Botte bijl

Defensie-minister De Grave wil met straffe hand voorkomen dat hij net als zijn voorganger Voorhoeve vervalt tot lijdzaam toezien. Hij ontsloeg de top van de Militaire Inlichtingendienst. Maar hij onthoofdde de verkeerden. De smet van Srebrenica blijkt niet weg te poetsen.

‘HET IS VOOR mij een gesloten boek. Ik heb een goede baan nu. Maar toch word je er telkens weer mee geconfronteerd. Eigenlijk lees je alleen maar geruchten in de krant, en er wordt bij voorbaat vanuitgegaan dat die geruchten waar zijn. Ik begrijp niets van dit gedoe. Ik heb geen rechts extremisme en geen MID gezien.’ Niemand ontkomt eraan, en zeker niet een ex-officier van Dutchbat(III, het bataljon Nederlandse blauwhelmen dat in juli 1995 in Srebrenica onder de voet werd gelopen door het Bosnisch-Servische leger. Te licht bewapend op pad gestuurd door de Tweede Kamer, in de steek gelaten door de Verenigde Naties en verguisd door de media. Dat laatste lijkt verworden tot een jaarlijks ritueel, liefst op te voeren in de nieuwsarme dagen rond de verjaardag van de ramp. Komkommertijd, Srebrenica-tijd! Nu is er rechts extremisme bij Dutchbat geconstateerd. Het gaat om vier man van de grofweg 450 Dutchbatters die uiteindelijk nog in de enclave aanwezig waren. Dat enkele Dutchbatters extremistische ideeën uitdroegen was al bekend. Dat staat opgetekend in het debriefingsrapport van de marechaussee. Maar dat de Militaire Inlichtingendienst op eigen houtje een vervolgonderzoek had ingesteld, wisten Kamer en minister niet. Vorige week zijn koppen gerold waar ze zelden rollen, namelijk aan de top van de Militaire Inlichtingendienst. Commodore H. Vandeweijer, hoofd van de MID en zijn plaatsvervanger R. Wielinga stelden na een indringend gesprek met minister De Grave van Defensie hun functies ter beschikking. De MID had na terugkeer uit Bosnië de vier van rechts extremisme verdachte Dutchbatters verhoord, maar dat niet doorgegeven aan de minister, noch aan het Openbaar Ministerie. Dat was volgens De Grave een 'ernstige beoordelingsfout’, temeer daar hij herhaalde malen had verordonneerd dat hij alle inlichtingenmateriaal over Srebrenica op zijn bureau wilde hebben. De Graves maatregel staat niet op zichzelf. Eerder al onthield hij brigade-generaal Roos promotie en rangeerde hij plaatsvervangend hoofdvoorlichter B. Kreemers op een zijspoor. Algemeen wordt aangenomen dat De Grave met zijn straffe hand wil voorkomen dat hij net als zijn voorganger Voorhoeve vervalt tot lijdzaam toezien. Het zou hem gaan om het bereiken van de grootst mogelijke openheid rond het oprollen van de enclave en de daaropvolgende verdwijning van zo'n achtduizend moslimmannen. Maar wat hij met zijn maatregelen vooral bereikt is dat de vingers van pers en politici steeds weer priemen naar de Dutchbatters te velde, de mannen die in de steek werden gelaten. Generaal Roos mocht geen marechaussee-baas worden omdat hij te weinig feiten over wangedrag van Nederlandse blauwhelmen aan Justitie zou hebben doorgegeven, Kreemers kreeg een douw omdat hij openlijk pleitte voor een parlementaire enquête die het falen van de top van de landmacht aan het licht zou moeten brengen. Het onderzoek dat onder meer antwoord moet geven op de vraag of de top van Defensie en de landmacht goed functioneerden ten tijde van de Servische aanval, wordt intussen in alle rust uitgevoerd door volkomen afgeschermde historici van het Niod en is nog lang niet afgerond. OOK DE GRAVES ontslag van de top van de MID raakt de werkelijk verantwoordelijken niet. Politiek gezien lijkt het ontslag van de twee MID-bazen ingrijpender dan het werkelijk is. Ze vormden voor De Grave makkelijke, symbolische slachtoffers binnen de ingewikkeld gestructureerde dienst, omdat ze leiding gaven aan de centrale MID die rechtstreeks ressorteert onder de secretaris-generaal, en daarmee de minister van Defensie. Onder de centrale MID vallen drie afdelingen die elk in feite geheime diensten op zichzelf zijn: de MID-KL, de MID-LU en de MID-KM, respectievelijk opererend ten behoeve van en rechtstreeks rapporterend aan de bevelhebbers van landmacht, luchtmacht en marine. Echt pijn zou het hebben gedaan wanneer De Grave had gesneden in de top van de MID-KL. Daarmee zou hij het krijgsmachtdeel waaronder de drie opeenvolgende Dutch Battalions in Srebrenica vielen zijn macht hebben opgelegd. Bovendien vond dáár het gewraakte extremisme-onderzoek plaats, waarschijnlijk op instigatie van kolonel Bokhoven, tot december 1995 hoofd van de afdeling Inlichtingen en Veiligheid van de MID-KL. Bokhoven is inmiddels bevorderd tot brigade-generaal en leidt momenteel de Gele Rijders in Orahovac, Kosovo. Hij was verantwoordelijk voor het fotorolletje van luitenant Rutten waarop naar diens zeggen bewijsmateriaal stond van Servische oorlogsmisdaden. Dat rolletje belandde in de verkeerde chemicaliën waardoor het beeldmateriaal verloren ging. Bokhoven was al in een vroeg stadium op de hoogte van het rechts extremisme onder de Dutchbatters, aangezien hij betrokken was bij de officiële debriefing van Dutchbat. Daarnaast heeft hij geprobeerd een geheime MID-debriefing te houden, zoals reeds een luitenant der marechaussee in 1995 meldde. Eind september vorig jaar nog werd opnieuw de noodklok geluid. Ditmaal door de vakbond voor defensiepersoneel VBM/ NOV, omdat ze aanwijzingen had dat de MID het onafhankelijke onderzoek van Van Kemenade tegenwerkte. Ironisch genoeg moest dat onderzoek antwoord geven op de vraag of militairen de objectieve waarheidsvinding omtrent Srebrenica hadden gedwarsboomd. Van Kemenades antwoord: vergeet dat mislukte fotorolletje, er is geen doofpot. De ex-officier van Dutchbat: 'We weten allemaal dat het officiële debriefingsverslag een slap aftreksel is van wat we in Srebrenica hebben meegemaakt. Het schijnt dat de MID zelfstandig onderzoeken heeft gedaan. Ik ben gehoord door drie man die zich kenbaar maakten als marechaussees. Ik neem aan dat ze dat echt waren. Ik heb gehoord dat er bij anderen wel MID bij de debriefings zat.’ KEES KALKMAN, inlichtingenexpert van onderzoekscollectief Amok, was niet verbaasd dat er koppen rolden bij de MID. Maar dat de centrale MID moest boeten gaf hem 'een beetje het gevoel dat er sprake is van een afleidingsmanoeuvre’. Kalkman: 'De functie wisselt om de paar jaar en gaat naar een officier die doorgaans geen carrière heeft gemaakt binnen de MID. Het ontslag van Wielinga, de adjunct, is ook opvallend. Hij was degene die schoon schip moest maken binnen de dienst. Zijn ontslag heeft voor de herstructurering van de MID ongetwijfeld negatieve gevolgen. Dat kan niet anders als je degene beentje licht die net de zaak onder controle begon te krijgen.’ De reorganisatie kent een lange geschiedenis. Zij werd in gang gezet in 1986, door minister van Defensie Job de Ruiter (CDA) en is nog steeds niet voltooid. In De Ruiters tijd bestond er nog geen gecentraliseerde militaire inlichtingendienst. De drie krijgsmachtonderdelen verzamelden elk op eigen houtje inlichtingen en hadden daarvoor elk hun eigen dienst. Lamid (landmacht), Marid (marine) en Luid (luchtmacht) werkten op ongekende schaal langs elkaar heen. Erger nog, door de wildgroei aan militaire inlichtingendiensten schoot de toch al summiere parlementaire en ministeriële controle tekort. De missers en schandalen buitelden over elkaar heen. Het begon in 1981 met een mislukte infiltratiepoging van de Marid in een veteranenorganisatie, vervolgens strandde een (vermoedelijke) Lamid-actie om een VVDM-bestuurder in diskrediet te brengen. In 1984 werd Nederland opgeschrikt door de affaire-Valk. Valk, hoofd van de militaire missie in Suriname en Lamid-man, bleek betrokken bij de staatsgreep van Bouterse. De Lamid had bovendien verzuimd hierover relevante informatie aan de minister door te geven. Het daaropvolgende jaar kende twee inlichtingenblunders. De actiegroep Onkruit publiceerde documenten over Operatie Fatima, gerund door de Lamid. Het betrof een grootschalig infiltratieproject in antimilitaristische kringen. Bovendien bleek hetzelfde jaar dat ook de Luid zich uitvoerig bezighield met de vredesbeweging. In 1986 besloot minister De Ruiter de drie militaire inlichtingendiensten samen te voegen. De Ruiter: 'Dat had vooral te maken met organisatorische aspecten. Er was veel overlap en een wildgroei aan dossiers. Maar ik vond al die bezigheden rond de vredesbeweging en bepaalde politieke partijen wel ver gaan. Ik heb iemand aangesteld om de reorganisatie uit te voeren, en verder heb ik er niks meer mee te maken gehad. Het was mijn laatste jaar als minister van Defensie. Ik ben wel erg verbaasd nu te merken dat de drie diensten in feite nog bestaan.’ Volgens Roger Vleugels, deskundige op het gebied van de inlichtingendiensten en onder meer adviseur van kamerleden in deze, is er sinds 1986 slechts een koepel boven op de Marid, de Lamid en de Luid gekomen (de centrale MID) en zijn de diensten van naam veranderd. Vleugels: 'Er is nul komma nul geïntegreerd. Dat heeft alles te maken met territoriumdrift. De MID-KM vindt zichzelf het belangrijkst, de MID-KL is het grootst, de MID-LU wil zijn identiteit niet verliezen. Ze vinden alledrie nog steeds dat ze het meest geschikt zijn voor de taak en dat ze de beste spullen hebben.’ NIET ALLEEN buitenstaanders laten zich schamper uit over de reeds twaalf jaar durende herstructurering. In 1998 liet het ministerie van Defensie de MID doorlichten om te zien wat er nu eigenlijk van de integratie was terechtgekomen. Het rapport Nieuw Evenwicht uit november 1998 leest als een spotschrift. Hoewel er sinds de invoering van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten in 1988 de jure één volledig geïntegreerde MID bestaat, is daar in de praktijk bitter weinig van te merken. Het rapport, opgesteld door Defensie-ambtenaren, staat bol van de opmerkingen over het niet-functioneren van Neerlands grootste inlichtingendienst. Het is niet alleen feitelijk een rommeltje, ook in formele zin blijkt de MID nog in embryonaal stadium te verkeren. 'De organisatiestructuur van de MID, inclusief de verdeling van taken, blijft (…) onhelder’, aldus het rapport. Er is nog steeds sprake van fikse overlappingen in activiteiten en 'onnodige versnippering van kennis. De gehechtheid aan (historisch) gegroeide praktijk en de tegengestelde belangen van de interne betrokkenen verklaren deze gang van zaken.’ De verschillende afdelingen voeren taken uit die niet onder de verantwoordelijkheid van de (centrale) MID vallen, maar onder die van het eigen krijgsmachtdeel (wat de vraag oproept of de top van de landmacht inderdaad niets heeft geweten van het verhoren van rechts extremistische Dutchbatters door 'hun’ MID'ers, zoals een intern onderzoek uitwees). Er blijkt zelfs geen structureel overleg te zijn tussen de dienst en de politiek. Contacten vinden slechts plaats op 'ad hoc-basis’. Volgens een woordvoerder van Defensie is nu wel een maandelijks overleg ingesteld. 'Maar er wil nog wel eens een afspraak vervallen.’ EN DUS KON het gebeuren dat zowel De Ruiter als De Grave, tussen wier ministerschappen meer dan tien jaren liggen, te maken kregen met hetzelfde probleem. De affaire-Valk uit 1984 heeft veel weg van de recente commotie omtrent de MID-verhoren van Dutchbat. Ook toen bereikte cruciale inlichtingeninformatie de verantwoordelijke minister niet. De Ruiter: 'Er waren kamervragen beantwoord en daarin was gezegd dat er geen rapportage was waaruit bleek dat de militaire attachee betrokken was bij de staatsgreep. Maar later kwam aan het licht dat er een of ander informeel geschriftje was, je kon het geen rapport noemen, waarin wel iets van dien aard werd gezegd. Het lijkt wel een beetje op wat we nu zien.’ Al wordt aan dat geschriftje tegenwoordig gerefereerd als het rapport-Koenders en lag het in drie verschillende Lamid-kluizen, De Ruiter struikelde er niet over. Hij noemde het gewoon geen 'rapportage’, en dus had hij de Kamer niet verkeerd geïnformeerd. De Grave loste het vrijwel eender op. Ook hij had de Kamer gemeld dat géén eigen MID-rapport was gemaakt inzake de 'debriefing Srebrenica’. Nog geen twee weken later meldde hij dat er wel vier 'verslagen van gesprekken’ waren aangetroffen. Geen rapportage dus. Maar De Grave staat onder een veel hogere druk dan De Ruiter. Waar die het afkon met één licht berispend gesprek hanteerde De Grave de bijl. Maar Kalkman en Vleugels maken zich geen illusies. De Grave heeft al dan niet opzettelijk de verkeerden onthoofd. Kalkman: 'De MID is vergeven van de dubbelfuncties. Het zou me verbazen als er geen contact is geweest met de landmachttop over wat ze met die verslagen moesten.’ Vleugels: 'Veel van wat de MID-leiding weet wordt besproken in de toppen van de drie krijgsmachtonderdelen. Het ontslaan van de leiding van de centrale MID lijkt haast een teken van De Grave dat de landmachttop niet voor zijn baan hoeft te vrezen. Het is eigenlijk een heel geruststellend gebaar.’