Bouwen of beleggen

Het is altijd weer pijnlijk om te merken hoe vlammende pamfletten samenhangen met ruim beschikbare tijd, en dus met marginaliteit. Pas na de verbanning uit het centrum van de macht is er blijkbaar weer gelegenheid om rond te kijken en na te denken. En in die rust kan dan, o ironie, het gevoel van urgentie ontstaan dat leidt tot het machteloze geraas dat aan de dovemansoren der opvolgers is gericht.

Thijs Woltgens. In zijn zojuist verschenen De neezeggers doet hij een aanval op de neoliberale waan van de dag. Waan van de dag? Nee, het is een duurzame ideologische tendens die hij zelf ruim baan heeft helpen geven toen hij nog over de mogelijkheden beschikte er een stokje voor te steken. Maar dat neemt niet weg dat hij gelijk heeft. De fanatici van de vrije concurrentie hebben lak aan openbaarheid, milieu of solidariteit. Een groeiende groep spreekt het Woltgens na. Onder hen zelfs regelmatig dezelfde fanatici, want fanatisme is allang geen individuele eigenschap meer. De kleine belegger die zijn aandelen maximaal te gelde wil maken, kan evenzogoed klagen over de arrogantie van de NS of wenen over de teloorgang van Fokker. Hebzucht en Schuld zijn vreemden voor elkaar geworden.
Neem de neoliberale architectuur. Ik moet zeggen: de architectuur van het neoliberalisme. Kun je die iemand verwijten? In ieder geval niet de architecten, zoals zo vaak gebeurt. Maar ook de opdrachtgevers niet. Want wie zijn dat? Aangezien de meeste architectuur naast de functies van huisvesting en culturele representatie de functie van investering in vastgoed betreft, is zij rechtstreeks betrokken bij de huidige reorganisatie van het kapitaal.
Beleggen met flitsgeld en het bouwen van architectuur sluiten elkaar in feite uit. De overal gewenste verkorting van afschrijftijden betekent het verlies van duurzaamheid. Daarnaast wordt veel geinvesteerd in ‘slimme materialen’, ingenieuze kliksystemen, digitale installatietechnologie en gebouwbeheersystemen. Want niet alleen de stichtingskosten zijn relevant, maar ook de beheerskosten. De grootste sprong voorwaarts die de afgelopen jaren is gemaakt, is op het gebied van het kostenbesef.
Een ander gevolg is de nadruk op flexibiliteit. Net zoals arbeid steeds flexibeler moet worden gemaakt, zo geldt dat ook voor de bouwsystemen. Kleinere, intensiever gebruikte oppervlakten vereisen een andere ontwerpbenadering. Experimenten met grote dichtheden voor wonen en werken, en meervoudig gebruikte bedrijfsruimten in verzamelgebouwen zijn hiervan de consequentie.
Maar het belangrijkste gevolg van de neoliberale reorganisatie van het kapitaal is toch wel het nieuwe opdrachtgeverschap. Daarin vervalt de buitenissige geldingsdrang. Bezit wordt steeds anoniemer. Investeren in vastgoed gebeurt hoe langer hoe meer door grote publieke of private conglomeraten, zelden nog door individuen. We beseffen nog maar half wat het betekent dat trots, caprice, hoogmoed, grilligheid, devotie, burgerplicht of extravagantie als voldoende aanleiding tot architectuur zijn weggevallen. De conglomeraten van beursgenoteerde bedrijfsconsortia, pensioenfondsen, projectontwikkelaars of woningcorporaties hanteren heel andere criteria ten aanzien van gewenste rendementen. Zo kan vijf procent winstgroei voor een steenrijke, liefst excentrieke directeur-eigenaar heel acceptabel zijn, terwijl het voor anonieme aandeelhouders als een schandalig verlies wordt gezien. Met de depersonalisering van het opdrachtgeverschap bestaat er geen 'genoeg’ aan rijkdom meer. Dit surplus, dat in het verleden vaak ten goede kwam aan de architectuur, is weggevallen. De almaar zwaarder wegende druk van het dividend per aandeel betekent uiteindelijk een heel andere benadering van de bouw. Er loopt een rechte lijn van de doorbroken magische grenzen op Wall Street en de verlaging van de gemiddelde kwaliteit van de architectuur. Aangezien de bouweconomie doorgaans een micro-economie is, worden deze macro-economische aspecten meestal over het hoofd gezien.