Thomas Rosenboom, De nieuwe man

Borstig voortschrijdend, of: de hatelijke lach

Thomas Rosenboom

De nieuwe man

Uitg. Querido, 316 blz.,

€ 18,95 (gebonden € 24,95)

Vijf jaar deed Flaubert over Madame Bovary. Soms schreef hij maar tien regels per maand. Hoe ver zijn identificatie ging met zijn romanpersonage blijkt uit zijn briefwisseling met de schrijfster/dichteres Louise Colet: «Op het ogenblik dat ik het woord zenuwtoeval neerschreef, was ik zo in vervoering, ik schreeuwde zo hard en voelde zo intens wat mijn wijfje onderging, dat ik bang werd zelf een zenuwtoeval te krijgen.»

Flaubert, naast Hermans en Kafka, heeft Rosenboom gevormd als lezer, en later ook als schrijver. In het vorig jaar verschenen Aanvallend spel: Vier lezingen over schrijven, gebruikt Rosenboom een aantal keren scènes uit Madame Bovary om zijn opvattingen over de roman te illustreren. In zijn eerste verhandeling geeft hij het advies om Flauberts roman vooral te lezen als een komedie, en niet als een tragedie. Pas dan zie je dat de roman een «even hatelijke als hautaine zedenschets» is, pas dan zie je dat Flaubert zijn parodie «tot hilarische hoogte» drijft, pas dan hoor je hoe Flaubert iedereen zit uit te lachen. Nu lees ik Madame Bovary bij voorkeur niet als een komedie, omdat ik — erg madame-bovariaans — niet van komedies houd. De optekening van Madame Bovary’s neergang werd klassiek, omdat Flaubert er als geen ander in slaagde het komische en het tragische met elkaar te verbinden, waarbij het tragische bleef overheersen.

Die verbinding zie ik terug in de romans van Thomas Rosenboom, al legt hij — als te verwachten — de nadruk op het komische. Rosenboom schrijft op de lach, de hatelijke lach wel te verstaan, en dat doet hij met de vereiste superioriteit. In zijn nieuwe roman, De nieuwe man, kiest hij andermaal een strever als slachtoffer, die ten onder gaat aan zijn eigen overspannen verbeeldingskracht. Was Gewassen vlees (1994) nog een barok bouwwerk, met drekkige zijpaden en burleske taferelen, en gaven in Publieke werken (1999) parallel lopende verhaalintriges de roman een opera-achtige allure, in De nieuwe man is de romanwereld teruggebracht tot een kleine werf, begin vorige eeuw, en de sores van zijn eigenaar.

Niet alleen in reikwijdte schreef Rosenboom een kleinere roman, maar ook in omvang. Iedere zin is er één, waarmee hij de perfecte illustratie levert bij zijn lezingen over de ideale roman. In die roman wordt niets aan het toeval overgelaten, en heeft iedere punt en elk vogelgekwinkeleer zijn doel. «Scheppen houdt in: een maximale werking geven aan de in aanvang al aangebrachte elementen», aldus Rosenboom. In Aanvallend spel pleit hij voor een roman waarin feit en fictie met elkaar vermengd zijn; door zich te documenteren kan een schrijver een in eerste instantie vreemde en afgesloten wereld voor de lezer op authentieke en autoritaire wijze ontsluiten. De noodzakelijke spanning creëert de schrijver door als hoofdpersonage iemand te nemen die iets nastreeft en in zijn streven wordt gedwarsboomd. Ten slotte houdt de intrige alles bijeen, opgebouwd volgens het driefasenmodel, met — in Rosenbooms bewoordingen — het klassieke poppenkasteffect: als lezer houd je je hart vast en wil je roepen: «Doe dat toch niet, stop ermee, kijk uit!» De goede bedoelingen gaan met het personage op de loop; eenmaal ontketende krachten zijn niet meer in te dammen; zijn ondergang is het gevolg.

Als Rosenboom niet zo gebeeldhouwd schreef, in zinnen die het geklop en gehamer aan de werf resoneren, zou de uitwerking van zijn principes een zielloze en voorspelbare bedoening worden. Zelf redeneert de auteur waarschijnlijk omgekeerd: als je je niet aan de klassieke verhalende wetten houdt, verzuipt — hoe prachtig je ook schrijft — alles in machteloze mooischrijverij. Hoe dan ook, er valt veel taligs te genieten in De nieuwe man. Ik had er bijvoorbeeld nooit van gehoord, van «heumige» lucht, «tandig» water, een «sprille» blik en «borstig» voortschrijden, maar ze kwamen mij tijdens het lezen stuk voor stuk voor als uiterst adequate omschrijvingen.

Bepol en Niesten heten de opponenten. Niesten is «de nieuwe man» — «die harder sloeg dan de anderen, en daarom altijd dichterbij leek». Bepol is de man die plaats moet gaan maken, en die zich Niesten op alle mogelijke manieren probeert toe te eigenen. Die machteloze pogingen van Bepol, voor wie doen en laten van Niesten al snel uitgroeien tot een obsessie, maakt Rosenboom aanschouwelijk in scènes die aangrijpend, maar nét iets meer lachwekkend zijn. Bepol gaat stiekem op Niestens motor zitten, snuift zijn vuile was op, en schenkt uiteindelijk zelfs zijn dochter aan hem weg. Eenmaal dochterlief de huwelijksnacht in zien gaand (het verbeiden daarvan wordt página’s lang hemeltergend beschreven), vraagt Bepol zich bezorgd af: «Zou hij straks, in het donker, het ingesleten op en neer van zijn hamerwerk wel kunnen ombuigen in het heen en weer van de streling?»

De nieuwe man is een verbluffend boek, op het griezelige af. Het hele pijnlijke circus van ambitie, vernedering en gekwetste trots wordt tot in de finesses opgevoerd. Griezelig vind ik het misschien dat Rosenboom waarschijnlijk niet geschreeuwd heeft toen hij zijn personage ten ondergang voerde. Hij zal vooral erg hebben gegrinnikt.