Botensloper ruud mispel

‘EIGENLIJK BEN IK een gier. Een kadavervreter. Zo'n beest doet goed werk, want de rotzooi moet opgeruimd. Boten zijn mooie dingen, maar ze moeten er een keer aan geloven. Al het oude moet plaatsmaken voor iets nieuws. Dat wij ons bezighouden met sloop is dus helemaal zo gek nog niet. Het is maar hoe je het bekijkt.

Vaak willen mensen afscheid nemen. Soms is dat heel treurig. Er was hier een mevrouw die erbij stond toen we het schip in stukken scheurden waar ze zevenenzestig jaar op had gewoond. Ze was op die boot geboren. Dat is hard.
Maar er zitten ook klootzakken tussen. Wij kopen de boten op, dus als ze hier liggen, zijn ze van ons. Als dan de vroegere eigenaar er nog van alles af wil slopen voordat we het mes erin zetten, heb je aan ons een slechte. Je maakt het mee, hoor. Laatst nog een gozer die kwam vragen of hij nog iets van zijn ouwe bootje mocht afhalen.
Nou zijn wij de kwaadsten niet, dus we hadden zoiets van: oké, maar hou het rustig. Wat doet-ie? Hij sloopt al het houtwerk, haalt de ankers er vanaf en wil met allerlei kostbaars de tent verlaten. Toen we er iets van zeiden, had-ie een grote smoel. Dat het schip van hem was, zei-ie, en dat hij er vanaf kon slopen wat hij wilde. Maar wij hadden de schuit al betaald. Toen wilde hij op de vuist. Mijn maat is niet zo'n lieverdje. Die heeft die gozer even leren zwemmen.’
(‘JE KUNT DE sloperswereld een beetje vergelijken met de scheepvaart. Rauwe bonken, weet je wel. Ik heb zelf gevaren. Overal gezeten, de hele wereld gezien. Mijn collega’s zijn woonwagenjongens. Je komt daar nooit tussen als je niet gewend bent aan het vrije leven. Ik ben nu zestig, werk hier vanaf 1983. Ik was dertien toen ik bij mijn ouders wegging. Dan proef je de vrijheid en al gauw kun je niet meer zonder.
Ik woon op het terrein van de sloperij, in mijn caravan. Ik moet geen woning. Ik heb genoeg aan dit kleine stekkie. Ik heb een Russisch vrouwtje zitten in Riga. Als ik zin heb om haar op te zoeken, zeg ik: “Sorry jongens, ik ga er even twee weekjes tussenuit.” Als ik het in mijn bol krijg, ga ik lekker naar Spanje of Portugal met een last minute. Dat kan hier allemaal, omdat we vrije jongens zijn. Ik ga alleen weg als ik er zeker van ben dat dan de boel niet in het honderd loopt. We weten van elkaar dat we er soms tussenuit moeten. Die woonwagenjongens begrijpen dat als geen ander.
Acht uur werken per dag? Ben jij belazerd! De jongens komen hier om acht uur, half negen. Dan is er koffie. Voordat we aan de gang zijn, is het meestal half elf. Twaalf uur lunch. Uurtje eten en om half vier in de startblokken om naar huis te gaan. Als je in uren gaat rekenen, werken we maar vijf uurtjes per dag. Vijf dagen per week. En vrijdags sluiten we een uur eerder. Maar het is erg zwaar werk, het hele jaar door.’
'MET BINNENVAARTSCHEPEN is het soms gekkigheid. Sta je spiksplinternieuwe schepen te slopen. Dat komt door de sanering. Er zijn te veel binnenvaartschippers. Wie wil stoppen, kan dat aan de staat kenbaar maken. Krijgen ze een smak geld. Het schip wordt verkocht aan de hoogste bieder. De schipper krijgt niet eerder zijn poen van de staat dan dat zijn schuit gesloopt is.
Onze sloperij is zo'n beetje de snelste, dus meestal komen ze bij ons uit. Een controleur komt steeds bij ons checken of het schip al helemaal weggesloopt is.
We slopen ook zeeschepen, van die grote. Meestal Oost-Europese boten. Vaak gaan hun reders failliet. Dan kan er geen havengeld worden betaald en gaat het schip aan de ketting. De bemanning blijft aan boord totdat het achterstallige loon is betaald. Dat kan soms een jaar duren. Als de bemanning naar huis is, komt zo'n schip hier terecht. We hebben nu een Rus liggen. Vijfennegentig meter lang was-ie. Nu is er nog twintig meter over. Twee weken duurt het om zo'n reus te slopen.
Als de boten niet meer kunnen varen, worden ze hier naartoe gesleept. Eerst gaan er twee jongens op die alles weghalen wat losligt. Stuurhut leeghalen, aggregaten weg. Dan ga ik erop met de snijbrander. Ik snij de kop van het schip open. De lieren snij ik eraf, de kettingen, de ankers. De motor van de boegschroef haal ik eruit. Dan trekken we met een lier de boot het land op en begint het echte werk. Met een kraan waaraan een grote knipschaar is bevestigd scheuren we hem in stukken. Knipknipknip, tot aan het deel waar de machinekamer zit. Daar kruip ik in om alles los te branden. De machines zijn veel waard, dus dat moet secuur.
In een machinekamer kun je op honderd manieren je nek breken. Overal vet, bagger en narigheid. Gescheurde leidingen, isolatiemateriaal van glaswol. Dat dondert aan alle kanten naar beneden en het gaat overal in zitten. Russen zijn echt compleet gestoord. Die gebruiken vogelveren als isolatie. Lijkt het hier wel een kippenfarm.
Eerst moet de hoofdmotor eruit, dan begin je aan de hulpmotoren, luchtcompressors, pompen en olietanks. Als dat er allemaal uit is, kom je bij de vloerplaten. Die zijn het ergst. Niet los te krijgen. Voordat je ze eruit hebt, ben je een dag verder. Sleutelen kun je niet, dus aan vrijwel alles komt de snijbrander te pas. Met al die olietroep heb je zo een fik. Vaak ben je blij, heel blij, dat je uit het schip mag.’
'SOMS GAAT HET fout. De tanks van een oude koeienboot zaten nog half vol zware stookolie. Dat gaat enorm gassen als er geen lucht bij komt. Om die gassen eruit te laten moest ik er een gat in maken. Logisch toch? Ik naar beneden door zo'n smal mansgat. Gaatje in de tank gebrand. Ik wil omhoog klimmen, maar ik zie nog een vonkje liggen. Ik weer terug, vonk uitgetrapt. Op het moment dat ik me opnieuw door het mansgat wurm, explodeert de hele boel. Een steekvlam wilde samen met mij het mansgat door.
Ik was helemaal weg, zag eruit als een zombie. Brandwonden over mijn hele lichaam. M'n oren hingen zo'n beetje op mijn knieën. Vijf weken Brandwondencentrum in Beverwijk, drie maanden ziekenhuis, tweeënhalve maand revalidatie. Voor een gaatje in een olietank.
Er is maar één manier om over die schrik heen te komen: niet over lullen, gewoon weer aan de slag. Je moet je nooit laten intimideren door je eigen angst. Dus sta ik nu alweer jaren gezellig te branden. En als het nodig is, ga ik gewoon weer een tank in. Net zo makkelijk.’
'WE KRIJGEN SCHEPEN vol koeiestront en ongedierte. Vlooien, teken, noem maar op. Dat went. Chemicaliën zijn een stuk lastiger. Die zijn vaak gevaarlijk. Voor een gewoon mens, althans. Wij zitten er al jaren en jaren in. We worden er niet meer ziek van. Soms sta je tot aan je knieën in verontreinigd baggerslib, dan weer zet je je snijbrander op een wand met loodhoudende verf. Krijg je een blauwe walm. Erg mooi, maar niet bepaald gezond. Ik heb loodvergiftiging gehad, maar werken met een kapje voor, dat is niets voor mij. Nieuwelingen zijn binnen een of twee weken ziek. Als ze dan doorgaan, komen ze er doorheen. Gaan ze te lang onder de wol, dan bouwen ze nooit weerstand op.
Junkenbootjes zijn vreselijk smerig. Kleine woonarkjes, volledig uitgeleefd. Ongelooflijk wat je daarop vindt. Tegenwoordig haalt de gemeente ze meestal leeg voordat ze hier aankomen, maar vroeger zaten ze nog vol gorigheid als wij ermee aan de slag moesten. Vuile matrassen, spuiten, lappen met bloed. Zelfs volgebloed maandverband. Die steken we dus in de fik, die junkenbootjes. Jammer voor de junkies want soms ligt ergens in een kiertje nog een bolletje bruin. Een beetje gorigheid, of wat chemicaliën: oké. Dan weet je wat je hebt. Maar we hebben geen zin om aids of weet ik veel wat voor smerige ziekte op te lopen van andermans drek. Wat na de fik over is, is metaal en dat snijden we in stukken. Het schroot gaat naar de Hoogovens.’
'WERKEN IN DE stank went, maar soms is het te erg. Verrotte granen, een heel ruim vol. Een paradijs voor enorme ratten. Of een Scheveningse trawler met koelcellen vol gekaakte haring. Kwam de politie langs omdat er was geklaagd over een vislucht. Logisch, die haring lag al drie weken te rotten. En een maden, jongen, dat hou je niet voor mogelijk. Die lading hebben we overboord gekieperd. Het schip heeft twee weken liggen luchten voordat we er weer in durfden.
Maar het mooiste was de kattenschuit uit Kortenhoef. Was van een oude baas geweest die gek was op katten. Maar het mannetje werd dement en verzorgde zijn beestjes niet meer. Zijn katten hadden die hele boot ondergescheten. Mijn maat doet een luik open en zegt tegen me: “Moet jij hier nu eens even je kop in steken.” Dus wij met zijn tweeën flink inhaleren. Zijn we fijn samen over onze nek gegaan. a jongen, we lachen hier wat af.’