Economie

Bottom up

De wetenschappelijke methode wordt vaak gelijkgesteld aan de experimentele methode. De economische wetenschap is echter geen experimentele wetenschap, en daarom lijden veel economen aan ‘physics envy’. Sinds 15 oktober hebben ze het iets makkelijker. De Nobelprijs voor de economie 2019 werd uitgereikt aan drie ontwikkelingseconomen ‘voor hun experimentele aanpak van het wereldarmoedevraagstuk’. Esther Duflo van MIT, een van de drie, is de tweede vrouw onder de 84 onderzoekers die gelauwerd werden sinds de prijs in 1969 werd ingesteld. Geografisch valt de prijs dit jaar op één plek: Cambridge in Massachusetts, waar ook de twee anderen, Michael Kremer en Abhijit Banerjee (Duflo’s echtgenoot) aan Harvard en MIT werken.

Economische experimenten geven inzicht in wat werkt en wat niet, op een manier die met conventionele statistische methoden onmogelijk is. Neem de vraag of de overheid geld moet vragen voor gezondheidszorg of publiek transport. Misschien is het goed een klein bedrag te vragen. Het kost iets om met de bus naar de dokter te gaan, dus je gaat niet zomaar en doet meer moeite gezond te blijven. Zo’n theorie die je in je luie stoel kunt bedenken is misschien plausibel, maar daarom nog niet waar.

Wat te doen? Je kunt in bestaande data positieve correlaties tussen medicijnkosten en medicijngebruik gaan zoeken. Zo gaat het vaak in de empirische economie. Maar zelfs als je vindt wat je zoekt, zijn andere verklaringen mogelijk. Misschien zijn de mensen die wat betalen voor hun medicijn rijker, beter opgeleid en daardoor betere medicijngebruikers. Of misschien gebruiken mensen echt meer medicijnen als ze er een beetje voor moeten betalen. Wie zal het zeggen. Met alleen correlaties kom je er nooit achter. Hoewel dit dus een zwakke basis is voor beleid in de gezondheidszorg, leunt toch het gros van de beleidsinterventies op zulk onderzoek.

Goede economie is politieke economie

Michael Kremer en zijn medewerkers deden het anders. Hun experiment in Kenia begon met het willekeurig toewijzen van medicijnen aan twee groepen. In de ene groep werd betaald voor ontwormingspillen, in de andere niet. Hun bevinding was dat 75 procent van de ouders die gratis pillen kunnen krijgen, ze ook aan hun kinderen geven. Zelfs een lage en zwaar gesubsidieerde pillenprijs doet het percentage kelderen naar achttien procent. De les: mensen met lage inkomens zijn zeer gevoelig voor kleine kosten. Subsidies werken pas echt goed als ze de pillen gratis maken. Zulke inzichten krijg je nooit met de economie van plausibele verhalen in je luie stoel (die dus het omgekeerde voorspelde).

De prijs is daarom welverdiend. Ze geeft ook aan hoezeer experimenten geaccepteerd en zelfs toonaangevend zijn geworden in de ontwikkelingseconomie. Daar zit wel een probleem, want in experimenten blijft het economisch systeem zelf buiten beeld. Stel dat de privatisering van ziekenhuizen de belangrijkste oorzaak van slechte gezondheid is. Ziekenhuizen moeten dan immers (te veel) geld vragen voor hun diensten en medicijnen. De oorzaak van te weinig medicijngebruik en ongezondheid is hier de verandering in het economisch systeem, en uiteindelijk de ideologie dat privaat beter is dan publiek. De samenhang tussen pillenprijs en pillengebruik is daar onderdeel van. Zoiets ga je niet met een experiment aantonen, want systeemveranderingen en ideologie kun je niet aselect toewijzen. Er zijn genoeg studies die laten zien dat privatisering en bezuinigingen sterk samenhangen met slechtere gezondheid en hogere mortaliteit. Dat is niet zo waterdicht als een experiment, maar wel behoorlijk overtuigend.

Echter: vanwege de rage rondom experimenten en hun vermeende wetenschappelijkheid is het een stuk moeilijker geworden een empirisch artikel dat géén gebruik maakt van experimenten te publiceren in het toptijdschrift van de ontwikkelingseconomie, The Journal of Development Economics. Daarmee blijven politieke vragen over economische systemen, en de vraag wie wel en niet uitgesloten worden, dus buiten beschouwing. Duflo, Kremer en Banerjee kleuren met hun briljante werk keurig binnen de lijntjes van het technocratisch beleidsmodel. Is het ook daarom zo geliefd?

De voorliefde voor experimenten verraadt niet alleen een natuurwetenschappelijke opvatting van economie, maar ook een desinteresse in politieke keuzes. Experimenten verlenen een bottom up-, grassroots-aura aan de economische wetenschap. Heel hip, maar sommige dingen kun je alleen top down oplossen. Goede economie is politieke economie.