn weer te geven via een willekeurig mechanisme van gegrom en gegil. Hij denkt dat uit een ordinaire beursspeculant werkelijk geluiden kunnen komen die alle mysteries van het geheugen en alle agonie van het verlangen uitdrukken.’

Borges is het tegenovergestelde van een reductionist. Het is hem worst dat hij zijn brein is. Hij brengt het menselijk verlangen niet terug tot een wetmatigheid, of een materieel proces, maar zegt juist dat onze beelden, vormen, taaluitingen de uitdrukking zijn van een herinnering aan en een verlangen naar een oneindige hoeveelheid ervaringen. En deze herinnering en dit verlangen is universeel, het is des dichters maar ook des beursspeculants. Het is vooral ook ‘eeuwig’: des holbewoners en des Voltaires.

Het is in zijn ogen een absurditeit om dit herinnerende verlangen, of verlangend herinneren, te willen ‘verklaren’ – heel zijn oeuvre is om te beginnen een opstand tegen alle vormen van materialistisch denken. Waarvan hij uiteraard (want Borges is snijdend grootmoedig) constateert dat ook dát een ‘kleur van de ziel’ is, een dorheid, die zo nu en dan een geamuseerde essayistische alinea waard is. Of een ficcione – zijn inleving in de intellectuele Nationaal-Socialist die vol overtuiging en zonder een spoor spijt de afschaffing van zijn geweten ten gunste van een sociaal-darwinisme ter hand neemt, en ook na de nederlaag van Hitler zijn denken tot z’n suïcidale einde voert is adembenemend; het verhaal heet Deutsches Requiem, in 1946 geschreven.

Borges is, in een prikkelend, zojuist herdrukt boek van Robert Lemm (een van zijn eerste vertalers en pleitbezorgers in ons taalgebied), een ‘mysticus zonder God’ genoemd. In dat informatieve boek – dat onder meer de onborgesiaanse taak op zich neemt om de ‘filosoof’ Borges bloot te leggen – wordt Borges opgevoerd als een godzoeker die zich nimmer bekent tot de vaak schitterende theologieën die hij in zijn essays en vooral verhalen doordenkt, en tot ‘ervaringen’ maakt. En het is waar – hoeveel ik tijdens mijn eigen gezoek ook aan Borges’ fantasma’s heb gehad, het is onmogelijk om hem te lezen zoals ik, zeg, Marilynn Robinson of Graham Greene of Christian Wiman, en zelfs een agnost als J.M. Coetzee ben gaan lezen: om ‘van binnenuit’ de consequenties van een geloof (hoe problematisch en betwijfeld ook) in een persoonlijke God mee te maken.

Als Borges inderdaad met zijn oeuvre tot een godsbeeld heeft willen komen, dan zou dat een onpersoonlijk idee zijn: ‘God is iets dat niet tot het verleden behoort, dat misschien ook niet tot het heden behoort: het is de eeuwigheid.’ Niet een God tot wie hij zich in gebeden richt. Niet een verlosser. Toch kan hij in de allerlaatste lezing die hij gepubliceerd heeft schrijven dat ‘de dingen ons gegeven werden om er een andere vorm aan te geven, om van de miserabele omstandigheid die ons leven is eeuwige dingen te maken of dingen die dat aspireren te zijn. Als de blinde zo denkt, is hij gered. Blindheid is een gave.’ Dat is niet de terminologie van een totale relativist. Het woord ‘gave’ geeft aan het bestaan een bestemming, het maakt van het leven iets waarmee je je te verzoenen hebt. Door te pogen ‘iets eeuwigs’ te maken. Alsof de gave daarmee is teruggestort. Borges’ oeuvre, je kunt er bijna niet omheen, is geschreven uit dankbaarheid.

En bij herlezing voor dit stuk trof me hoezeer ‘eeuwigheid’ een ervaring is voor Borges, een ‘kleur van zijn ziel’. In zijn langste, en meest filosofische (en minst leesbare) essay, Een nieuwe weerlegging van de tijd, komt de evocatie voor van een onmiskenbaar mystieke ervaring aan de rand van Buenos Aires – daar waar, zeg, de arme huisjes van de Overtoom overgaan in de oneindige pampa. Met enige omslag van uiterst precieze woorden ‘beschrijft’ hij (Borges is zelf de verteller, en de eerste om te erkennen dat ‘beschrijven’ het verkeerde woord is) een ervaring van stilte en stilstand en tijdloosheid, en geeft daar de naam ‘eeuwigheid’ aan. Het is niet alsof hij zichzelf daar op die plek als kind herinnert, of alsof hij daar al eerder is geweest, ‘in een ander leven’, het gaat niet om ‘déja-vu’ – het is veeleer alsof het ogenblik daar eeuwig ‘is’, het is daar ook ‘dertig jaar geleden’, of in de achttiende eeuw. ‘Ik dacht, ongetwijfeld hardop: dit is precies als dertig jaar geleden.’

Dat ‘dertig jaar geleden’ is nauwkeurig gekozen: deze eeuwigheid (het voornaamwoord is hulpeloos) was, of is, er dus ook voor zijn geboorte (het verhaal is in 1928 geschreven, en Borges is van 1899). En dan komt hij tot de volgende formulering: ‘ik waande mij de bezitter van de ontwijkende of afwezige betekenis van het onbevattelijke woord eeuwigheid’.

Met andere woorden: net als ‘ziel’, of ‘droom’, of ‘God’, is ‘eeuwigheid’ het woord voor een ervaring. Uiteindelijk vat hij die ervaring samen met: ‘… serene avond, opschijnend muurtje, landelijke lucht met kamperfoelie, oerklei…’ De opsomming is een van Borges’ meest effectieve stijlfiguren, daarin lijkt hij op de God van het boek Job, die uiteindelijk, als Hij Job wil vertellen wie Hij is, de hele schepping opsomt.

Borges probeert een ervaring weer te geven, of: na te vertellen, die a priori ondeelbaar is, met woorden en beelden die ‘een mysterie van het geheugen en de agonie van het verlangen uitdrukken’. Borges haast zich om te zeggen dat het leven meer van zulke eeuwigheidservaringen biedt, dat zij in alle levens optreden, sommige zijn zelfs dagelijks, bijvoorbeeld voor het in slaap vallen. Wat treft is natuurlijk de woordkeuze: ‘ik waande mij de bezitter van de (…) betekenis van het (…) woord eeuwigheid’.

Ik weet niet of het in het Spaans ook zo’n ongrijpbare zin is. Is ‘betekenis’ iets dat je in eigendom kunt krijgen? Het gaat hier om de betekenis van een Groot Woord, uit de categorie waar ook ‘ziel’ en ‘God’ toe behoren – woorden die we in de twintigste eeuw hebben leren vermijden, omdat we niet zouden zwijgen over waar we niet van konden spreken. Toch kan het gebeuren dat je het woord ‘ziel’ terdege denkt; het lijkt dan helemaal precies het enige woord wat past bij wat er kan gebeuren als je, bijvoorbeeld, naar het pas gestorven gezicht van zijn vader kijkt en tot je eigen verbazing in het geheel niet twijfelt aan de zekerheid dat hij je nog altijd ziet en hoort – op zo’n moment heeft het woord ziel een zekere betekenis die alleen ik ken. En in beheer heb. Bezit.

Borges is met zijn schrijverschap zijn eeuwigheids-epifanie trouw gebleven. De meeste mensen laten hun openbaringen, zelfs die van de ziel in de smartelijkste rouwkamer, uitdoven. Essay voor essay, gedicht voor gedicht, ficcione voor ficcione is hij een gooi blijven doen naar eeuwigheid. Het bezit van deze waan, deze ervaring van zijn ziel, kon hem nooit meer afgenomen worden, kon niet ongedaan worden gedacht – toch moest hij ernaar op zoek, vaak door zijn personages eraan te laten twijfelen, of door juist de onherroepelijkheid van het verstrijken van de tijd te verbeelden. In deze zin is Borges een moderne mysticus, hij bewandelt de weg van de betwijfeling. Hij zoekt niet naar ‘de verloren tijd’, maar naar de ervaring die de tijd had weerlegd.

Wat een wonderlijke gestalte is hij geworden – een blinde die op pad gaat door zijn geheugen, op weg naar waar de tijd niet verstrijkt.

‘Er is geen schrijver van wereldfaam die niet een bepaald symbool heeft aangemunt’, schrijft hij in een van zijn stukken over Dante. Borges heeft, misschien, geen symbool toegevoegd aan het menselijk bewustzijn – hij heeft de rivier, het labyrint, de roos, de droom, het zwaard, slaap, de munt, de nacht weer in het centrum van ons bewustzijn geplaatst, als een soort lampen, die de ervaringen van ons bewustzijn doen oplichten. En het vreemde is dat hoe lucide Borges ook te werk is gegaan, in zijn voorbeeldige beknoptheid, met zijn precieze beelden, en zijn kristallen syntaxis – het uiteindelijke resultaat is dat we minder begrijpen dan voorheen. Misschien is de ervaring van mysterie wel de grootste gave die Borges heeft gekregen – en is het zijn onsterfelijke, aanstekelijke verdienste dat hij het mysterie onaangetast heeft teruggegeven. Niets is verklaard, en toch is alles verhelderd.