Bottenspecialist

‘HET IS MAAR wat je onder normaal kluiven verstaat. Als ik een stukje kip eet, blijven de botjes perfect kaalgekloven achter. Mooi schoon. Kan ik goed kan zien of het kippetje ergens een vergroeiing heeft. Dat vertelt veel over het leven van zo'n beestje. Je leert het als het ware een beetje kennen. Voor een ander is dat misschien niet normaal, maar ik kan niet anders.

Ik ben altijd gek op botten geweest. Vooral op beverbotten. Daar kan ik lyrisch over worden. Mensenbotten zijn gewoon pijpjes met wat verdikkingen. Maar beverbotten, daar zit zo veel kracht en beweging in. Zo ontzettend mooi, al die torderingen. Zo'n bot lééft. Neem de voortand van een bever. Die is ijzersterk en loopt door de hele voorkaak heen. Waanzinnig lang, die tand. Van voren slijt hij af, helemaal achter in de kaak groeit hij weer aan. Ongelofelijk hoe functioneel. Bevers zijn fantástisch.’
‘ALS KIND AL verzamelde ik botten. Later ook dooie beesten. Die kook ik eigenhandig uit. Dan krijg je de mooiste skeletten. Je kunt mij dus heel blij maken met een dooie mus. Ik heb thuis een paar vriezers vol beestenlijken liggen waaraan ik nog niet ben toegekomen.
We gebruiken skeletten hier als vergelijkingsmateriaal. Oude botten die we opgraven moeten we soms naast recente botten leggen om te kunnen vaststellen of ze van een beest of van een mens zijn. Als het dierenbotten zijn, moet je natuurlijk te weten zien te komen van wélk dier, en uit welk deel van het lichaam. Soms vinden we alleen maar een paar botsplintertjes van duizenden jaren oud. Wat moet je dan zonder vergelijkingsmateriaal? Ik ben nog op zoek naar een beer. En naar een leeuw. Leeuwen liepen hier veertigduizend jaar geleden nog rond. Naar onze maatstaven is dat niet eens zo lang geleden.
Ik heb hier op de binnenplaats een edelhert staan uitbenen. Dat vond niet al het personeel even prettig. Maar we hadden het skelet nu eenmaal nodig. Uitbenen heb ik nooit echt geleerd, zoiets moet je gewoon dóen. Je begint met een kip, dan een konijn. Steeds groter. Het grootste wat ik hier heb gedaan was een wisent van achthonderd kilo. Alleen al om de botten kaal te krijgen hebben we met twee man een week staan snijden. Uitkoken doen we op het laboratorium, gewoon in een pannetje met wat zeep erbij.
Ik heb ooit een bot van mijn schoonmoeder geprepareerd. De bovenkant van haar dijbeen is operationeel verwijderd. Ze heeft de dokter gevraagd of ze het terug mocht. Die heeft het voor haar in een jampotje gestopt. Er zat nog wat weefsel aan. Mijn schoonmoeder vond dat niet zomaar een stuk van haar mocht worden weggegooid. Na haar dood moet het bot worden meebegraven. Ik heb het hier staan uitkoken. Grote vetogen op het water: daar dreef mijn schoonmoeder. Nu ligt het mooi schoon in haar nachtkastje.’
'IK BEGON HIER, bij de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, in 1980. Ik kwam meteen terecht in de beerputten. Eeuwenoud afval. Beerputten zijn schitterend. Je vindt er van alles. Mensen poepten er niet alleen in, maar gebruikten hem ook als afvalton. Je vindt vooral veel botten. Die vergaan namelijk niet zo snel. Materiaal van vogels, vissen en knaagdieren. Weggegooid als afval na het nuttigen van een maaltijd. Maar er zit ook glas en aardewerk in. En dingen die je niet verwacht. In Tiel vonden we veel lakzegels uit de zeventiende eeuw. De rijke familie Van Lith De Jeude gooide kennelijk haar officiële correspondentie in de beerput. Aan de hand van de zegels kun je zien van wie een brief afkomstig was. Zo kun je de contacten van de familie reconstrueren, de officiële handel en wandel.
Elk bot vertegenwoordigt de dood, dat weet ik ook wel. Maar ik heb daar geen moeite mee. Het is gewoon mijn werk. En het is een prachtig vak, want elk bot heeft een verhaal. Of het nu van een mens is of van een dier, dat maakt niet uit. Neem zoiets saais als koeiebotten. Vertonen ze slachtsporen, dan ga je onderzoeken hóe zo'n beest geslacht is en uit wiens afval die botten afkomstig zijn. Hoe oud zo'n koe was, zegt heel veel. De leeftijd kun je aan een bot aflezen. Als je koeien houdt voor melk eet je oude koeien en jonge stieren. Het is precies andersom als het gaat om koeien voor de vleesconsumptie. Dat zegt veel over een samenleving. Vind je bijvoorbeeld een opgepeuzeld edelhert, dan heb je te maken met dure jongens. Maar graaf je alleen maar de koppen op van schelvis en kabeljauw, dan zijn het arme sloebers. Hebben ze louter soep getrokken van de goedkoopste vis.’
'ik heb niet het gevoel dat ik in andermans stront aan het spitten ben, al is dat natuurlijk wel zo. Maar het meeste is al vergaan en aan de geur raak je gewend. Ik heb wél een keer meegemaakt dat we op een betonnen beerput stuitten. Die hebben we toch maar kapotgetrokken. Hadden we beter niet kunnen doen, want de schijt kwam er zo uitlopen. Een dunne, groenige, slappe schijt. Echt vies. Was tot in de oorlog in gebruik geweest. We vonden stukken krant uit 1944, ondanks de stront nog leesbaar. Wist je trouwens dat versteende drollen ontzettend veel informatie bevatten? We hebben hier een speciale afdeling die ze ontleedt.
In Kampen hebben we een poepdoos onderzocht uit de zeventiende eeuw. Zo eentje waar een plank op heeft gelegen met een rond gat erin, zoals vroeger bij oma. Deksel eraf en lekker poepen. Op een dag, in de zeventiende eeuw, zat daar een kind op. Onder zich zag het iets drijven. Een kikker, een pad, wie zal het zeggen? Het kind heeft waarschijnlijk geprobeerd het te pakken. Daarbij is het voorover gekukeld, en verdronken in de stront. We hebben het hoofd teruggevonden, helemaal aangekoekt met beer. Boven op de schedel is een niet-aangekoekt stuk. Dat betekent dat het dode kindje heeft liggen dobberen in de poep, met het hoofdje voorover. Wie weet is het er door de ouders ingegooid. Niet meer te achterhalen. Misschien hebben ze heel lang gezocht, maar konden ze het hoofdje niet zien. Een beetje beerput is al gauw drie meter diep.
Bij een andere opgraving in Kampen vonden we delen van een vrouw, ook uit de zeventiende eeuw. Verschillende stukken van haar lichaam. Niet alles, want zo'n beerput werd af en toe leeggeschept. Wat we hebben teruggevonden is kapotgeslagen en versplinterd. We denken dat ze eerst is vermoord en toen in de put gegooid. We hebben ook wel eens een acht maanden oude foetus gevonden. En in Elst vonden we in een waterput de ingeslagen schedel van een zesjarig kind.’
'NAAST MIJN aanstelling bij de Rijksdienst heb ik een eigen botbedrijfje. Van alles gedaan. Twaalfhonderd skeletten geborgen in Alkmaar, bijvoorbeeld. En zestig nonnen herbegraven in Harderwijk. Ik had ze opgegraven op het terrein van een klooster uit de vijftiende eeuw, om hun botten te onderzoeken. Op een begraafplaats mag je geen plastic in de grond stoppen. Kartonnen doosjes zijn zo weg en kistjes zouden te prijzig worden. Dus ik kon ze niet allemaal apart begraven. Ik had een heel klein budget.
Dus heb ik de sociale dienst gebeld in Harderwijk: “Als jullie een onbekende langs de snelweg vinden, wie betaalt dat dan?” vroeg ik. Dat bleken zíj te doen. “Ik heb zestig onbekende Harderwijkers in de grond gevonden, betalen jullie dan ook hún begrafenis?” Daarover moest die mijnheer even overleggen met zijn chef. Uiteindelijk stelde de sociale dienst twee graven ter beschikking. In elk graf dertig nonnen.
De beheerder van de begraafplaats vond het maar raar. Die wilde eigenlijk dat ik de botten er zo in zou kieperen, maar dat ging me te ver. Ik ben op de bodem gaan staan en heb me de doosjes met daarin steeds één non laten aangeven. Die schudde ik uit in het graf. Ik vond dat wel een plechtig moment. Ze liggen begraven in gewijde grond. Toepasselijk genoeg naast de ene mevrouw Knook.’
'SOMS HOUD ik een lezing in de wijk waar een opgraving plaatsvindt. Dan laat ik dia’s zien van verschillende conserveringsstadia. Ik begin met de vage verkleuringen in zandgrond waaraan je kunt zien dat er een lijk heeft gelegen. Vervolgens toon ik wat goed bewaard gebleven botten. Dan komen we bij lichamen waar meer van over is. Veenlijken bijvoorbeeld, met nog vlees eraan, of schedels met de hersenen er nog in. Dat is nog vrij clean. Ik eindig meestal met de leden van de Franklin-expeditie in Noord-Canada. Die hadden als eersten conservenblikken mee met voedsel. Dichtgesoldeerd met lood. Ze zijn gestorven aan loodvergiftiging. In 1848 werden ze begraven. Het ijs, de permafrost, heeft ze geconserveerd. Het is net of ze nog leven. Er is niets weg. Zelfs de ogen zitten er nog in, dus ze kijken je aan. Die dia’s doen het goed op zo'n lezing. Gaat er echt een rilling door de zaal.
Ik zit barstensvol verhalen. Ik kan iets vertellen over elk bot. Echt, ik zou nog uren kunnen doorgaan. Maar soms moet ik me een beetje inhouden. Mijn collega’s vinden het op zich prima dat ik graag vertel over schedels en beerputten. Maar niet tijdens de lunch. Dat eet niet lekker.’