De ontwikkeling van ‘politiek correct’

Botsende vocabulaires

De term politieke correctheid kent een interessante geschiedenis. De connotatie veranderde door de jaren heen, afhankelijk van wie hem gebruikte. Die ontwikkeling laat prachtig zien hoe onze politieke wereld in de taal tot leven komt.

Medium anp 53408713
Demonstratie op Berkeley ­University tegen de komst van de conservatieve commentator Milo Yiannopoulos. Californië, 24 september © Noah Berger / Reuters / ANP

De term ‘politieke correctheid’ maakt sinds een decennia of drie de tongen van politici, journalisten en schotschrijvers los – maar wat betekent het eigenlijk? Politieke correctheid (ook wel P.C., spreek uit: ‘Ik ben niet Péé-Céé’) is een van die begrippen waarvan de pejoratieve betekenis duidelijker is dan de zuiver taalkundige. Voor zover er sprake is van enige consensus, leunt die op twee pijlers: dat het een term is met een geschiedenis en locatie, en dat met name linkse en liberale mensen er extreem zelfbewust van worden.

Eerst de geschiedenis. Het hangt ervan af welke bron geraadpleegd wordt, maar de meeste scribenten die zich enigszins in de oorsprong van het begrip verdiept hebben, zijn het erover eens dat de term twee geschiedenissen heeft die in de late jaren tachtig samenkomen, voor de term zich vroeg in de jaren negentig in het publieke taalgebruik vestigt. Eerst waren er de communisten uit de jaren dertig in de Verenigde Staten, die de term reserveerden voor hen die het met net iets te veel plichtsgetrouwe graagte opnamen voor de Sovjet-Unie – politiek correct waren zij die zichzelf desnoods nog zouden aangeven als ze op een ochtend wakker werden na een lasterlijke droom over Stalin.

Met het afsterven van de communistische beweging in de VS na de Tweede Wereldoorlog raakte ook het begrip in onbruik, om pas weer hervonden te worden in de jaren zeventig. De term werd onder Nieuw Links in sommige kringen ironisch gebruikt voor diegenen die de laatste inzichten wel erg gretig toepasten in de praktijk: plagerig, niet per se als afwijzing van de gedachte zelf, maar gewoon – het laten rondgaan van de koek voorafgaand aan de vergadering hoeft ook niet altijd de principes van de revolutie tot op de letter te volgen, zeg maar. In een gerelateerde toepassing sprak men elkaar met de term vrolijk vermanend toe als de eigen principes eens per ongeluk werden geschonden – ‘Niet erg politiek correct, kameraad!’ Soms werd de term ook met meer ernst ingezet (met name door kwetsbare groepen) om aan te geven dat iemand vertrouwd kon worden.

Er zijn twee theorieën over hoe de term het vanuit dit marginale gebruik tot politieke sjibbolet schopte. De eerste is dat het enkele neoconservatieve auteurs waren die het begrip tegenkwamen, het nog kenden uit hun communistendagen, en er de noodklok over luidden omdat ze er het spook van conformisme en repressie achter zagen. De tweede theorie is dat een paar conservatieve polemisten min of meer bij toeval op de term stuitten terwijl ze zich als onderdeel van de culture wars verdiepten in feminisme en er vrijwel meteen de potentie van in zagen, als stok om ‘links’ mee te slaan.

Wat werkelijk momentum gaf aan de term was de publicatie van een reeks boeken van conservatieve schrijvers die zich zorgen maakten over de staat van het geestelijk leven in de Verenigde Staten, te beginnen met Allan Blooms The Closing of the American Mind. Hoewel de term geen rol van betekenis speelt in het boek van Bloom, liep het argument dat hij maakte in de pas met de groeiende vrees dat de VS weldra zouden bezwijken aan politieke correctheid. Met Bloom begint het hedendaagse gebruik van de term: vanaf de jaren negentig doet die zijn intrede in het publieke discours – boeken, columns, politieke toespraken en debatten, totdat de term een huishoudbegrip werd.

Wie de hele dag wil schelden wordt meestal niet voor een universitair congres uitgenodigd

Het grote publiek wordt mede bereikt via reportages in The New York Times en New York Magazine, waarin journalisten en essayisten zich, eigenlijk uitsluitend naar aanleiding van anekdotisch bewijsmateriaal, opwinden over de naderende epidemie. Patient zero is in alle gevallen de universiteitscampus; dat gold voor Bloom en een reeks epigonen na hem, en voor de magazines en kranten die gelezen worden door het liberale smaldeel van de bevolking, dat in tamelijk alarmistische toonzetting de gruwelen van het Amerikaanse campusleven voorgeschoteld kreeg.

Op de pagina’s van New York Magazine bijvoorbeeld werd naast een reportage van John Taylor zonder gêne een collage van Mao’s Rode Garde en van boekverbrandende Hitlerjugend geplaatst. In zijn stuk bracht Taylor het verhaal van een professor aan Harvard die door zijn studenten als racist was gebrandmerkt samen met citaten van Roger Kimball, auteur van Tenured Radicals (een van de werken in het spoor van Bloom), bijeengesprokkelde anekdotes en suggestieve verwijzingen naar Hannah Arendts The Origins of Totalitarianism. Dat Kimball, die ook toen al een formidabele loopbaan als conservatieve polemist achter de rug had, in dat stuk gewoon zijn eigen worsten verkocht, of dat de uitvoerig besproken ervaringen van de Harvard-professor later door de man in kwestie zelf werden tegengesproken (de bewering dat hij zich op de campus door een fluisterkoor van stemmen die hem ‘racist’ noemden moest worstelen was geheel de ‘artistieke vrijheid’ van de journalist) deed aan de impact van het stuk niet af.

Met de publicatie in New York Magazine, en door reportages van journalist Richard Bernstein in The New York Times, maakte de term zijn opwachting in liberale kringen. De periodieke verflauwing van interesse voor de term heeft de blijvende obsessie ermee niet verzwakt. De Amerikaanse campussen blijven in de collectieve verbeelding plaatsen van grote griezel. En daarmee is ook de locatie van de term vastgesteld. De gedachte dat er iets mis is met universiteiten behoorde sinds de jaren vijftig en zestig standaard in het conservatieve repertoire. Nieuw was nu het idee dat het gevaar niet uitsluitend vanuit de professoren kwam, maar met name van de studenten. (Op de een of andere manier wordt het onwaarschijnlijke argument dat een handvol studenten in de VS een welhaast gramsciaanse hegemonie kunnen uitoefenen in de VS zelden kritisch tegen het licht gehouden).

Aan die twee krachten, de studenten en de professoren, en hun duizelingwekkende invloed op het publieke discours zou politieke correctheid haar kracht ontlenen: van de campus naar de media, van de media naar de overheid, van de overheid naar de werkvloer naar de woonkamer. Zodra een of andere academicus op de campus kritiek uit op de oververtegenwoordiging van dode witte mannen in het curriculum, of er een student is die vindt dat de wijze waarop wordt gesproken over het slavernijverleden onvoldoende is, berg je dan maar: voor je het weet zit diezelfde professor in je hoofd om te vertellen wat je wel en niet mag denken.

Met dit debuut in de hoofdstroom van het Amerikaanse medialandschap begint ook de overdracht naar Europa. Het is vanaf dit punt mogelijk verder onderscheid aan te brengen in het politieke gebruik van de term. Allereerst is er de conservatieve canon, die de term liefst zo breed mogelijk lijkt toe te passen op wat het culturele politieke ideeëngoed van ‘links’ (alles doelbewust vaag en breed gehouden) genoemd mag worden. Of het nu gaat om de gelijke behandeling van vrouwen, seksuele minderheden, het tegengaan van discriminatie en racisme, blijvende discussies over de omgang en waardering van de Amerikaanse geschiedenis (slavernij, de Burgeroorlog, de jaren zestig) – politiek correct is dat wat tegen de conservatieve lezing van de Amerikaanse geschiedenis en samenleving ingaat.

Het hedendaagse conservatisme dat zichzelf als verzetsheld ziet, verdedigt gewoon zijn privileges

Hoewel de vermeende subversieve effecten van politieke correctheid op het vrije debat vrijwel altijd worden aangevoerd om het fenomeen te bekritiseren, ligt de eerste steen des aanstoots ergens anders. Het begint bij de botsing tussen twee vocabulaires over de werkelijkheid. De conservatieve mythevorming over wat het betekent Amerikaans te zijn en wat voor land de VS zijn aan de ene kant; de academische kritiek op de werkelijkheid van dat land aan de andere: slavernij en racisme, consumentisme, religieus fanatisme, door het kapitalisme in stand gehouden stereotype sekserelaties. De lijst is vrij lang, maar het drama is in één oogopslag duidelijk: een onoverbrugbare kloof tussen een tamelijk verheven zelfbeeld en een register aan kritische analyses die vanuit de academie op die samenleving werd losgelaten, en die dat zelfbeeld totaal uit elkaar trekken.

Dat die twee werelden een eigen vocabulaire hebben mag niet verbazen. Dat die vocabulaires hard met elkaar botsten zodra ze elkaar probeerden te verstaan ook niet. Voor conservatieven is die strijd in de eerste plaats politiek; maar voor liberalen lijkt er wat anders op het spel te staan. Zij zijn het niet bij voorbaat oneens met die kritiek, maar hopen wellicht dat de kloof overbrugd kan worden als het conflict dat tot uitdrukking komt in de botsende vocabulaires ontzenuwd kan worden.

We naderen de kern. Voor zover politieke correctheid iets is, is het een spreekdaad – noch volledig handeling, noch uitsluitend expressie, maar iets wat van beide eigenschappen iets heeft. Het identificeert taal als plaats van strijd, omdat de manier waarop we dingen beschrijven of de manier waarop we over dingen spreken deels bepaalt hoe we ons tot die zaken verhouden. Het is expressie, maar een handeling in de zin dat het claimt dat de woorden die we gebruiken consequenties hebben die vergelijkbaar zijn met handelingen. Een goed deel van onze politieke wereld komt in de taal tot leven. En hoewel de relatie tussen taal, denken en daad complex is, lijkt er voldoende consensus dat ze, wat invloed betreft, behoorlijk wat met elkaar te maken hebben. Hoe we dingen noemen, bepaalt ook onze houding ertoe.

Vandaar ook de nadruk op een juiste manier van spreken die politieke correctheid kenmerkt – de taalkundige norm snelt op de gewenste maatschappelijke omwenteling vooruit. De Schotse komiek Frankie Boyle vatte dat nog best aardig samen toen hij zei: ‘Mensen vergeten dat “politiek correct” vroeger gewoon “spastische flikkerpraat” heette.’ Weinigen halen het vandaag in hun hoofd om Afro-Amerikanen met het n-woord te omschrijven, omdat we erkennen dat het woord een geschiedenis van onderdrukking en vernedering met zich meedraagt. Het niet in taal vernederen van zwarte mensen is deel van het grotere project om racisme tegen te gaan. Is dat politieke correctheid? Vermoedelijk. Begrenst het ons vocabulaire? Ook. Legt het een beperking op aan de vrijheid van meningsuiting? Meh. Als je werkelijk denkt dat het verzoek om met waardigheid behandeld te worden in het openbaar de vrijheid van meningsuiting ernstig begrenst, is de tegenvraag of je ‘mening’ niet gewoon troep is misschien relevanter. Als taal onze werkelijkheid mede conditioneert, moeten we misschien niet flauw doen als er mensen zijn die zeggen: ‘De manier waarop je met mij spreekt, tegen mij spreekt, of over mij spreekt staat me niet aan. Mag dat anders?’

Er zijn vermoedelijk niet veel mensen die zullen beweren dat de maatschappelijke normen van wellevendheid een ernstige beperking van de meningsuiting betekenen. Wie de hele dag wil schelden mag dat doen – het is gewoon ook zo dat men dan meestal niet voor een universitair congres wordt uitgenodigd. Maar, wat de uiterste buitengrenzen van wellevendheid zijn is noodzakelijk vaag, en het lijkt erop dat de meeste verhitte kwesties die onder ‘politieke correctheid’ vallen juist daarom gaan: over hoe we over de mensen of groepen spreken die nu nog buiten de boot vallen, en van wie het blijkbaar acceptabel is ze publiekelijk te vernederen of te kleineren. De strijd gaat over impliciete of expliciete normen en oordelen die in de taal besloten liggen en in taal tot uitdrukking komen.

Hoe meer ik over ‘politieke correctheid’ lees, hoe meer ik er een hartstochtelijk voorstander van ben

Daarnaast is het steeds relevanter wie er aan het woord is. Nathan Heller vatte dat een jaar of anderhalf geleden samen in zijn reportage over campus-activisme aan Oberlin College in The New Yorker: je kunt niet jarenlang energie investeren om ervoor te zorgen dat, bijvoorbeeld, zwarte studenten bij hun toelating gelijk behandeld worden, om daarna van ze te verwachten dat ze zonder morren de geschiedenis van witte mensen (Locke, Marx, Tocqueville) als hun eigen accepteren – zeker niet als die auteurs meestal nogal problematisch uit de hoek konden komen over andere etnische en raciale groepen. Wie daar kanttekeningen bij plaatst, of eist dat het curriculum ruimte maakt voor voorheen onzichtbare groepen, bedreigt niet meteen de canon van de ‘westerse beschaving’, maar vraagt gewoon of het misschien mogelijk is voor witte mensen om ook eens te luisteren naar de stem van groepen die eeuwenlang gemarginaliseerd zijn. De strijd om het gebruik van woorden, om wie er aan het woord is, om welke gesprekken we voeren is tot op zekere hoogte gewoon een vraagstuk over de allocatie van schaarse middelen.

De conservatieve reactie op politieke correctheid is voldoende bekend. Het is een containerbegrip dat betekent: dingen waar ik op ideologische grond mordicus tegen ben. De pathologie van het hedendaagse conservatisme is dat het zichzelf steeds als de eenzame verzetsheld ziet, terwijl gewoon privileges verdedigd worden. Hoewel nog niet dood is die pathologie ten minste al wel een keer of duizend ontmaskerd.

De reactie van min of meer linkse en liberale scribenten – het soort dat alarmistische essays in The Atlantic of New York Magazine publiceert – is duizendmaal interessanter. Het conflict over taal is voor hen geen in essentie politieke strijd, of een twist over de inzet van schaarse middelen, maar een van politieke vrijheden. De vraag wordt meestal opgeblazen tot een principiële kwestie over de vrijheid van meningsuiting: wie geen zin heeft om sommige sprekers een podium te geven, of wie vraagt om in het taalgebruik rekening te houden met de manier waarop men over groepen of individuen spreekt, krijgt nu ineens aangewreven dat men de vrijheid van meningsuiting niet zou respecteren.

Maar dat is een nogal merkwaardige, om niet te zeggen absolutistische claim: de normen van het sociaal verkeer veranderen voortdurend en zijn altijd afhankelijk van onderhandeling en context (het oorspronkelijke gebruik van ‘politiek correct’ als een grap onder leden van dezelfde sociale groep duidt daar ook op: de term gold als humorvolle interventie in het sociaal verkeer) en dat het op de een of andere manier niet voor ons taalgebruik zou gelden is merkwaardig. Alsof vrij spreken en schelden hetzelfde zijn – wat werkt in de bierhal is niet altijd geschikt in het klaslokaal.

Dat die normen onderdeel zijn van onderhandeling en langzame maatschappelijke evolutie, en dat de redelijkheid leidend moet zijn bij het bepalen ervan, spreekt voor zich. Het woordgebruik waarvan we ons bedienen in het sociaal verkeer is evengoed onderdeel van de sociale normen die we hanteren als bijvoorbeeld de gewoonte om in bepaalde situaties zakelijk gekleed te gaan, bij de bakker op onze beurt te wachten, in de trein niet hardop te bellen. Wie dat niet doet, moet niet zeuren als anderen hem als een paria behandelen. Waarom taal geen onderdeel van hetzelfde proces is, is niet helemaal helder. Het gaat immers niet om de ideeën die aan de tirannie van overheid of meerderheid worden onderworpen; het gaat om woordgebruik (en soms de verdeling van spreektijd). De bewering dat het om vrijheid van meningsuiting gaat, maakt het verschil bewust troebel en ontkent die sociale dynamiek ten gunste van een formalistisch en ongemakkelijk zittend argument: de aanroep van het recht smoort het sociale en politieke proces.

Door zo haastig naar de hoogste principes te grijpen en politieke correctheid te interpreteren als een enorme bedreiging voor de vrijheid van meningsuiting, is het links dat de conservatieve aanval op politieke correctheid ineens de mantel van morele verhevenheid geeft: er staan immers rechten op het spel. Plotseling komen we er bijna niet meer onderuit om bepaalde woorden bij wijze van verzetsdaad zo vaak mogelijk te herhalen, en de sprekers die ze gebruiken zo veel en zo vaak mogelijk aan het woord te laten. Geef racisten en ander gespuis in godsnaam een podium– de vrijheid van meningsuiting staat op het spel!

Maar het interessantste element van de liberale reactie gaat om die enorme paniekreactie, waardoor de discussie ineens naar het domein van de vrijheid van meningsuiting wordt getrokken. Door zo direct naar het liberale zilvergoed te grijpen, verraden de auteurs dat ze denkelijk ergens anders bezorgd over zijn: dat de erfenis van het progressieve denken over maatschappelijke problemen niet meer van hen is. Achter elke sneer over politieke correctheid schuilt de vrees dat zijzelf niet meer politiek correct – of vreeswekkender, politiek courant zijn.

De twist over politieke correctheid voor de conservatieven is ideologisch, maar voor de benauwde liberalen uit het midden psychologisch. De nachtmerrie is dat ze even niet hebben opgelet, en blijkbaar ineens in een ander kamp terecht zijn gekomen. Maar omdat ze dat kamp niet meteen op ideologische grond willen verdedigen, is de meest kansrijke strategie om het dan maar te gooien op spreekrecht. Het hele discours over politieke correctheid, lijkt het, is een psychologisch drama van mensen die zich altijd als ‘goed’ hebben beschouwd, en nu tot hun afschuw horen (vaak van een jongere generatie) dat het wat complexer ligt allemaal, en dat ze met hun tijd mee moeten gaan. Niet de vrijheid van meningsuiting staat op het spel, maar een voorheen genoten onbekommerdheid – het zalige voorrecht niet te veel te hoeven letten op de veranderende normen van de samenleving en om gevrijwaard te blijven van pijnlijke kritiek; de luxe niet te worden aangesproken op persoonlijke onvolmaaktheden.

Dat aan die situatie een einde komt is voor de betrokkenen ongetwijfeld sneu, maar niet meer dan dat – sneu. Het lijkt in ieder geval overdreven om erg veel begrip te hebben voor het psychologisch drama. Erom gniffelen is misschien wel veel gezonder. Ten slotte durf ik persoonlijk deze stelling wel aan: hoe meer ik over ‘politieke correctheid’ lees, hoe meer ik er een hartstochtelijk voorstander van ben – al was het alleen maar om het feit dat het die keurige liberale schoonschrijvers zo hevig verschrikt naar de parels doet grijpen.