Bosnische brandy

Achter de zandzakken in Sarajevo probeert de bevolking door te leven en zich te warmen. Met drank en wrange grappen. Een reportage over het dagelijks en nachtelijk leven tussen sluipschutters, zwarthandelaren en dronkelappen.
SARAJEVO - De berg Igman mag dan niet langer worden bestookt, de reis naar het ‘bevrijde’ Sarajevo blijft een heksentoer. Zeker met een oude Renault. In de ravijnen langs de kronkelende modderweg over de Igman liggen uitgebrande autowrakken en vrachtwagens. Om de haverklap is er oponthoud bij de controleposten van de Verenigde Naties en het Bosnische leger. Graafmachines en voedselkonvooien zorgen er voor dat je niet sneller dan dertig kilometer per uur kunt rijden. Een verkeerde afslag nemen is levensgevaarlijk, de berg is bezaaid met mijnen.

Op de laatste veertiende juli hielden de Franse soldaten van Unprofor een feestje op de berg. De voorste vrachtwagen van een passerend Belgisch voedselkonvooi werd plotseling beschoten met mortiergranaten. In paniek vluchtten de chauffeurs uit hun wagens en zochten dekking in de Franse APC’s (Armed Personal Carriers; kleine rupsvoertuigen die bescherming bieden tegen granaten). Ze konden niet naar binnen, want de APC’s bleken te zijn volgeladen met bier voor de viering van de veertiende juli. Twee Belgische officieren raakten zwaar gewond door granaatscherven.
Tijdens een oponthoud bij een wegversperring ontmoeten we in het schemerduister drie jongens uit Sarajevo. Hun auto, waarvan alle ruiten zijn weggeschoten, is afgeladen met koopwaar. Ze vragen of we een gedeelte van hun bagage in onze auto kunnen meenemen. De weg naar Sarajevo is nog lang en om tien uur treedt de avondklok in. Bewoners van Sarajevo mogen dan niet meer over de landingsbaan van het vliegveld rijden, de enige toegangsweg tot de stad. De jongens willen hun auto voor het vliegveld laten staan en te voet verder gaan door de looptunnel naar de stad. Aan de andere kant van de tunnel moeten we ze dan opwachten met de bagage. Als dank mogen we bij ze thuis slapen.
Het is aardedonker als we bij de tunnel arriveren. Twee van de jongens stappen uit, de derde is tolk bij Unprofor en kan daarom met ons het UN-checkpoint passeren, op de rand van het vliegveld. Een Franse blauwhelm inspecteert met een zaklamp de auto en verdwijnt met onze papieren in de controlepost, die tot het dak met zandzakken is omgeven. Even later blijkt de blauwhelm onverbiddelijk: niemand mag na tien uur het vliegveld passeren, morgenvroeg zijn we de eersten. We moeten terug, maar waarheen? De jongen uit Sarajevo zetten we af bij de tunnel, hij moet nu met vijf loodzware tassen koopwaar kruipend aan de andere kant van de tunnel zien te komen. Voor de tunnel heb je een speciaal pasje nodig, wij mogen er niet in. Een tweede tunnel, speciaal gebouwd voor auto’s maar nog niet in gebruik genomen, is kort geleden ingestort.
De dorpjes rond het vliegveld zijn uitgestorven. Alleen in het dorpje Butmir, op een steenworp afstand van de frontlinies, schijnt licht en klinkt muziek. In het zwaar gehavende restaurant wordt een bruiloft gevierd. Rond een houten tafel zingen vijftien stomdronken in zondagse kleding gestoken feestgangers Bosnische liederen. De kelner wil ons naar buiten sturen omdat we geen passende kleding hebben. Uiteindelijk kunnen we na veel gebarentaal voor honderd mark in een huis van een van de gasten slapen.
Het huis lijkt al jaren onbewoond. Voor de huisdeur is een muur van betonblokken opgetrokken, de ramen zijn dichtgetimmerd. De vloer is bezaaid met kledingstukken, aan de muur hangen trouwfoto’s en vaantjes van een voetbalclub. Op het aanrecht ligt een paspoort, met op de foto een stempel: geannuleerd. Buiten wordt de hele nacht geschoten.
DE VOLGENDE DAG doet Sarajevo vertrouwd aan. Trammetjes en bussen rijden naast paardekarren met huisraad, kinderen fietsen met jerrycans aan het stuur. Het lijkt of ieder gebouw, iedere straat en iedere steeg in Sarajevo wel eens op televisie is geweest: de kapotgeschoten flatgebouwen, het geblakerde ijshockeystadion van de winterspelen uit 1984, de ingang van de overdekte markt, de graven in het voetbalstadion en de parken, het haveloze Holiday Inn. Erg populair is het hotel niet meer, de entree ligt aan Sniper Avenue, een groot deel van de kamers is weggeschoten en een minuut bellen kost 25 Duitse mark. Hotel Bosnia, in het oude deel van Sarajevo, is het enige alternatief. Het hotel heeft stromend water, elektriciteit en telefoon en de bar heeft soepele sluitingstijden. Daar staat tegenover dat het hotel de hele dag wordt bevolkt door louche figuren die zich uitgeven voor tolk of taxichauffeur. Honderdvijftig Duitse mark is hun dagprijs, het personeel in het hotel werkt voor vijf mark per dag. Maar zelfs vijf mark is veel in een stad vol bedelaars.
In een steeg om de hoek van het hotel verkoopt een keurig in het pak gestoken professor uit Tuzla zijn platencollectie. Het doet hem pijn om zijn elpees van Bob Dylan, Neil Young en Pink Floyd voor een schijntje van de hand te doen, maar hij heeft het geld hard nodig om zijn gezin te onderhouden.
Ondanks de schrijnende armoede wordt er nu in ieder geval geen honger meer geleden in Sarajevo. Dank zij de weg over de Igmanberg is er voldoende voedsel in de stad. Op de markt zijn volop groenten en fruit te koop. Vlees kost twaalf mark per kilo, nog steeds een vermogen, maar voor de luchtaanvallen van de Navo kostte vlees een veelvoud van dat bedrag. Zwarthandelaren die vlees hadden ingekocht en dat tegen woekerprijzen wilden slijten, waren genoodzaakt hun waren met zwaar verlies te verkopen.
Jakob Finci is voorzitter van de joodse gemeenschap in Sarajevo en voorzitter van La Benevolencija, de liefdadigheidsinstelling die talloze bewoners van Sarajevo, ongeacht hun religie, het leven heeft gered. ‘Weet je het verschil tussen Auschwitz en Sarajevo?’ vraagt Finci lachend. 'In Auschwitz hadden we tenminste nog gas.’
De gevreesde Bosnische winter is in aantocht en in het gebouw van de joodse gemeenschap is het onaangenaam koud. Finci is net terug uit Amsterdam en brengt Jom Kippoer, de Grote Verzoendag, door in Sarajevo. Daarna reist hij naar Split om geld, voedsel en kleding in te zamelen.
Bij de ingang van de keuken staat een rij mensen te wachten op een warme maaltijd, aan de bar discussieren twee oude mannen in Ladino, het in Bosnie-Herzegovina bijna uitgestorven Judeo-Spaans. Voortdurend lopen bezoekers het sobere kantoor van Finci binnen. Aan de muur hangen foto’s van Tito en prenten van rabbijnen.
Finci kan nog steeds niet geloven dat er spoedig een wapenstilstand komt. De stad wordt weliswaar niet meer bestookt met mortiergranaten, maar aan de frontlinies rond Sarajevo wordt nog steeds gevochten. Finci: 'Bovendien is er nog steeds geen toevoer van water, gas en elektriciteit. Vrijwel alle ruiten in Sarajevo zijn kapotgeschoten, bijna niemand heeft verwarming en ik vrees dat veel oude mensen de winter niet zullen overleven. En wie zegt dat alle strijdende partijen zich aan een bestand houden? Een mortiergranaat kan de oorlog onmiddellijk weer doen oplaaien.’
NIEMAND IN SARAJEVO gelooft dat er echte vrede komt. Het jachtseizoen is tijdelijk gesloten, zeggen de meeste inwoners. Iedere dag worden er mensen doodgeschoten door sluipschutters. De meeste slachtoffers vallen op Sniper Avenue, de brede weg dwars door Sarajevo. De Servische sluipschutters zijn dag en nacht actief. Het ene moment lopen en fietsen er honderden mensen over Sniper Avenue, het andere moment blijft de lange weg onheilspellend leeg. De bewoners van Sarajevo zeggen dat het een goed teken is als het druk is op de Avenue.
Vrijwel alle auto’s in Sarajevo hebben kogelgaten of missen ruiten. Dagelijks scheuren we met 120 kilometer per uur over de Avenue - onwillekeurig in elkaar gedoken, al helpt dat natuurlijk geen zier tegen een eventuele kogel. Daarbij lopen we het gevaar een fietser te scheppen of door een krater te rijden. In de cafes wordt dagelijks tussen neus en lippen meegedeeld hoeveel mensen er die dag zijn gedood. Vrijwel iedereen heeft familieleden, vrienden of kennissen verloren. De plotselinge dood is een vertrouwd en vanzelfsprekend verschijnsel geworden in de necropool.
In het zwaarst gebombardeerde gedeelte van Sarajevo, aan Sniper Avenue, bevindt zich de enige revalidatiekliniek van de stad. De kliniek wordt in bedrijf gehouden door vrijwilligers, de honderdvijftig patienten worden gratis behandeld. De wachtlijst is enorm, kinderen en oude mensen krijgen voorrang. Bij de meeste patienten zijn lichaamsdelen geamputeerd, bij veel kinderen zitten de granaatscherven nog in het lichaam. Bij andere patienten steken grote schroeven uit benen of armen. Ze hebben versplinterde botten; veroorzaakt door de kogels van sluipschutters.
Dokter Mirsad Muftic ziet er grauw en doodvermoeid uit, als alle dokters in Sarajevo. Elektriciteit is het grootste probleem van de kliniek. Een generator die in Europa vijfhonderd gulden kost, kost in Sarajevo het zesvoudige. Dokter Muftic kon de afgelopen dagen een generator lenen van een vriend, die een winkel heeft en een paar dagen buiten de stad is. Daarna zit de kliniek weer zonder stroom.
Muftic, die de kliniek in december 1993 heeft geopend en grotendeels afhankelijk is van giften, heeft meer zorgen. Het alcoholgebruik in de stad is sinds de oorlog zo mogelijk nog hoger geworden dan het al was. Veel jongeren zijn aan de drugs en medicijnen geraakt, veel meisjes zijn hoer geworden. Het aantal zelfmoorden is bijzonder hoog en Muftic vraagt zich af of de inwoners van de stad ooit nog een normaal leven kunnen leiden. Met een zuur lachje zegt hij dat er ook goed nieuws te melden valt: er worden nog steeds baby’s geboren in Sarajevo. Maar dat zijn vooral baby’s van onontwikkelde boeren die als vluchteling naar de stad zijn gekomen en niet beter weten.
Stephan Petterson komt uit Anchourage, Alaska, en werkt als masseur in de kliniek. Tijdens de Vietnamoorlog begeleidde hij de transporten van gesneuvelde dode Amerikaanse soldaten in body bags, vervolgens werkte hij jaren als vrijwilliger in de Gazastrook en was hij oorlogsfotograaf. Zijn huishoudster in Anchourage kwam uit Sarajevo en begin 1992 besloot Stephan uit sympathie voor haar als vrijwilliger naar de belegerde stad te gaan. Als eerste en enige Amerikaan vroeg hij het Bosnisch staatsburgerschap aan, een gebeurtenis die in alle kranten van Sarajevo uitvoerig is beschreven. De verfrommelde kranteberichten draagt hij dag en nacht bij zich. Ze hebben hem een boel narigheid bespaard bij wegversperringen van het Bosnische leger. Stephan raakte vervolgens verliefd op een inwoonster van Sarajevo en trouwde met haar.
Stephan: 'Het was midden in de winter, twaalf graden onder nul en de stad werd onafgebroken beschoten. Ik had nog een fles brandy en een fles champagne, via via had ik een zak bloedsinaasappelen weten te krijgen. Mijn vrouw en ik zijn vreselijk dronken geworden, het sap van de bloedsinaasappelen heb ik over onze lichamen uitgesmeerd en we hebben heftig gevreeen. Overal om ons heen sloegen de granaten in. Ik dacht dat ik helemaal gek werd.
Op een gegeven moment hield ik het niet meer uit en ben ik in de vrieskou op het balkon gaan staan, piemelnaakt. Ik begon te schreeuwen naar de Serviers aan de overkant en wees naar mijn lul: Smoke my dick, fucking C>pa108<etniks, smoke my dick. Aan de overkant stond een stokoude man onverstoorbaar de voordeur van zijn huis te herstellen, te midden van de beschietingen. Hij moest lachen toen hij me zag staan en liet vervolgens in alle rust zijn broek zakken en toonde zijn billen aan de Serviers.’
Kort na het huwelijk vertrok Stephans vrouw naar Anchourage. Hij twijfelt er aan of ze echt van hem heeft gehouden. Na haar vertrek hoorde hij dat ze met talloze Unprofor-soldaten had geslapen. Stephan werkte voor La Benvolencija, dank zij zijn Amerikaanse paspoort heeft hij talloze mensen uit Sarajevo weten te smokkelen. Uiteindelijk kwam hij als masseur in de kliniek van dokter Muftic terecht. De laatste weken heeft Stephan met zijn snelslinkende spaarcenten de noodlijdende kliniek onderhouden, meestal in de vorm van koekjes en koffie voor patienten en personeel.
MET DE SLUIPSCHUTTERS heeft hij leren leven, hij zegt alle gevaarlijke plekken in de stad te kennen. De plekken zijn aangegeven met bordjes en overal in de stad staan containers, autowrakken, en golfplaten tegen de kogels van de scherpschutters. 'Vertrouw op mij’, zegt Stephan lachend, 'maar als je naam op de kogel staat geschreven, is je moment gekomen.’ Als hij op een dag zingend tussen twee anti- sluipschuttercontainers slalomt richting Sniper Avenue en er Bosnische soladaten druk naar ons zwaaien, trekt hij bleek weg. Een half uur geleden blijken er hier twee mensen doodgeschoten.
Door Stephan leren we alle drankgelegenheden in Sarajevo kennen. Sinds enige weken doet de horeca van Sarajevo weer goede zaken. Tientallen cafes en restaurants, verscholen achter zandzakken en betonnen muren tegen granaten en scherpschutters, hebben hun deuren geopend. ’s Avonds zijn de cafes verlicht door kaarsen en gaslampen. Lokaal bier kost twee mark, de straffe Bosnische brandy drie mark. Door de pikdonkere winkelstraten van de stad flaneren honderden mensen. In de bioscoop om de hoek bij het Bosnische parlement draait Natural Born Killers. De discotheek in de buurt van de kapotgeschoten bibliotheek stroomt iedere avond vol met opgedofte jongeren. Tot ver na de avondklok dansen yuppies, rijk geworden van de zwarte markt, dronken soldaten en opgemaakte meisjes op Bosnische house-muziek. Drank is er volop, voor wie het kan betalen. Alles moet in Duitse marken betaald worden, met de waardeloze Bosnische dinars kan alleen nog brood worden gekocht.
Stephan heeft een vreemd gevoel voor humor ontwikkeld de afgelopen drie jaar. Als we op een avond, kort voor de avondklok, naar het hotel terugrijden, zegt hij een plekje te kennen van waaruit je een prachtig uitzicht over Sarajevo hebt. We rijden door aardeduistere, volkomen kapotgeschoten dorpen, de modderpaden slechts belicht door het schijnsel van de maan. Uiteindelijk arriveren we op een berghelling. Het uitzicht op Sarajevo is adembenemend, tot Stephan met een satanisch lachje zegt: 'Vijftig meter verderop zitten de C>pa108<etniks, zullen we nog een stukje doorrijden?’
DE DAG VAN Yom Kippoer. De synagoge is wonderlijk genoeg zo goed als onbeschadigd gebleven, zelfs de ruiten zitten nog in de sponningen. Door de ramen zijn op een nabij gelegen heuvel gelegen Servische dorpen zichtbaar. De synagoge is redelijk gevuld, iedereen is op zijn paasbest. De gemeente heeft geen rabbijn meer. Moshe Albahari, een van de ouderen, gaat voor. Hij leest moeizaam Hebreeuws. Via zijn walkman luistert hij naar de op een cassette ingesproken Hebreeuwse tekst en spreekt die vervolgens langzaam na. Dan legt hij in het Bosnisch aan de gemeente uit wat de tekst betekent en geeft hij aan wanneer de mensen moeten opstaan en moeten gaan zitten.
Aan het einde van de korte dienst zegt hij de kaddiesj, een gebed voor de leden van de gemeenschap die het afgelopen jaar zijn gestorven. De namen galmen macaber door de synagoge. Na het blazen van de sjofar (ramshoorn) schudden de mensen elkaar de hand, eten brood en drinken een borrel. Anders dan de meeste bewoners van Sarajevo zijn deze mensen niet van plan de stad ooit te verlaten. Jakob Finci: 'Als ik in het buitenland ben, mis ik Sarajevo. Mijn kinderen zijn in Israel, ik denk dat ik hier zal sterven. Als je leeftijd hoger is geworden dan je schoenmaat, is het bijzonder moeilijk ergens anders een nieuw leven te beginnen. En helaas heb ik kleine voeten.’
Ook Stephan Petterson is vastberaden in Sarajevo te blijven wonen en werken, ondanks de naderende winter en zijn gestaag slinkende geld. Hij is op zoek naar een nieuwe vriendin en schrijft ondertussen een boek dat Schoonzoon van Sarajevo als werktitel heeft.