Hoofdcommentaar

Botsing der valuta’s

Een beter systeem dan de vrije markt is nog altijd niet uitgevonden, maar dat neemt niet weg dat het grote nadelen heeft. De eerlijkheidsprijs van deze week gaat dan ook naar beursanalist Gilles Moec van de Bank of America. Sprekend over de wereldwijde daling van de beurskoersen, waarvan algemeen wordt aangenomen dat die is veroorzaakt door een schuldencrisis bij de Amerikaanse hypotheekbanken, zei Moec: ‘De grote vraag is hoeveel leningen er nog méér risico lopen. En als markten één ding haten, is het wel onzekerheid.’

Het is een oude waarheid die telkens aan de dag treedt wanneer het raderwerk van economische groei en opgaande beurskoersen stokt: kapitaal gedijt op kosten van de omringende samenleving. Zolang het winst maakt, desnoods ten koste van de gemeenschap, komt die winst in de eerste plaats ten goede aan de bezitter. Zodra het verlies lijdt, worden de gevolgen desnoods ongevraagd op de gemeenschap afgeschoven. In dit geval is de gemeenschap vertegenwoordigd door de centrale banken die verder beursonheil trachtten te voorkomen door middel van een geldinjectie.

Binnen enkele dagen hebben de Europese, Amerikaanse en Japanse centrale banken gezamenlijk een onwaarschijnlijk hoog bedrag in het internationale banksysteem geïnjecteerd. Tot nu toe – dat wil zeggen maandagmiddag 13 augustus – hebben ze bij elkaar 237 miljard euro aan nationale reserves in de markt ‘gepompt’. De Europese injectie was veruit het grootst en bedroeg 204 miljard euro, evenveel als de Amerikanen jaarlijks uitgeven voor de oorlog in Irak, en een woordvoerder van de Europese Centrale Bank (ecb) in Frankfurt kondigde aan dat op maandagavond nog eens een substantieel bedrag zou worden geïnjecteerd. Daarbij rijzen twee vragen. Ten eerste: waar komt dat geld vandaan? En ten tweede: voor welk doel hebben ‘wij’ kennelijk zulke bedragen over?

De eerste vraag is eenvoudig te beantwoorden. De ecb in Frankfurt leent tegen zachte voorwaarden geld aan erkende Europese banken, zodat zij over meer liquide middelen kunnen beschikken. Dat geld komt uit de reserves van de aangesloten centrale banken. Het renteverlies komt dus voor rekening van ons, belastingbetalers van de eurozone. Het resultaat komt ons hopelijk weer ten goede in die zin dat het stabiliteit in de bankwereld brengt.

Directe aanleiding voor deze ‘open marktoperatie’ van de ecb was de aankondiging van de bank BNP Paribas dat ze twee investeringsfondsen met een omzet van twee miljard euro opschortte wegens de problemen op de Amerikaanse hypotheekmarkt. Naar verluidt hebben nog 48 andere banken, waaronder ABN Amro, van de inschrijving gebruik gemaakt.

Daarnaast is er een politieke overweging in het spel die niet in de protocollen van de ECB staat. Het is in het institutionele belang van de Europese Unie en de ecb dat de euro op den duur de dollar vervangt als spil van het internationale geldsysteem. Zo ver is het nog niet, maar deze mega-injectie brengt het moment van de waarheid voor de dollar een stuk dichterbij. Het is een vorm van machtsvertoon waaraan wij allemaal meebetalen en het is tegelijk een signaal aan de zakenwereld: terwijl in de VS de eerste hypotheekbanken over de kop gaan, worden BNP Paribas en andere banken hier uit de wind gehouden.

De euro is nu bijna anderhalve dollar waard, terwijl de handelsbalans van de Europese Unie nog altijd uitstekend is. Vergelijk dat met de Amerikaanse, die jaar na jaar inzakt en een negatieve balans van rond vijftig procent heeft bereikt. Op de wereldmarkt zijn de eurofondsen inmiddels even groot en kapitaalkrachtig als de dollarfondsen. Ook het vermogen van Europeanen om transacties in hun munteenheid te factureren is nu even groot als dat van de Amerikanen, niet in de laatste plaats omdat de eurozone een grotere exporteur is dan de VS. Dit alles is minder te danken aan briljant Europees beleid dan aan het belabberde begrotingsbeleid van de Amerikanen zelf.

De voornaamste reden waarom de dollar zich als internationale reservevaluta handhaaft, is een traditie van vijftig jaar, gevoed door een tot voor kort onwankelbaar vertrouwen in de kracht van de Amerikaanse economie. Tot voor kort, want dat vertrouwen wankelt zienderogen door de onstuitbare groei van de Amerikaanse overheidsschuld.

Amerikaanse overheidsschulden gaan altijd samen met prestigeverlies van het land. Dat was zo in 1971, toen president Nixon de koppeling van de dollar aan het goud moest loslaten vanwege de onbeheersbare schuld van de Vietnamoorlog. Het was ook het geval na de val van de Berlijnse Muur toen de VS niet konden profiteren van de nieuwe politieke mogelijkheden wegens de door Ronald Reagan opgebouwde schuld van tweeduizend miljard dollar.

Prestigeverlies is wederom aan de orde nu de regering-Bush voor de Irakoorlog een schuld van negenduizend miljard dollar heeft opgebouwd, oftewel 65 procent van het bruto binnenlands product. Tien jaar geleden wist president Clinton het overheidstekort om te buigen en een begin te maken met de aflossing van de nationale schuld. Dat is nu niet mogelijk door een handelsbalanstekort van vijfhonderd miljard dollar en een even groot begrotingstekort. Tegen zulke krachten is zelfs de Amerikaanse centrale bank niet opgewassen. De Europese is dat wel, maar of de macho-investering van afgelopen week zich ooit uitbetaalt – en zo ja, hoe – is een open vraag.