Stichting 8 december blijft strijden

‘Bouterse moet zijn leugens intrekken’

Op 11 mei beslist de Surinaamse krijgsraad of het proces tegen Desi Bouterse nog doorgaat, na de omstreden wijziging van de amnestiewet. Nabestaanden in Suriname en Nederland vertellen over toen en nu. ‘Ik heb een kaars gebrand en gezegd: je bent opnieuw vermoord.’

op 8 december staken de nabestaanden van de vijftien slachtoffers van de decembermoorden tijdens de herdenkingsdienst in Paramaribo traditiegetrouw een kaarsje aan voor het portret van hun geliefde. ‘Niet meteen kijken, maar achter je staat Ruben Rozendaal.’ Rozendaal is een van de 25 verdachten die terechtstaat in het decemberstrafproces. Sunil Oemrawsingh, neef van Sugrim Oemrawsingh, stoof woedend op Rozendaal af: ‘Hoe durf je hier te komen. Volgende keer kom je zeker met Bouterse!’

Oemrawsingh, behalve nabestaande ook voorzitter van de Stichting 8 december 1982, kan er nu om lachen. ‘Tsja, kwestie van karakter, hè’, verontschuldigt hij zich, ‘maar je hebt al zoveel meegemaakt.’ Sprak president Desi ­Bouterse eerder oneerbiedig over dat ‘december­ding’, in een grijzer verleden dreigde hij in zijn hoedanigheid van bevelhebber ‘op straat te zullen komen’ om de fakkeltocht die nabestaanden wilden organiseren te verstoren.

Oemrawsingh en Henri Behr, broer van de vermoorde journalist Bram Behr, behoren tot een harde kern van nabestaanden die nagenoeg alle rechtszittingen gevolgd hebben. Jaren beijverden ze zich zonder veel succes voor berechting van de daders. Op het nippertje lukte het om in 2000 verjaring van de moorden te voorkomen. Het gerechtelijk vooronderzoek startte in 2001. Na een langdurige voorbereiding begon in november 2007 eindelijk het decemberstrafproces. Hoofdverdachte Bouterse liet zijn gezicht nooit zien. Verdachten die wel kwamen opdraven leden dikwijls aan geheugenverlies. Dat Rozendaal op de herdenkingsbijeenkomst zijn medeleven kwam betuigen, sloeg in als een bom. Behr: ‘Met een kleine groep discussieerden we tot de vroege ochtend wat we ermee moesten.’ De uitkomst van het beraad was: hartelijkheid tonen om een mogelijke gang naar de rechter voor een correcte getuigenis niet te belemmeren. In 2010 had Rozendaal tegenover de rechters nog beweerd Bouterse niet gezien te hebben in Fort Zeelandia op de dag waarop – zoals uit de getuigenissen kan worden afgeleid – de moorden werden gepleegd. Bouterse heeft altijd ontkend dat hij toen aanwezig was.

Op 9 april 2012 verscheen Rozendaal opnieuw in de rechtszaal. Het werd een historische zitting. Rozendaal zei wroeging te hebben. Hij wilde niet de geschiedenis ingaan als moordenaar. Betrokkenheid bij de liquidatie van de vijftien mannen wees hij resoluut van de hand, wel bekende hij dat hij radioman André Kamperveen en vakbondsleider Fred Derby eigenhandig bij Bouterse had afgeleverd in het Fort. De zoon van André, Henk, klapte in zijn handen toen Rozendaal openlijk zijn spijt betuigde. De aanklager kondigde tijdens deze zitting aan de eerstvolgende keer zijn requisitoir te zullen houden. Het liep heel anders. De rechters besloten tot een extra zitting om Rozendaal nog eens onder ede te horen.

Precies op díe zittingsdag dienden zes parlementariërs in allerijl een wetsvoorstel in. Dit wetsvoorstel moest het gat dichten tussen de amnestiewet van 1980 en de omstreden amnestiewet van 1992. De wet van 1980 had betrekking op de periode rondom de militaire machtsovername door Bouterse, Rozendaal en veertien andere sergeanten. Die van 1992 verleende amnestie voor misdaden en strafbare feiten begaan gedurende de Binnenlandse Oorlog. Tijdens die Binnenlandse Oorlog (1986-1992) – de strijd tussen bevelhebber Bouterse en guerrillaleider Ronnie Brunswijk – sneuvelden naar schatting een paar honderd strijders en burgers. Behandeling van het wetsvoorstel werd uitgesteld, omdat er onvoldoende quorum was. Buiten het parlementsgebouw op het nabij­gelegen Onafhankelijkheidsplein sprak president Bouterse vanaf een podium het daar verzamelde publiek toe: ‘Rozendaal is een Judas.’ Toehoorders en nabestaanden in de rechtszaal luisterden intussen met gespitste oren naar de ont­boezemingen van deze ‘Judas’. Rozendaal vertelde niet alleen dat Bouterse aanwezig was geweest in het Fort op de bewuste dag. Hij adviseerde de rechters de film The Godfather te bekijken vanwege de gelijkenissen met Bouterse. ‘Hij is een crimineel, een drugsdealer en wapenhandelaar.’ Bouterse zou Rozendaal hebben toevertrouwd dat hij op 8 december eigenhandig Cyrill Daal en Soerindre Rambocus had afgemaakt. Het moorden zou al eerder begonnen zijn. Bouterse zou tijdens de machtsovername op 25 februari 1980 de wachtdoende militair Van Aalst nodeloos hebben doodgeschoten. Bovendien meende Rozendaal te weten dat de militair Fred Ormskerk die in 1980 op verdenking van een tegencoup tijdens het verhoor was doodgeslagen, geenszins coupplannen had gekoesterd. Later zou Bouterse ook betrokken zijn geweest bij de dood van zijn aanvankelijke medestanders: de militairen Horb, Hawker en Mahadew. Op het Onafhankelijkheidsplein verzekerde president Bouterse zijn onderdanen dat hij niets te vrezen had: hij was een kind van God.

Oemrawsingh denkt juist dat Bouterse door deze getuigenis bang is geworden voor een veroordeling. De week erop werd de amnestiewet binnen drie dagen alsnog door het parlement geloodst. Een unicum in Suriname’s parlementaire geschiedenis. Henri Behr noemt de zes indieners de ‘sergeanten van Bouterse’. ‘Bouterse speelt het steeds klaar om pajongwaaiers het werk voor hem te laten doen.’ Als argument voor amnestie voerden de indieners, allen coalitiepartners van de zittende regering, aan dat het nationaal belang in het geding komt als de president schuldig bevonden wordt. Tijdens de verkiezingscampagne van 2010 had Bouterse’s ndp nog verklaard dat de rechtszaak gewoon zou doorgaan. Dat betoogde ook Ronnie Brunswijk van de A-combinatie. Na de verkiezingen trad zijn partij toe tot de regering. Tijdens de behandeling van de amnestiewet tapte Brunswijk uit een ander vaatje. Het ‘nationaal belang’ was niet gediend bij voortzetting van het proces, meende hij. ‘Iedereen weet dat de A-combinatie met pijn in het hart voor deze wet stemt. Ik doe dat in het belang van Suriname: de ontwikkeling moet doorgaan. Laat ons vergeven, we zijn Surinamers, we zijn geen vreemden voor elkaar. Ondanks het feit dat twee lijfwachten van mij in ditzelfde gebouw zijn doodgeschoten tijdens de Binnenlandse Oorlog, zeg ik: we moeten verder.’ Eén voorwaarde verbond Brunswijk wel aan zijn stem: Moiwana moest worden uitgezonderd van de amnestiewet. In 1986 viel het leger het dorpje Moiwana binnen, waarbij circa veertig burgers – ook zwangere vrouwen en kinderen – omkwamen. In 2005 veroordeelde het Inter-Amerikaans Hof te Costa Rica Suriname al tot het instellen van onderzoek naar Moiwana. Brunswijk vroeg tot slot van zijn betoog vergiffenis aan de nabestaanden van de decembermoorden. De oppositie weerde zich, toch werd de amnestiewet van 2012 met een meerderheid aangenomen.

Vreselijk die amnestiewet. En vreselijk die excuses van Brunswijk, want hij werkt wel samen met de partij van Bouterse. Dat valt niet te rijmen’, zegt Lila Gobardhan-Rambocus. Zij is de zus van Soerindre Rambocus die volgens Rozendaal eigenhandig door Bouterse werd neergeschoten in 1982. Voor haar bevatte Rozendaals getuigenis weinig nieuws. ‘Maar ik ben blij dat hij het toegaf.’ Gobardhan ging nooit naar de rechtszaal. Maar ze volgt het proces nauwgezet. In de amnestiewet staat dat de verdachten van omverwerping van de staat ook amnestie krijgen. Dat slaat op de vijftien slachtoffers. Het steekt haar. ‘Je voelt machteloosheid. Je weet dat het niet klopt.’ Dat de vermeende coupplegers op de vlucht zouden zijn neer­geschoten is een verhaal dat de houdbaarheidsdatum lang heeft overschreden. Insinuaties dat de vijftien mannen samenwerkten met de cia om de militairen ten val te brengen, blijven bestaan. Het was zij of wij, zei Bouterse indertijd. Gobardhan hoopte dat de rechtszaak dergelijke verhalen zou ontzenuwen.

De week nadat de amnestiewet was aangenomen, organiseerde de Organisatie voor Gerechtigheid en Vrede in samenwerking met de nabestaanden en andere organisaties in de week voor Pasen een stille tocht om te protesteren tegen de amnestiewet en – wat zij noemden – de teloorgang van de rechtsstaat. Dat zo veel mensen meeliepen – de schattingen lopen uiteen van vijf- tot tienduizend mensen – deed Gobardhan deugd. Nabestaanden liepen voorop met de beeltenis van hun vader, oom, zoon of vriend op hun T-shirt.

Herman Deel, bijna 75, is vrijwel blind, anders had hij zeker meegelopen. Hij verontschuldigt zich dat hij, opgegroeid in het binnenland van Suriname, niet foutloos Nederlands spreekt. Af en toe tolkt een van zijn kleindochters. Deel is de vader van een van de twee vermoorde lijfwachten waarover Ronnie Brunswijk repte: Stuart Deel.

We keren terug in de tijd: het is maart 1990. De Binnenlandse Oorlog is gaande. Brunswijk is met een delegatie naar Paramaribo gekomen om met de regering te onderhandelen over vrede. Op de avond van 29 maart 1990 wordt Brunswijk uitgenodigd voor een gesprek met Bouterse. Brunswijk begeeft zich met zijn gevolg en de lijfwachten Doetje en Stuart naar het kabinet van de bevelhebber. Niet het vredesproces blijkt het gespreksonderwerp, maar de duizend kilo cocaïne die Brunswijk ‘vond’ in zijn woonplaats Moengo. In Dossier Moengo: ‘290 uur’ beschrijft Frits Hirschland – overigens een niet onomstreden bron – hoe de toenmalige luitenant Melvin Linscheer en Bouterse’s kabinetschef Rupert Christopher de beide lijfwachten plotseling doodschoten, terwijl die de trap opliepen om zich desgevraagd naar de kamer van Bouterse te begeven. De lijfwachten waren ongewapend. Christopher zou – bloedvlekken op zijn uniform – naderhand tegen Bouterse hebben gezegd: ‘Bevel, de opdracht is uit­gevoerd.’ Meteen daarop werden Brunswijk en zijn mannen overmeesterd. (Christopher pleegde kort voor aanvang van het decemberstrafproces zelfmoord, Linscheer is thans hoofd Nationale Veiligheid.) Interessant is de verklaring van een ooggetuige die bovenstaand relaas deels bevestigt. ‘Ik zag dat Doetje [Johan Apai] struikelend van de trap naar beneden kwam. Ik zag dat zijn kleding onder het bloed zat. Ik zag dat Linscheer achter hem aanliep en hem meerdere malen gericht in zijn rug schoot met een pistool Browning 9 mm. Ik zag dat Doetje neerviel. (…) Stuart [Stuart Deel] heb ik niet gezien, maar volgens mij was hij toen al dood, want ik hoorde dat zij met mitrailleurs schoten. Stuart lag volgens mij dood op de trap.’ Op grond van deze verklaring kreeg de ooggetuige, die vreesde voor zijn leven, asiel in Nederland.

Herman Deel kon het destijds niet opbrengen om zijn zoon te identificeren in het mortuarium. Naar de begrafenis ging hij niet. Hij heeft wel foto’s, maar kan die niet terugvinden sinds zijn gezichtsvermogen drastisch is verminderd. Hij huilt. Zijn zoon was zijn rechterhand, zegt hij. Hij gebaart: zie hoe schamel mijn huis is. ‘Als het regent, wordt de bank waarop we zitten nat.’ De omstandigheden waaronder zijn zoon de dood vond werden nooit opgehelderd. ‘Ze vragen amnestie, maar niemand praat erover dat mijn zoon vermoord is’, beklaagt Herman Deel zich. Hij kan zich niet herinneren dat Brunswijk ooit contact met hem zocht. Telefoontjes werden niet beantwoord. Deel vertelde zijn verhaal aan de mensenrechtenorganisatie Moiwana 86 en is teleurgesteld dat hij nooit meer wat vernam. Klopte hij niet aan bij de politie? ‘Ze weten het toch’, schokschoudert hij. Voor wie de cocaïne was bestemd is tot op heden niet bekend. Was het een afrekening in het criminele drugscircuit? Een set-up van de cia en bvd zoals Hirschland beweerde?

Vanuit Amsterdam volgt Wonnie Sabajo de amnestiediscussie in Suriname. Twintig jaar geleden protesteerde ze al tegen aanname van de amnestiewet van 1992. Ze gelooft niet in gratie: ‘Bouterse moet zijn straf krijgen.’ Dochter Dorothy vult aan: ‘Ze willen alles in de doofpot stoppen.’ In 1990 namen Wonnie Sabajo en haar kroost de wijk naar Nederland. Haar broers Piko en Roël Sabajo raakten destijds in conflict met de leiders van de Tucajana Amazones: een door het leger bewapende eenheid van inheemsen (indianen). De broers kwamen naar Wonnie’s zeggen op voor de verdrukte rechten van de oorspronkelijke bewoners van Suriname, maar merkten dat de Tucajana’s misbruik maakten van het gevoel van achterstelling bij veel inheemsen. Ze zouden zijn aangezet tot criminele handelingen. Tijdens een treffen in het dorp Mata werd Wonnie’s broer Roël gedood. Haar andere broer, Piko Sabajo, vluchtte samen met anderen naar Brits Guyana om asiel aan te vragen. De Guyanese politie leverde hen echter direct uit aan Suriname. Piko en zijn groep werden opgesloten in Fort Zeelandia. Hun moeders, vrouwen, dochters en vriendinnen streken neer onder de grote groenhartboom – de ‘mamabon’ – recht tegenover het toenmalige parlementsgebouw in de buurt van het Fort. Ze noemden zichzelf naar analogie van de Argentijnse moeders Dwaze Moeders. Ze vroegen de leger­leiding waarom hun mannen waren opgesloten, waarvan ze verdacht werden en wat er aan de hand was. De legerleiding hield de mond stijf dicht. Ook op de brief aan parlementsvoorzitter Lachmon kwam geen reactie.

Op een ochtend in februari 1990 zagen de vrouwen hoe Piko en drie anderen in de ­ochtendschemering in trucks het Fort verlieten. Ze zwaaiden. Onder begeleiding van de ­Militaire Politie werden de mannen naar West-Suriname gebracht voor een ‘reconstructie’. Wat voor reconstructie was onduidelijk. Later hoorden de moeders van de bewoners daar – het duurt even voordat Wonnie haar verhaal kan afmaken – hoe de vier mannen levend in stukken werden gezaagd. De lichaamsdelen zouden in plastic zakken zijn verpakt en vanuit een ­helikopter in zee zijn gegooid. Maandenlang zaten de ­vrouwen onder de boom om verhaal te halen. Tot op heden weten ze niet wat er gebeurd is. Destijds was ze fel: ‘Ik heb Bouterse uitgedaagd. Zoals ze mijn broer hebben vermoord, zo mogen jullie mij ook vermoorden.’ Maar ze vreesde voor haar kinderen. Ze werd enkele keren bedreigd en toen ze via via hoorde dat ze gearresteerd zou worden, dook ze onder. De volgende dag vroeg ze asiel aan. Haar dochter Dorothy zegt: ‘Wij steunen de nabestaanden van 8 december. Want wij weten wat zij voelen. Wij zijn allemaal slachtoffers.’ In 1992 nam Wonnie Sabajo deel aan een forumdiscussie over mensenrechten en zelfbeschikking in Genève om andermaal ­aandacht te vragen voor wat er gebeurd was met de inheemsen in Suriname. Het was de laatste keer dat ze actie ondernam.

Marianne Gooding vertrok in 1990 net als Wonnie Sabajo naar Nederland, maar keerde eind 1994 weer terug naar Suriname. Ze liep mee in de stille tocht die onlangs werd georganiseerd. ‘Ik vond het mijn plicht.’ Ze is de weduwe van politie-inspecteur Herman Gooding die in de nacht van 4 op 5 augustus 1990 werd vermoord in de buurt van het kabinet van de ­bevelhebber. ‘Toen de amnestiewet werd aangenomen dacht ik: hoe kan dat? Ik heb een kaars voor de foto van mijn man gebrand en gezegd: je bent opnieuw vermoord geworden. Dit kan niet. Je bent als een hond vermoord.’ Ze legt het boek In memoriam Herman Eddy Gooding op tafel en wijst: Gooding deed onderzoek naar de cocaïne­vondst in Moengo en tal van zaken waarbij militairen betrokken waren, onder andere de inval in Moiwana. De uit de hand gelopen ruzie tussen een politieman en een militair die escaleerde in een krachtmeting tussen de politie en leger werd Gooding fataal. Na een onderhoud met de Militaire Politie verliet Gooding ongewapend – zijn wapens waren hem ontnomen – het kabinet van de bevelhebber. Even verderop werd hij door gemaskerde mannen uit zijn auto gesleurd, terwijl zijn twee medepassagiers gedwongen werden hard door te rijden. Marianne Gooding constateerde ter plekke: ‘Hij was in zijn hoofd geschoten. Toen ik het laken wegtrok, zag ik zijn hersens op de grond liggen. De manschappen hebben een bak gebracht en de hersens in een kom gedaan. De spuitwagen is gekomen om het bloed weg te spuiten.’ Ze vertelt hoe haar man eerder door militairen werd bedreigd, ook door Bouterse, naar aanleiding van de arrestatie van de militair Orlando Sweedo. Sweedo werd verdacht van betrokkenheid bij de moord op de dorpelingen in Moiwana. Gooding had de man achter slot en grendel gesteld, militairen haalden Sweedo doodleuk weer uit zijn cel.

Na de begrafenis was Marianne Gooding totaal in shock. ‘Ik kon niet eens meer schrijven.’ Er is beloofd dat er onderzoek gedaan zou worden naar de dood van haar man. Maar voor haar gevoel gebeurt er niets. Destijds stuitte het onderzoek op wat men toen noemde een blinde muur. Getuigen durfden niet te praten. De toenmalige officier van justitie Armand van der San gaf te kennen dat onderzoek tot een zwaar ‘vermoeden in de richting van de leden van de Militaire Politie of zo men wil van het leger’ leidde. Hij meende dat de regering ‘ernstig’ met de legerleiding moest gaan praten, omdat niet alleen de regering maar ook het justitieel apparaat werd ontregeld door bemoeienis van het leger. Niet veel later stuurden de militairen op kerstavond 1990 de in 1987 democratisch gekozen regering naar huis.

Peter Ormskerk is de zoon van Fred Ormskerk. Ormskerk was een Nederlandse militair van Surinaamse afkomst en een van de eerste slachtoffers van het militaire regime. Ormskerk vocht in Korea en in Indonesië. Daaraan dankt hij zijn bijnaam Bikkel. ‘Hij was op en top militair’, zegt Peter. Toen de zestien sergeanten onder leiding van Bouterse in 1980 een coup pleegden en de revolutie predikten, was Ormskerk net als vele anderen opgelucht dat er een eind kwam aan de in hun ogen corrupte regering van Henck Arron. Ormskerk was trots op ‘zijn’ jongens. Een aantal van hen had bij hem een commandotraining gevolgd. Toen de militairen niet van plan leken terug te keren naar de kazerne temperde zijn enthousiasme. Op 28 april 1980 vertrok Ormskerk naar Suriname. Zijn familie wist van niets. Een paar dagen later hoorden ze via journalist Rudie Kagie dat hij dood was. Op verdenking van een tegencoup was Ormskerk in Albina gearresteerd. Tijdens het verhoor was hij zodanig geslagen dat hij aan zijn verwondingen overleed.

Peter was toen zestien jaar. Het gezin Ormskerk had geen idee wat er gebeurd was. De Nederlandse regering heeft nooit contact gezocht met hen, vertelt hij. ‘Mijn moeder moest zelf de overtocht van het lijk regelen. Mijn vader is in Ermelo begraven. Sommige oud-collega’s kwamen niet naar de begrafenis, omdat zij meenden dat mijn vader fout was. Heel zuur. Surinaamse vriendinnen van mijn moeder zeiden: het is maar goed dat hij is doodgegaan, anders waren er nog veel meer doden gevallen.’ Later reconstrueerde hij – zoals ook Rozendaal in de rechtszaal stelde – dat zijn vader geen tegencoup plande. Fred Ormskerk zou de militaire machthebbers ervan hebben willen overtuigen dat militairen geen politiek moeten bedrijven. Niet met wapens maar met argumenten. Ormskerk meende op grond van zijn staat van dienst en het respect dat hij genoot in Suriname in die missie te kunnen slagen. Met dat oogmerk trok hij volgens zijn zoon naar zijn geboorteland.

Het debat over de amnestiewet volgt hij, ja. Het decemberstrafproces laat hem onverschillig. ‘Ik denk niet dat dit in goede aarde valt bij de nabestaanden van 8 december, maar toen mijn vader overleed lieten ze geen traan. Ook later niet. Heel Suriname sprak er schande van dat mijn vader de jonge revolutie om zeep wilde helpen.’ Peter ziet het meest in een waarheids­commissie. Daaraan wordt nu gewerkt in Suriname. Er wordt bij wet een commissie ingesteld. De waarheidsvinding heeft alleen betrekking op de periode 1980-1985. ‘Bouterse moet de leugens dat mijn vader met een huurlingenleger Suriname binnenviel, intrekken. Straf is niet nodig, als degene die mijn vader heeft gedood maar bekent’, vindt hij.

Sunil Oemrawsingh van de Stichting 8 december hoopt vurig dat het parlement de amnestiewet alsnog intrekt. Zo niet, dat de rechters op grond van de grondwet en internationale rechtsverdragen besluiten dat de rechtszaak gewoon doorgaat. De rechtsstaat Suriname staat op het spel. Anders klopt de stichting aan bij internationale gerechtshoven. Wonnie Sabajo wenst dat de dood van haar broers en andere inheemsen uit de vergetelheid wordt gehaald: ‘Is Bouterse’s leven belangrijker dan dat van een ander?’