Muziek: ‹Boris Godoenov›

Boris, mijn vader

‹Boris Godoenov› van Moessorgski in het Amsterdamse Muziektheater, dat is: de radio van vader en de mongool van Friesland. En zelf een beetje Rus worden.

Bij het koningsdrama in Nepal waar zowat een heel koningshuis is uitgeroeid steekt de moord van Boris Godoenov op het kroonprinsje Dimitri maar magertjes af. Toch genoeg reden voor Boris om er een hele avond mee in de weer te zijn. Uiteindelijk wordt hij er zelfs gek van en sterft hij van wroeging en spijt. In Nepal zitten ze daar nu allemaal op te wachten, op degene die het niet meer uithoudt en klaaglijk zingt: ik ben het. Ik heb het gedaan!

Wat een opera die Boris. Toen ik hem als jongen voor het eerst hoorde, thuis uit de bakelieten radio van mijn vader, had hij me meteen te pakken. Gek, dat ik dat zo opschrijf, de radio van mijn vader. Ja, zo was dat nu eenmaal. De radio was van vader, en die was er de baas over. Hij luisterde zondags op de Belgische zender naar het Belcantoprogramma. O wee, als je er doorheen praatte. Degene die durfde aanbellen tijdens een duet uit Simone Boccanegra werd bij de deur afgepoeierd. Schaljapin zong Boris. Ik weet nog precies hoe mijn vader tijdens de beroemde sterfscène meespeelde bij de radio. De eerste playback die ik te zien kreeg. Hij greep me vast en knielde bij me neer, zoals ik dat net weer in het Muziektheater aan de Amstel heb gezien. Ik was weer even de tsarevitsj van die zondagmiddag op onze bovenwoning in de armen van mijn snikkende vader, bij zijn radio op afbetaling.

Naast me begon een mevrouw te huilen. Zoiets doet je goed.

Vader vertelde hoe Schaljapin in de waanzinscène vanuit het midden van het toneel met de rug naar het publiek liep om precies bij de rand van de orkestbak halt te houden terwijl iedereen dacht dat hij naar beneden zou vallen. Zijn armen ten hemel. Het eerste dat Schaljapin bij zijn gastoptredens over de hele wereld deed, was het toneel inspecteren en de passen tot aan de bak keurig uittellen. Eén keer, in San Franciso, ging het mis, maar de stevige drinker kwam goed terecht. Alle dronkaards vallen zacht. Hij verstuikte alleen een voet, wat hij natuurlijk in de sterfscène weer kon uitbuiten.

In Boris Godoenov is het duisternis alom. Dag en nacht hebben, evenals in Don Giovanni, geen dramaturgische invloed op het toneelgebeuren. Er is geen idee van tijd. Een duistere ballade.

Goede kunst — kunst die niet gedateerd raakt — wordt in de tijd van haar ontstaan vaak niet begrepen. Rimski-Korsakov, die zijn stempel op de tweede versie heeft gedrukt, haalde als een slechte editor de krenten uit de brei. Verder had Moessorgski veel kritische collega’s die niet beseften wat er in deze prachtige opera, een van de mooiste van de negentiende eeuw, voor nieuwe wegen werden bewandeld. Zijn invloed gold tot ver in het expressionisme. Kan iemand zich Janáceks Aus einem Totenhaus voorstellen zonder Moessorgski?

Dat geklier van componisten onder elkaar. Die kop van Korsakov die altijd alles beter wist heeft me nooit aangestaan.

Moessorgski zocht liever het gezelschap van zijn schilderende vrienden op. Waarschijnlijk allemaal zuipschuiten zoals hij. Er zijn in de geschiedenis wel een paar stevig drinkende componisten te vinden, zoals Brahms en Reger, maar drinkers als Lautrec, Van Gogh, Breitner, Adriaan Brouwer, Modigliani, Soutine, Jan Steen, om maar eens een handvol door elkaar te schudden, kwam je onder componisten niet tegen. En Moessorgski, die vanwege zijn drankzucht amper de trein in durfde en van het ene delirium in het andere stapte, vond bij hen een passend en vaak blijvend onderkomen. Repin bijvoorbeeld, de hem in 1881, kort voor zijn dood, opzocht in het ziekenhuis om zijn vermaarde portret te schilderen. Misschien wel op zijn verjaardag op 21 maart want hij stierf een week later en had toen met de hakken over de sloot zijn 42ste levensjaar bereikt.

Boris Godoenov is de spiegel van de Russische ziel. Wreedheid, achterdocht, gulheid, hartelijkheid, bijgeloof en masochisme. Tot op de dag van vandaag hebben ze de gesel van hun machthebbers niet van zich af kunnen schudden, die arme Russen.

De angsten van Boris komen ook voort uit zijn drankzucht. Daarom kon Moessorgski dat in klanken omzetten. Hij hoorde muziek vaak in dronkenschap en schreef ook terwijl hij dronken was, dat kan immers niet anders. Boris delireerde. Hij zag geen muizen, spinnen of beginnende schildpadden, nee, hij zag het koningsventje Dimitri dat hij zo laf en wreed had omgebracht. In stukken gehakt. Poesjkin, de vader van het koningsdrama, heeft zich altijd verzet tegen de these dat het ventje aan epilepsie zou hebben geleden en tijdens een aanval per ongeluk in een stel naar hem uitgestoken zwaarden zou zijn gelopen.

Na de première floten studenten het lied van Varlaam in de winterse straten van Petersburg. Toen hij dat hoorde, zal Moessorgski net zo opgetogen zijn geweest als Mozart indertijd toen hij een straatjongen het lied van Papageno hoorde zingen na de eerste opvoeringen van Die Zauberflöte. Var laam is dronken, maar Moessorgski gebruikt hier de voordelen van de drank. De Varlaam van onze avond in het Muziektheater is goed neergezet door de zanger (Henk Smit) en de regisseur (Willy Decker), omdat het een gespeelde dronkenschap is om de machthebbers om de tuin te leiden. Vandaar dat het er erg gechargeerd uitziet, maar precies in de intrige past.

Hoewel Boris Godoenov een despoot is, een kindermoordenaar, blijft hij sympathiek. Ook weer zo typisch Russisch? Niemand heeft een hekel aan deze man. Ik was maar wat trots dat mijn vader me bij zijn radio zo uitbundig vastpakte. Als je goed naar Moessorgski luistert, word je zelf een beetje Rus. Mijn vader veranderde in Boris. Onze bovenkamer werd de vergaderzaal van de Doema. Bij de Rimski-Korsakov-bewerking eindigt de opera met wat in de oerversie het voorlaatste tafereel is. Met wat ik zou willen noemen «de heilige Onnozelaar». Ik weet zeker dat menigeen die de voorstelling ziet, blijft dubben wat hij het mooiste vindt: eindigen met de dood van Boris of met de profetische woorden van de achterlijke jongen. Want er stond het geteisterde Russische volk, tot op de dag van vandaag, nog heel wat te wachten.

Héél lang geleden werkte ik in Enschede bij Opera Forum. Daar kwam ook Boris Godoenov op het repertoire. Forum moest aan kunstspreiding doen. De vloek van de Nederlandse subsidiegever: opvoeden. Dus Boris Godoenov moest hoe dan ook naar Winschoten en Drachten. Wel eens in de Lawei geweest? Maar goed. Ik sta voor de voorstelling op het toneel en gluur door het kijkgat in het doek naar de vollopende zaal. Op de eerste rij gaan een vader en moeder zitten met tussen hen in hun mongoloïde zoon. Die jongen zit er niet alleen met pa en ma, maar ook met zijn lieveling: zijn trekharmonicaatje. Hij kijkt parmantig in mijn richting: zo, straks gaat het beginnen. Straks gaan wij beginnen. Ik voel het aankomen. En ja hoor. Zaal donker en tijdens de eerste maten van het orkest, zacht en geheimzinnig, klink het vrolijke gedartel uit de trekharmonica aan de rand van de orkestbak. Ik weet zeker dat Moessorgski zo'n incident maar wat mooi had gevonden. Hij was een kindervriend, denk maar aan De kinderkamer, de liederencyclus waar Liszt zo gek op was en die maakte dat hij Moessorgski uitnodigde naar Weimar te komen. Alles zou worden betaald. Maar de meester durfde het niet: treinangst. Die rotdrank. En denk aan de kinderscènes uit de opera. Mijn vader heeft nog nooit zo veel van me gehouden als toen hij me als stervende Boris in zijn armen hield.

Maar ja, muziek is mooi, maar het moet wel van één kant komen. Dus de dirigent tikt af. Commotie. Zaallicht aan. Dat gespeel moet meteen ophouden. Wel heb ik ooit. U gaat of met hem naar huis, of de jongen levert ogenblikkelijk zijn instrument in. Dat gaat zomaar niet.

Wat de dirigent zich wel verbeeldt, roepen nu de ouders. Ze hadden hem speciaal meegenomen omdat ze dachten dat het een opera was waarin het om een jongetje ging en waarin kinderen optraden en dat dat nu juist iets was voor hun vent. En nu krijgen ze dit. Aan het einde kwam er zelfs een mongool op het toneel. Je kunt tegenwoordig nergens meer komen, nergens met fatsoen naartoe of er is wel weer wat. Die jongen heeft meer gevoel voor muziek dan dat hele orkest en meneer de dirigent bij elkaar. O zo.

Met zachte drang probeert de directeur van de schouwburg de jongen zijn harmonica af te nemen. De jongen sterft nog liever dan zijn instrument uit handen te geven. Jonge, jonge, dat wordt me wat. De zaal bemoeit zich ermee. Het gaat hier niet meer om muziek. Het gaat om het principe. In Friesland zijn ze tenslotte niet van de straat. Friezen zwichten niet. Dit is niet zomaar een mongool, dit is een Friese mongool. En daar heeft iedereen van af te blijven. Zo is dat. Hij speelt toch niet de hele avond. Nee, nee, knikken vader en moeder. Zeker niet de héle avond. Vader en moeder staan pal. Pa heeft niet voor niets bij het verzet gezeten, die heeft zelfs een postkantoor opgeblazen. Zijn zoon speelt alleen aan het begin. Als een orkest luider wordt hoor je hem sowieso niet meer.

Vooruit. Daar gaat-ie dan. De jongen heeft er nu geen zin meer in. Als het zo moet… graag of niet. Hij speelt wel ergens waar ze het wél mooi vinden.

Dan komt aan het slot de scène met de heilige Onnozelaar. Via een trapje aan de zijkant kun je het toneel opkomen. Onze mongool naar boven. De zanger die de onnozele zingt is lief. Hem stoort de harmonicaspeler niet in het minst. Samen trekken ze de wijde wereld van het toneel over. Samen klagen ze over het lot van het arme Russische volk. De zaal vol Friezen staat op alsof het hen betrof. Samen schreien ze van binnen over het lot van de grootste Russische componist die ooit heeft geleefd en die zich uit verdriet om zijn miskenning heeft dood gedronken.

Proost.