Borrelen met flaubert en baudelaire

Maxime du Camp, Uren met Flaubert en andere herinneringen. Samengesteld, vertaald en van een nawoord voorzien door Edu Borger. Uitg. de Arbeiderspers (Privedomein), 243 blz., f49,90
HET LIJKT zo leuk, bevriend te zijn met een groot schrijver. Je rijdt mee op de treeplank van zijn roem, sprankelende conversaties verschaffen je een exclusief inzicht in de achtergronden van zijn literaire meesterwerken, en tot slot kan het ook nog een aardige oudedagsvoorziening op leveren, aangezien de brieven van en herinneringen aan de held later om te zetten zijn in klinkende munt. Maar daarnaast is er ook dat knagende besef dat je naam alleen zal voortleven als ‘de vriend van…’. Als je meer wilt worden dan een voetnoot bij de literatuurgeschiedenis, dan zal je zelf wel zeer opmerkelijke prestaties moeten leveren.

Maxime du Camp (1822-1894) was bij leven een gerenommeerd romancier, dichter, historicus en chroniqueur. Bovendien behoorde hij tot de eerste generatie grote fotografen. Toch geniet hij tegenwoordig alleen nog bekendheid als de vriend van Flaubert. Het is dus niet verwonderlijk dat de onlangs vertaalde selectie uit Du Camps tweedelige Souvenirs litteraires luistert naar de titel Uren met Flaubert. Want hoewel de inhoudsopgave doet vermoeden dat slechts het eerste hoofdstuk over de geniale schrijver uit Croisset gaat, doemt hij ook in de rest van het boek keer op keer op. Vreemd is dat niet, aangezien hun vriendschap 35 jaar duurde, tot aan de dood van Flaubert, en de nodige stormen overleefde.
DU CAMP ontmoette de een jaar oudere Flaubert in 1843, toen de laatste weinig overtuigende pogingen deed om rechten te studeren. Toen Flaubert na enige tijd onthulde dat hij schrijver wilde worden en Du Camp zijn eerste probeersels voorlas, schijnt deze onmiddellijk begrepen te hebben dat hij te maken had met een literair talent van ongekende omvang: ‘Eindelijk hebben we er een groot schrijver bij gekregen en ik mocht dat goede nieuws vernemen.’
De twee beraamden samen grootse plannen voor wetenschappelijke studies, literaire meesterwerken en verre reizen. In 1847 doorkruisten ze tezamen te voet het toen nog vrij geisoleerde Bretagne en drie jaar later vertrokken ze naar de Orient. Dat het voor de jonge literatoren ingrijpende ondernemingen waren, blijkt uit de, ook door Edu Borger vertaalde, brieven van Flaubert. Vanuit Constantinopel schreef hij aan hun wederzijdse vriend Louis Bouilhet: 'Gisteravond heeft Maxime, hoewel hij in geen zes weken meer genaaid heeft, een dubbele ontvelling bij zichzelf ontdekt, die volgens mij verdacht veel weg heeft van een tweekoppige sjanker. Als het er een is, dan is het de derde sief die hij sinds we op weg zijn te pakken heeft. Niets is zo gezond als reizen.’
In de bij zijn leven gepubliceerde herinneringen is Du Camp uiteraard heel wat minder vrijmoedig dan Flaubert in diens particuliere correspondentie. Niettemin ging hij sommige tijdgenoten al te ver in zijn indiscreties. In zijn voorwoord wijst Borger op de kritiek van Guy de Maupassant op de Souvenirs litteraires. Wat hij Du Camp vooral kwalijk nam, was dat deze zeer openlijk over Flauberts epilepsie had geschreven. Hoewel de ziekte van Flaubert een publiek geheim was, vond Maupassant dat de nagedachtenis van de grote meester nu bezwadderd was.
Wie Uren met Flaubert leest, zal echter constateren dat dit nogal meevalt. Opvallend zijn wel Du Camps pogingen Flaubert terug te brengen tot wat menselijker proporties. Soms doet dit enigszins potsierlijk aan, bijvoorbeeld als hij schrijft: 'Gustave Flaubert is een schrijver met een zeldzaam groot talent geweest; zonder de zenuwaandoening die hij heeft gekregen zou hij een genie zijn geweest.’ Du Camp vermeldt niet wie hij dan wel tot de genieen rekent.
MAUPASSANT WAS echter van mening dat Flaubert gewroken moest worden en toonde aan dat Du Camp de talenten van zijn vriend had onderschat. Du Camp was redacteur en eigenaar van de Revue de Paris, waarin de voorpublikatie van Madame Bovary verscheen. In zijn herinneringen vertelt Du Camp dat het reeds na het verschijnen van de eerste hoofdstukken protesten regende van lieden die van mening waren dat de goede zeden werden aangetast. Er dreigde een proces en na een heftig conflict stemde Flaubert erin toe dat bepaalde passages werden weggelaten, op voorwaarde dat werd vermeld dat hij het hier eigenlijk niet mee eens was. Maupassant publiceerde een brief waaruit bleek dat nog voor het verschijnen van de eerste aflevering uitgerekend Du Camp bezwaren had van literaire aard. Hij stelde voor dat 'overbodige’ passages zouden worden geschrapt door 'een geoefend en bekwaam persoon’. Het honorarium van deze redacteur zou worden ingehouden op de rechten van Flaubert. Maupassant: 'De verminking van dit typische, voortaan onsterfelijke boek, uitgevoerd door een geoefend en bekwaam persoon, zou de schrijver slechts zo'n honderd franc gekost hebben! Waarachtig, het is geen geld!’
FLAUBERT ZAL allesbehalve een gemakkelijk mens zijn geweest. Om met hem bevriend te blijven moest je ongetwijfeld van goeden huize komen. Du Camp geeft tal van voorbeelden waarin Flaubert zijn zwakke kanten liet zien. Hij kon zich ongelooflijk aanstellen, redeloos doordraven en werd geregeld overspoeld door zelfmedelijden. Vooral bij vrienden die hard moesten werken voor hun geld, wekte het zelfbeklag van de welgestelde rentenier vaak irritatie op.
En hoewel Du Camp er geen twijfel over laat bestaan dat hij zich in literair opzicht verre de mindere van Flaubert achtte, ergerde hij zich nogal eens aan diens 'ziekelijke hoogmoed’. Toen hij Flaubert erop wees dat een bepaalde passage vrijwel letterlijk in Goethes Wilhelm Meister stond, riposteerde Flaubert: 'Dat bewijst dat het Schone slechts een vorm heeft.’
De l'art pour l'art-opvatting die Flaubert, Louis Bouilhet en Theophile Gautier aanhingen was Du Camp veel te dogmatisch. Zijn standpunt klinkt heel redelijk, heel modern: 'Er bestaat geen doctrine in de kunst, er bestaan alleen temperamenten; ik bewonder de schoonheid overal waar ik haar tegenkom en weet dat systemen het intuitieve produkt zijn van de gebreken en kwaliteiten van degene die ze verkondigt.’
Hoewel Du Camp ook heel enthousiast schrijft over auteurs die reeds lang vergeten zijn, had hij een uitgesproken neus voor literair talent. Zo had hij ook al heel snel door wat de kwaliteiten van Baudelaire waren. Wat zijn herinneringen echter vooral tot zulke prettige lectuur maakt, is de - toegegeven, het klinkt wat zalvend, maar het is nu eenmaal zo - warmte en menselijkheid waarmee hij schrijft.
Mooi zijn bijvoorbeeld de bladzijden die hij wijdt aan Philoxene Boyer, een dichter van meer dan middelmatige begaafdheid en een bescheiden vermogen. Een horde kunstenaars - onder wie Hugo, Baudelaire, Gautier en de fotograaf Nadar - overlaadde hem met complimenten, vereerde hem met blijken van vriendschap - en vrat hem uit tot op de laatste centime, waarna Boyer in armoede ten onder ging. Aangrijpend zijn ook de bladzijden waar Du Camp de waanzin en teloorgang van Gerard de Nerval beschrijft.
HOEWEL literatuurhistorici menige fout of onnauwkeurigheid hebben kunnen aanwijzen in de Souvenirs litteraires, niettemin bieden deze herinneringen een uiterst levendig inkijkje in het culturele leven van Parijs tussen 1840 en 1880. En dat sommige anekdoten nogal bekend voorkomen, ligt aan het feit dat diezelfde literatuurhistorici Du Camps werk altijd zeer graag als bron hebben gebruikt.
Onvergetelijk is immers wat hij heeft geschreven over Baudelaire. Bij hun eerste ontmoeting vroeg Du Camp de dichter wat hij wilde drinken. Baudelaire deelde hem mede dat hij uitsluitend nog wijn dronk. 'Ik liet hem de keuze tussen bordeaux en bourgogne. “Meneer, als u mij toestaat zal ik zowel het een als het ander drinken.” Er werden twee flessen, een glas en een karaf gebracht; hij zei: “Meneer, wees zo goed die karaf te laten verwijderen; de aanblik van water is mij onaangenaam.”’ Terwijl Baudelaire zoop als een voerman, merkte Du Camp op dat hij bij elke teug eventjes uit zijn ooghoeken keek om te zien welke indruk hij op zijn gastheer maakte. Een andere keer dat Baudelaire op bezoek kwam bij Du Camp had hij zijn haar groen geverfd. Toen Du Camp weigerde daar een opmerking over te maken, verliet de dichter woedend het pand. Du Camps oordeel over deze kinderachtigheden, die hun vriendschap niet verstoorden, is even droog als juist: 'Zijn originaliteit, die groot was, werd dikwijls verkleind door de moeite die hij deed om haar goed uit te laten komen.’
Du Camp was waarschijnlijk gewoon te nuchter voor excentriek gedrag a la Baudelaire, of voor de lyrische brulpartijen van Flaubert en de aanstellerij van Gautier. Misschien was hij gewoon niet gek genoeg om een heel groot schrijver te worden. Uit dit boek blijkt echter niet alleen dat hij heel behoorlijk kon schrijven, bovenal wordt duidelijk dat hij een bijzonder groot talent voor vriendschap had. En dat is heel wat.