Film: International Film Festival Rotterdam

Borsten van zand

Het International Film Festival Rotterdam opent dit jaar met nieuw werk van Paul Thomas Anderson, die tussen eind jaren negentig en nu Boogie Nights, Magnolia, Punch Drunk Love en There Will Be Blood maakte. Het gaat om The Master, een glorieus, in 70 mm gedraaide film over een kwetsbare man die na de Tweede Wereldoorlog in Amerika in de ban van de charis­matische ­leider van een sekte raakt die gebaseerd is op de Scientology-beweging.

Medium master ensemble 660

De relatie tussen de ­leider, Lancaster Dodd (Philip Seymour Hoffman), en de man, Freddie Quell (Joaquin Phoenix), lijkt op die van vader en zoon. Maar meer gaat het om meester en volgeling. De film ­onderzoekt de vraag waarom mensen zich ­vrijwillig onderwerpen aan de macht van ­anderen.

Wie overeenkomsten met L. Ron Hubbard en zijn Scientology wil zien komt zeker aan zijn trekken bij The Master – toch is de link met Scientology in wezen oppervlakkig. Dit is zeker geen biopic; ik vermoed bovendien dat Hubbard niet zo interessant kon zijn geweest als Dodd, van wie je al gauw gaat houden, onwillekeurig net als Freddie. Wat dit betreft is Dodd een reïncarnatie van Plainview, de oil man die in There Will Be Blood even overtuigend als Dodd een evangelie predikt – dat van het kapitalisme.

Wie gelooft in en zich derhalve onderwerpt aan het charisma van een meester stelt zich open voor het slachtofferschap. Maar is dat dan bewust? In zijn performance, een krachttoer, zet Phoenix een man neer die iets essentieels in zijn leven mist. Dat idee krijgt vorm in een ­schitterend beeld van Freddie op een oorlogsschip: hij ligt op de loop van een kanon met zijn gezicht naar de hemel gericht, zijn ogen dicht. Misschien schemert hier iets van Freud door, ook gezien een fabuleuze openingssequentie waarin Freddie op een strand ergens, met de andere soldaten om hem heen, een zandsculptuur maakt van een naakte vrouw met grote borsten. Later zijn de soldaten weg. En masturbeert Freddie met zijn rug naar ons toe. Voor hem de zee. Nog later: Freddie alleen op het strand, slapend bij zijn creatie, met zijn wang tegen de borsten van zand.

Wat Freddie mist vindt hij in zijn relatie met Dodd, een man die een bizar geloofssysteem gericht op zelfhulp ­ontwikkelt door repressietheorieën van Freud, inderdaad, te vermengen met een soort tijdreizen, reïncarnatie en het idee van herinnering als vorm van catharsis. Hij noemt het: ‘de weg’. Dat is ironisch, want iedereen die zich aansluit bij de beweging van Dodd is en blijft de weg kwijt. Stuurloos geraakt door oorlog, door een overdaad aan mannelijkheid zou je kunnen zeggen, zoekt Freddie naar zachtheid. Hij vindt vooral een leider die van alles belooft, maar die vooral zegt: kijk, hier is iets om in te geloven. Zo verpersoonlijkt Dodd de culturele ontwikkeling in Amerika waarin megalomanie en de populaire verbeelding een ‘nieuwe waarheid’ scheppen die vooral verder weg van de herkenbare werkelijkheid drijft. Een kernmoment in de film komt wanneer een Dodd-volgeling, een geldschieter gespeeld door Laura Dern, vraag­tekens zet bij een specifieke passage in zijn nieuwste boek. Hierin staat dat mensen, willen ze hun leven verbeteren, niet ‘herinneringen’ aan hun verleden moeten oproepen, maar dat ze zich dat verleden moeten verbeelden. Dat zegt alles. Niet alleen kun je je eigen leven bepalen, je kunt je eigen verleden verzinnen. Dat is onweerstaanbaar, net als het lichaam van de vrouw op het strand.


Te zien op het International Film Festival Rotterdam van 23 januari tot 3 februari