Botsende werelden

Boek van de maand: Allard Schröders ‘Grover’, gekozen door de jury bestaande uit Pieter van Os, Sander Pleij en Jacq Vogelaar. De andere mededingers staan op de volgende pagina.

WIE OVER DEZE nieuwe roman van Schröder iets wil zeggen, komt bijna vanzelf in de positie terecht van de hoofdpersoon Grover, de ‘botterik met het scherpe verstand’. Als Grover over zichzelf en anderen praat is dat in de vrije indirecte rede. Daardoor wordt aan hem toegeschreven wat er gezegd en gedacht wordt, zoals de zojuist aangehaalde typering of een zinnetje als: 'Grover leefde zoals hij at.’ Hij eet bovendien zoals hij kijkt, kan de lezer al na enkele pagina’s invullen: schrokkend, zoekend en onzeker, uitdagend én beschaamd. Dat bedoel ik nou: Grover heeft het over schaamte, vernedering, wraak, zwaarte en lichtheid, het dierlijke en de geest, en dat zijn forse woorden waarvoor de auteur zich wel hoedt ze expliciet te gebruiken. Hij praat over Grover in termen van zijn hoofdpersoon en als deze bevattelijk is voor een zeker pathos, komt die toon voor zijn rekening. Een reden te meer om op je hoede te zijn voor de schijn van realisme waarachter de roman zich verschuilt, of beter misschien: het realisme, het herkenbare en na te vertellen verhaal. Dat is geen afwijking van mij, zeg ik er maar bij, de eerste alinea, een aparte paragraaf, bevat een duidelijke hint in die richting. 'Ik weet niet waar dit me brengen zal. Ik heb een plan en ik heb Grover, al is mij nog niet duidelijk wie hij is. Hij heeft iets dierlijks en dat bevalt hem omdat hij denkt dat het hem sterk maakt.’
De eerste persoon die de roman opent, doet er verder ogenschijnlijk het zwijgen toe, in elk geval komt er geen 'ik’ meer aan het woord. De opmerking dat Grover dénkt dat het dierlijke aan hem zijn sterkte is, drukt twijfel uit: laten we zien of dat waar is. Wie is Grover? Een proefpersoon.
De roman kun je na die gebruiksaanwijzing lezen als een case story: hoe is deze man van vijfendertig, zoon van een pomphouder en opgeklommen tot bankbediende, geworden wie hij is? Zelf noemt hij het op een gegeven moment 'een leven dat halverwege nog moest beginnen’. Zijn afkomst is hem niet alleen in zijn ziel gegrift, ze is hem blijvend aan te zien omdat zijn houding en zijn blik erdoor bepaald zijn. Om in Grovers termen te spreken: zijn vlees is de bewaarplaats van vernedering en schaamte, 'zijn voorouders roerden zich in zijn vlees, boeren met koppen van rot hout en lippen die gesprongen waren van de veenkoorts. (…) Op zo'n moment haatte Grover hen, uit angst dat hij nog steeds was wie zij ooit waren geweest.’
GROVER IS geen working class hero. Als jongetje droomde hij al van andere werelden waarvan hij soms een glimp opving in de auto’s die het benzinestation in de provincie aandeden, maar hij zal nooit, of hij dat nu wil of niet, van zijn verleden loskomen. Grovers sociale stijging - zo zien de inboorlingen hem die in zijn geboortedorp achterbleven - is eerder een val naar boven. Hoewel Schröder al het materiaal heeft voor een Bordewijk-achtige, breed uitgesponnen naturalistische schildering van een sociale wraakoefening, vermijdt hij de gemakkelijkste weg. Een voorbeeld: de relatie die Grover - geholpen door het toeval, maar zoals hij zelf zegt: het onvoorziene bestond voor hem niet - aanknoopt met de vrouw van een bewonderde en gehate topman van zijn bank. Zij vertegenwoordigt door haar afkomst een ironische wereld waar alles licht is wat Grover en zijnsgelijken van nature zwaar valt. 'Als hij met Madeleine Bork in bed lag, bekroop hem toch altijd het gevoel dat ze haar lichaam bij hem uitliet als een hond die zijn aandrang kwijt moest.’ De auteur had achter 'uitliet’ misschien beter een punt kunnen zetten, maar zijn hoofdpersoon is nu eenmaal grover en theatraler. Zo is zijn tweede natuur, zo is hij gewor den: gebleven wat hij door afkomst was, 'een knechtennatuur, een geboren onderling’.
Omdat hij dat zelf weet, heeft dat een verdubbeld én gespleten bewustzijn tot gevolg. Op Madeleine die hem keer op keer kleineert, kan hij op geen andere manier wraak nemen dan door haar lichamelijk te vernederen, 'hierbij vergeleken was sex een intellectueel spel met brave regels, pas in de vernedering openbaarde zich de waarheid omtrent de mensen’. Een botterik met scherp verstand, zo zag Grover zich - naar zichzelf kijkend met de blik van anderen. Fijngevoelig kun je hem moeilijk noemen, die luxe kan hij zich ook niet permitteren, wel heeft hij erg gevoelige antennes. Madeleine is niet meer dan een instrument geweest om Bork, haar echtgenoot, te treffen. Bork is een topman op de bank waar Grover werkt, in alles zijn tegendeel, niet per se als persoon maar omdat hij over alle attributen beschikt van een wereld die aan de zijne is tegengesteld.
De strijd tussen de twee mannen is er een tussen twee typen zo niet tussen twee klassen. En niet toevallig heeft de een, Bork, niet eens in de gaten om wat voor strijd het gaat: 'Met zijn soevereine aura was Bork een ideale geleider voor Grovers rancune. Iemand moest ervoor boeten dat deze nooit iemand anders kon zijn dan wie hij nu was. En dat was Bork.’
Grover komt erachter dat Bork met gelden van de bank geknoeid heeft, overigens niet voor eigen gewin. Zelfs Madeleine Bork denkt even dat hij haar gebruikt heeft om Bork ten val te brengen, zoals Grover van Borks misstap zou kunnen profiteren om wraak op haar te nemen. De verhoudingen waren zonder dat zij het wist omgekeerd, althans volgens haar manier van denken.
Grovers rancune en schaamte zitten echter ingewikkelder in elkaar, zoals uit de volgende reactie blijkt: 'Hij voelde zich bezoedeld door de platvloersheid van zijn rancune…’ Het is de eer van deze 'botterik’ te na om Bork en zijn vrouw zomaar af te maken, want in zijn verbeelding heeft hij dat al gedaan. Bovendien beseft Grover dat de ware vijand in hemzelf zit; misschien is dat het dierlijke waarvan hij kon denken dat het zijn fort was; in werkelijkheid is het sterker dan hij.
ALS DE ROMAN op dit vlak om een sociaal conflict draait, dan een waarvan het strijdtoneel zich in Grover zelf bevindt. 'De vijand had altijd de geur van Bork’, maar wrok was misschien een beter woord dan wrevel, 'omdat het iets ouds opriep, iets dat al dateerde van de tijd voordat hij Bork had leren kennen’.
Het is dan maar één stap naar de constatering dat de onzichtbare sociale grens in de roman staat voor allerlei grenzen tussen verschillende werelden en verschillende soorten personen - stuk voor stuk onoverbrugbare grenzen. Grover mag een geboren 'onderling’ genoemd worden, meer nog is hij een buitenstaander en dat is hij geworden zo niet gemaakt. Misplaatst voelt hij zich nog het sterkst wanneer hij met iemand een wereld deelt, omdat dat altijd slechts gedeeltelijk en tijdelijk is. De verschillende vrouwen in zijn leven zijn daarvan voorbeelden, ook in die zin dat hun rol verschilt al naar gelang het niveau waarop Grover zich een buitenstaander voelt.
Dwars door al die op elkaar botsende of elkaar overlappende werelden loopt een scheidslijn van een heel andere orde. Na een half leven komt Grover weer in aanraking met Kalle, de ongrijpbare jongen die voor hem van jongsaf aan het tegendeel van het dierlijke belichaamde, de belofte van een zuivere, intacte wereld, een heel andere, veel grotere 'begoochelde wereld’.
Het mooie is dat Schröder dat thema van de droom van zuiverheid niet als een zweverige fata morgana behandelt maar als een draad die dwars door het realistische verhaal heen loopt: die andere wereld als het ware een schaduw van de platte, maar o zo ingewikkelde werkelijkheid. Het is dan verrassend, maar niet onverwacht, als Grover wanneer hij tot een zeker inzicht is gekomen, nadat hij meerdere grenzen is gepasseerd, meteen de warrige, schemerige tussenwereld mist waarin hij zijn leven lang heeft rondgedwaald. Zo'n dubbelzinnig slot vraagt om onmiddellijke herlezing, op alle niveaus tegelijk, de roman verdient dat.