Boter, kaas en eieren

‘Gabber, schiet op. Die gozer daar moeten we doodschoppen voordat hij zelf in de gracht springt. Die is depri. Straks zijn we te laat.’ Dit, lief dagboek, zijn de laatste zinnen die ik in de stad opving. Sindsdien heb ik, zoals je weet, de straat niet meer op gedurfd. Maar denk vooral niet, dagboek, dat ik kritiek heb op jongeren.

Tegen een beetje pneumatische hamer en een aangescherpte cirkelzaag is mijn vrijheid van meningsuiting niet bestand. Dus probeer ik de jeugd te begrijpen. Die kinderen vinden de maatschappij natuurlijk saai en willen daar op geheel eigen wijze iets aan doen. Gelijk hebben ze. Wat moeten ze zonder jeugdbenden nu nagenoeg alle landen het op een akkoordje gegooid hebben? En al zou iemand als Saddam of, hoe heet hij ook weer, die Khomeini, per ongeluk de Derde Wereldoorlog beginnen, dan nog wordt dat conflict zonder jongeren uitgevochten! Vroeger was het volk tenminste nog goed om voor het vaderland te sterven. Tegenwoordig moet het werkeloos toezien. Alles gaat automatisch, met kernkoppen en raketten of zo. Vandaar, lief dagboek, dat zinloos geweld helemaal zo zinloos niet is, maar een begrijpelijke uitlaatklep. Niet iedereen kan zijn frustraties laten wegmasseren in de sauna of wegslaan op de golfbaan. Dus steken de kansarme jongeren hun agressie niet langer onder stoelen of banken, maar rijgen ze hun medemens open van navel tot strot. Al die onschuldige ingewanden op de stoep, let op mijn woorden, dagboek, dat zal de anatomische les van de komende eeuw worden.
Er is sinds ik geboren ben veel veranderd, bedenk ik vaak in mijn flatje, als ik door de brievenbus één keer per week brood, kaas en eieren in ontvangst neem. Vroeger leefden boeven achter slot en grendel. Vandaag eerzame burgers als ik.
Misschien hebben wij als generatie iets fout gedaan, onze kans op vrijheid verspeeld…