Popmuziek: Big Thief

Boselven uit stelen

De indieband Big Thief heeft lak aan de commerciële kant van de muziekindustrie en draagt een esthetiek uit alsof ze permanent uit kamperen zijn. Intense, compromisloze muziek.

Big Thief, van links naar rechts: Adrianne Lenker en Max Oleartchick, James Krivchenia, Buck Meek © Michael Buishas

Verzet kent vele vormen. Een ervan is het protestlied, dat natuurlijk ook weer vele gedaantes kent, variërend van Beethovens ‘Eroica’ over de oorlog tussen Frankrijk en Oostenrijk, tot de gospelklassieker ‘We Shall Overcome’, het lijflied van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Ook de single ‘Not’ van de indieband Big Thief uit Brooklyn wordt een protestlied genoemd. Elke regel begint met een ontkenning: ‘It’s not the energy reeling/ Nor the lines in your face/ Nor the clouds on the ceiling/ Nor the clouds in space.’ Het nummer somt, naar het einde toe steeds geëmotioneerder, alles op wat het niet is. Wat wat niet is? Domweg ‘het’ niet? Of benoemt het liedje, concreter, alles wat niet de hevige emoties veroorzaakte waaraan het uiting geeft? Hoe ongrijpbaar ook, dat de tekst verzet uitdrukt, is duidelijk.

Big Thief is in het algemeen niet vies van verzet. Met hun lak aan de commerciële kant van de muziekindustrie en hun esthetiek alsof ze permanent uit kamperen zijn, tonen ze zich een archetypische indieband. Maar wel dé indieband van het moment. Toen Big Thief vorig jaar genoeg nieuwe liedjes af had om twee platen te vullen deed de band dat ook: in mei verscheen U.F.O.F., dat genomineerd werd voor een Grammy en in oktober al werd opgevolgd door Two Hands.

Het misbruik en de trauma’s die ze expliciet bezongen op hun eerdere twee albums, Masterpiece uit 2016 en Capacity uit 2017, hebben op de twee nieuwste albums plaatsgemaakt voor meer surrealistischer teksten. Zoals een muziekcriticus op de muzieksite Pitchfork het beschreef, is het alsof je de scènes tussen geliefden en familieleden uit hun vroegere nummers nu door een donker zolderraam beziet. Big Thiefs steeds poëtischer folkrock klinkt volgens sommigen zoals Radiohead in zijn beste periode, maar dan gespeeld door boselven. U.F.O.F. en Two Hands werden laaiend enthousiast ontvangen en doken op in allerlei eindejaarslijstjes. Dit jaar staat de band voor het eerst wereldwijd op grote podia en festivals.

Alle leden van Big Thief volgden een muziekopleiding aan Berklee College of Music in Boston, maar tijdens hun opleiding bewogen ze grotendeels langs elkaar heen. Adrianne Lenker, frontvrouw, gitarist, tekstschrijver en de drijvende kracht achter de band, verhuisde na haar afstuderen naar New York waar ze in een bodega om de hoek tegen haar oud-studiegenoot en gitarist Buck Meek aanliep. Ze namen een tweetal EP’s op en gingen op tour in een camper. Toen in 2015 bassist Max Oleartchick en drummer James Krivchenia zich aandienden, werd Big Thief opgericht.

De ervaring in contact te staan met alles wat voor en na jouzelf komt, is in veel liedjes een thema

Ook in hun bandnaam schemert verzet tegen de muziekindustrie door, zij het een vredelievend verzet: de naam geeft niet zozeer aan dat ze ergens tegen zijn, maar dat ze het anders aanpakken dan collega’s die maar zo snel mogelijk succes willen boeken als de nieuwe unieke artiest. Gitarist Meek liep al met de naam in zijn hoofd sinds een docent had geadviseerd bij het schrijven van liedteksten niet krampachtig uiting te willen geven aan je unieke individualiteit. ‘Stelen’ uit ’s werelds collectieve bewustzijn zou een betere strategie zijn; het gestolen goed zou dan vanzelf wel deel worden van je persona.

Door zichzelf met de negatieve classificatie ‘dief’ tegenover ijdele collega’s te plaatsen, maakt Big Thief hen op een subtiel-ironische manier belachelijk. Iets vergelijkbaars deed de band door hun allereerste plaat Masterpiece te noemen. Want hoe de plaat ook zou worden ontvangen; een meesterwerk was het al.

Inderdaad ‘steelt’ Lenker voor haar teksten vaak uit een algemeen-menselijk bewustzijn, en levert dat in plaats van onpersoonlijke juist hyperpersoonlijke liedjes op. De gelijknamige single van het Masterpiece-album adresseert een aantal van de meest menselijke thema’s: dood, rouw, herinnering. Het nummer begint bijna proustiaans: een ‘jij’ en een ‘ik’ mijmeren boven dampende mokken warme drank over het verstrijken van de tijd. Aan het eind van het liedje ligt de ‘jij’ in een ziekenhuisbed, en verzucht de ‘ik’ hoe ondoenlijk het is om iemand te laten gaan. Of dit liedje over iemand gaat die Lenker echt gekend heeft, blijft onduidelijk. Het persoonlijke eraan is dan ook niet de mogelijk autobiografische achtergrond, maar eerder de bezielde omgang met dood en rouw die uit het liedje spreekt: ‘So I keep you by my side, I will not give you to the tide/ I’ll even walk you in my stride, Marie.’

Maar ook de autobiografische nummers, die wel degelijk in het Big Thief-repertoire zitten, zijn geen ijdeltuiterij. In ‘Mythological Beauty’ van het album Capacity vertelt Lenker namens haar moeder, de ‘jij’ in het nummer, over een aantal cruciale levenservaringen. Over het wanhopige moment, bijvoorbeeld, waarop zij haar dochter met een ernstige hoofdwond naar het ziekenhuis moest brengen. De vijfjarige Lenker had onder de eik staan toekijken hoe haar vader een boomhut bouwde, toen die een grote metalen pin uit zijn handen liet glippen. In het refrein spoort Lenker haar moeder aan om alles waar ze over inzit los te laten, haar eigen weg te gaan.

Hoe de bandleden één lichaam worden, terwijl het allemaal excentrieke individuen zijn

Op de albumhoes van Masterpiece staat een foto van Lenkers moeder als jonge vrouw en op die van Capacity denken we in eerste instantie een jonge Lenker te zien, maar in werkelijkheid zijn de karakteristieke, doodserieuze blik en de scherpe neus die van haar oudere neef, van wie ze duidelijk veel weg heeft. Lenker zelf ligt op de foto als baby in zijn armen.

De ervaring in diep gevoeld contact te staan met anderen, met alles wat voor en na jouzelf komt, is in veel liedjes een thema. De titeltrack van U.F.O.F. gaat zelfs, getuige de eerste regel ‘To my UFO friend’, in directe zin over vriendschap met het buitenaardse, ‘het andere’. De hippieachtige bijklank ervan resoneert met het leven van Adrianne Lenker. Haar eerste jaren bracht ze met haar ouders, broer en zus door in een religieuze commune, die hun toch te sektarisch werd. Het gezin had weinig te besteden en moest vaak verkassen. Naar de middelbare school is Lenker nooit geweest: ze voelde zich er niet op haar gemak. De indrukwekkende biceps die op sommige video-opnames van optredens duidelijk te zien zijn, stammen uit die tijd: ze verraden, behalve een zwarte band in karate, ook een jeugd als outcast en een bezorgde vader die zijn dochter op zelfverdediging deed.

Voor Lenker was al vroeg duidelijk dat ze in muziek een vluchtroute zou vinden. Vanaf jonge leeftijd kreeg ze gitaarles en op haar dertiende, toen ze al een eind op weg was om kindpopster te worden, werd haar vader haar manager. Totdat ze besloot haar eigen, alternatieve muziek te willen maken. Geld voor een muziekopleiding had ze niet, maar na een afspraak met de decaan van Berklee College of Music te hebben bedongen, en hem in plaats van argumenten haar liedjes op te dienen, werd haar een beurs aangeboden. Op beelden van campus-optredens is te zien dat Lenker nog niet haar karakteristieke verwassen shirts, oude spijkerbroeken en do it yourself-coupe draagt, maar eruitziet als een ‘gewoon meisje’. Een lieflijk topje en glanzend haar in vlechtjes: haar uitdossing steekt vreemd af bij haar scherpe, vroegwijze gezichtstrekken en stem.

Pas na haar afstuderen vervolmaakte Lenker haar dwarse houding tegenover de populariteitsnormen. Hoewel dwarsheid, verzet of protest bij nader inzien niet ontegenzeggelijk woorden zijn die Lenker en haar band recht doen. Hooguit plegen ze een ‘verzetloos’ verzet. Bijvoorbeeld: in een opname van de single ‘Not’, gemaakt in de Bunker Studio in Brooklyn en te bekijken via YouTube, is duidelijk te zien dat Lenker een tand mist. Zeker op het moment dat ze spontaan begint te grunten, maakt ze met haar missende tand een duivelse indruk. Verzet tegen de schoonheidsidealen in de muziekwereld? Als je de opname in het licht van Big Thiefs hele project beziet, van al hun liedteksten, lijkt het erop van niet. Vaker dan over verzet gaan hun teksten over loslaten, over het omarmen van de vergankelijkheid – datgene waartegen anderen zich zo graag verzetten. De teksten adverteren ‘brave surrender’, zoals Lenker het noemt in het nummer ‘Open Desert’ van U.F.O.F., waarin ze de tijd na haar eigen dood bezingt: ‘After all my teeth are gone/ After all the blood is drawn.’ Eerder dan verzet tegen wat dan ook, geeft Lenker een gebrek aan verzet tegen de vergankelijkheid prijs.

De opname van ‘Not’ intrigeert om nog meer redenen. Lenkers opperste concentratie, de steeds bijna-overhellende, ingehouden overgave waarmee ze zingt. De blikken van de bandleden die zo intens op elkaar gericht zijn, hoe ze almaar meer één lichaam worden. En dat terwijl het allemaal excentrieke individuen zijn: harder dan gitarist Meek zie je zelden iemand grooven, en drummer Krivchenia raast over zijn instrument als een wilde hond, zijn tong uit zijn mond.

Deze mensen maken op een compromisloze manier hun eigen muziek en plegen daarmee precies het ‘verzetsloze’ verzet dat cultuurkritische denkers als Judith Butler en Ariella Azoulay propageren: door het simpelweg met overtuiging op je eigen manier te doen, totdat die non-conformistische aanpak vanzelf wordt opgenomen in een algemeen-gedeelde belevingswereld. Big Thiefs succes bewijst dat dat laatste nu ook gebeurt.


Op 6 maart staat Big Thief in een uitverkocht Paradiso in Amsterdam. Begin juli spelen ze op Down The Rabbit Hole in Ewijk